Bijna geheel België behoort tot het gebied van twee stroomen en van een
zeerivier, de Maas, de Schelde en den IJzer.
Geen van deze rivieren ontspringt in het land zelf; alle drie hebben hun
oorsprong in Frankrijk; de laatste alleen heeft haar monding in ons land.
Een klein hoekje van Zuid-Henegouwen en de oostelijke helft van Luksemburg
behooren tot een ander stroomgebied.
In hun loop vertoonen onze hoofdrivieren een zekere overeenkomst. Beide
richten zich, zoodra ze België binnenkomen, naar het noorden: de Maas tot
aan Namen, de Schelde tot aan Gent. Te Namen ontvangt de eerste de Samber,
welke bijrivier haar de richting aanwijst, die ze thans te volgen heeft. De
Lei valt te Gent in de Schelde, welke van hier mede naar het oosten loopt.
Later hernemen de beide stroomen hun weg naar het noorden, totdat ze België
verlaten, om door Nederland in een westelijke richting naar de Noordzee te
vloeien. Uit oorzaak van de helling van den bodem ontvangen Maas en Schelde
hun meeste bijrivieren van de oostzijde.
De Maas is de stroom van het bergland. Afkomstig van de hoogvlakte van
Langres, wordt zij reeds bevaarbaar te Verdun, breekt verder door de harde
rotskloof der Ardennen te Fumay, die ze uitdiept en verbreedt, en valt in
België. Van hier tot boven Luik loopt zij schier gestadig in een rotsbed,
beboord met scherpe en steile hoogten van grauwe leisteen en van kalk, door
de lichtbruine kleur van ijzererts en andere aarde als 't ware verguld.
Een menigte rivieren werpen zich in de Maas: rechts de Semoi, bekend om
haar verrukkelijke oevers, de Lesse, om haar schilderachtig dal en haar
beroemde grotten en holen, de Hoyoux en de veel bezochte Ourthe, die reeds
de Amblève met haar mooien waterval en de Vesder heeft opgenomen; links de
Samber, de Mehaigne en de Jaar of Jeker. Van Luik tot Maastricht is een
kanaal langs de Maas gegraven, zoodat men er in geslaagd is, haar van Sedan
door heel haar loop bevaarbaar te maken. Bezuiden Maastricht, bij het dorp
Eisden, treedt de Maas op Nederlandsch grondgebied en vormt de
grensscheiding met België, tot voorbij Maaseik, dat zij bespoelt, waarna ze
voor goed ons land verlaat, om zich bij den Briel in de Noordzee te werpen.
De Schelde is de stroom van 't vlakke land en de belangrijkste van België.
Haar geheele loop van aan Kamerijk, waar ze bevaarbaar is, tot aan haar
monding in de Noordzee, bedraagt ongeveer 430 Km., waarvan 107 in
Frankrijk, 233 in België, de overige 90 in Nederland.
Ontsprongen op een hoogvlakte van 110 M. ten noorden van St.-Quentin,
bespoelt ze achtereenvolgens Kamerijk, Valencijn en Condé in Frankrijk,
treedt even boven Antoing in België, stroomt door de provincie Henegouwen
naar Oost-Vlaanderen. Van Doornik baant ze zich een weg door den rotsgrond,
strijkt verder door krijt- en kleilagen langs 't golvend heuvelland tot
voorbij Oudenaarde, om van hier als een breede glanzende streep te
kronkelen door de groene vlakte naar Gent, waar ze met verscheidene
belangrijke kanalen in gemeenschap is, met dat van Brugge, Zeebrugge en
Oostende door de Lei, met het groote zeekanaal van Terneuzen. Te Gent neemt
ze de Lei op, die haar stroom, in oostelijke richting stuwt tot voorbij
Dendermonde, om verder met een bocht zich naar 't noorden te wenden en als
scheidslijn te dienen tusschen het Land van Waas en de provincie Antwerpen.
Vóór de stad van denzelfden naam vormt de Schelde een der schoonste havens
van Europa. Een groot gedeelte van zijn levenskracht is België aan zijn
hoofdstroom verschuldigd. Zijn diepte en breedte is zoo groot, dat hij niet
alleen de reusachtigste stoombooten, maar zelfs de zwaarste oorlogsschepen
ontvangen kan.
[Illustration: De Schelde voor Antwerpen]
De Schelde dankt haar belangrijkheid aan den invloed der getijden. Ook in
den Rupel en zelfs in de drie bijrivieren, die hem vormen, de Nete (tot
Lier), de Dijle (tot Mechelen) en de Zenne (tot Vilvoorde) is de werking
van den vloed nog duidelijk waar te nemen.
Te Antwerpen heeft de Schelde bij ebbe een breedte van 500 M.; de vloed
duurt er gemiddeld 5 u. 38 m.
Kalm en rustig glijden al de bijrivieren door het vlakke land, om hun water
naar den hoofdstroom te brengen: de Hene, die haar naam schenkt aan de
provincie, de schilderachtige Lei, de Dender, de Durme en meer andere,
welke ieder op haren weg kleinere stroompjes hebben opgenomen.
Is de aanblik van de breede Schelde indrukwekkend, deze wordt nog verhoogd
door het grootsche tooneel van beweging en leven, door de talrijke schepen
en stoombooten, die haren vloed doorklieven.
Even voorbij Doel verlaat de Schelde ons grondgebied, splitst zich, drie
uren beneden Antwerpen, in twee armen, waarvan de zuidelijke, de Hont of
Wester-Schelde geheeten, voorbij Terneuzen en Vlissingen naar de Noordzee
loopt. De noordelijke arm of Ooster-Schelde, door een afdamming sedert 1868
van haar tweelingzuster gescheiden, begint meer en meer te verzanden.
De Scheldemonden bij Vlissingen en Zieriksee hebben een aanzienlijke diepte
(van 37 tot 40 M.) en een breedte, die afwisselt volgens ebbe en vloed van
4200 tot 4800 M.
De Hont of Wester-Schelde, thans de groote handelsweg voor Antwerpen en
geheel België, vormde in de middeleeuwen een uitgebreide delta, waardoor
bij storm en hoogen waterstand de gansche streek beneden Antwerpen, tot
zelfs een deel van 't Land van Waas, regelmatig onder water werd gezet.
Van de XIe eeuw af begonnen de bewoners aan haar oevers de schorren of
aangeslibde gronden in te dijken. Sedert de XIIIe eeuw werden aldus,
volgens Em. De Laveleye[13], in België alleen meer dan 50,000 Ha.
ingepolderd, en sedert 1815 bedraagt de aanwinst van grond reeds meer dan
8000 Ha. en nog is er meer land door indijking te winnen.
Het waterveld tusschen Zeeuwsch-Vlaanderen, Zuid-Beveland en Walcheren, dat
als 't ware het voorplan is van het grootsche drama «den Strijd tusschen
Water en Land», werd in de tweede helft der XVIe eeuw, opnieuw het tooneel,
waar een nog bloediger strijd geleverd werd tegen de Spaansche dwingelandij
voor de vrijheid van het geweten. Liever dan hun land aan den
bloeddorstigen vijand prijs te geven, staken de inwoners de dijken door, en
vernielden op één dag het werk van vier eeuwen. Na de bevrijding van
Nederland begon men als van vorenafaan het water grenzen te stellen en riep
men de hulp in van de waterbouwkunde voor het droogmaken der gronden.
De IJzer ontspringt in het Fransch Noorderdepartement, ten oosten van
St.-Omaars, stroomt als een zelfstandige rivier door West-Vlaanderen,
ontvangt de Ieperlee in de nabijheid, waar vroeger het fort Knokke zich
verhief, ten Z.W. van Diksmuide, en werpt zich na een loop van 78 Km.,
waarvan 50 in België, beneden Nieuwpoort in zee. Het nut van deze rivier,
niet alleen voor het drooghouden van den grond, maar ook voor de
scheepvaart, wordt verhoogd door verscheidene kanalen, dat van Loo, van
Veurne en van Plasschendale, die den loop van het rivierwater regelen en
deels de wateren onderling verbinden.