De Bodem: Vorming en Invloed op de Bewoners

Niets oefent zoo grooten invloed uit op de vorming van een volk, op zijn

wijze van leven, op zijn bedrijf en karakter, op zijn kunst en zijn taal,

dan de bodem, waarop het zich vestigt. Klimaat, vorm en ligging, hoogte en

laagte, geologische bouw, minerale voortbrengselen, richting en rijkdom van

water, nabijheid der zee, insnijding der kusten, duizenden betrekkingen van

grond, lucht en water, planten en dieren, heel de omringende natuur met

haar verschijnselen, haar duizenden vormen en kleuren, de eindelooze

wisseling van haar leven, dit alles grijpt voortdurend en diep in het

menschelijk organisme in, en bepaalt voor een groot deel het type en het

karakter, de ontwikkeling en de toekomst der bewoners.

Maar ook die bodem ondergaat op zijn beurt den invloed van den mensch. Waar

zijn nasporende geest zijn natuur onderzoekt, ontsluiert hij hem zijn

duizendjarige verborgenheden, zijn schatten en krachten. Die kennis heeft

hem er toe geleid, om den grond naar zijn behoeften te plooien, zijn

heerschappij er over uit te breiden, zijn kracht van voortbrengen te

vermeerderen.

De grond, dien wij ons vaderland noemen, getuigt van menigvuldige

omwentelingen, die zijn gedaante voortdurend hebben gewijzigd. Overal, in

steen en in zand, vinden wij daarvan de duidelijkste sporen, die elkeen,

bij een weinig nadenken, in staat stellen, zich min of meer een

voorstelling te vormen van die oude vóórhistorische tijden.

In dit verre, donker verleden -- hoeveel duizenden jaren liggen reeds

achter ons -- was een groot deel van België, evenals Nederland en de heele

noordsche vlakte, door de wateren van den Oceaan overdekt. Het Waalsche

bergland, de keten der Ardennen en de noord-westelijke hoogten van

Duitschland vormden als een soort van schutsmuur tegen het verder

doordringen van den Oceaan.

Aan de eene zijde stond die berggordel bloot aan het volhardend geweld der

baren, aan de andere zijde aan den sterken aandrang der gezwollen wateren

van rivier en beek, van gletscher en landijs, aan de verwoestende krachten

des tijds, aan regen en wind, aan hagel en vorst, aan gloeiende hitte en

strenge koude; aangegrepen en ontbonden door het scheikundig vermogen des

dampkrings, verweerd en verbrokkeld, uit- en inwendig afgeknaagd,

uitgespoeld en gesloopt door de oplossende kracht van het stroomende water,

alles mederukkend wat het op zijn tocht ontmoette: verweerd gesteente,

afgeknaagde rotsen, geslepen en gepolijst tot keien, verbrijzeld tot grint

en zand, tot leem en allerlei puin. Laag op laag van al dat meegevoerd puin

werd door de rivieren, vooral bij hun monding in den Oceaan neergeworpen.

Rijn[7], Maas en Schelde, die in een vorig tijdperk, vooral in den ijstijd,

een veel grootere kracht bezaten, veroorzaakt door overvloediger regen- en

sneeuwval, door grooten omvang van gletschers, die ons land met een dikke

ijskorst bedekten, als een gevolg van het koelere klimaat, werkten

onophoudelijk mede tot vorming van dien bodem door meerderen aanvoer van

grooter steenen en grover zand, tot ophooging en uitbreiding der beddingen.

Zoo werden de rivieren de scheppers van het land. Later werden die

aangeslibde gronden door onderaardsche werking opgeheven tot hun

tegenwoordige hoogte.

In dit aardkundig tijdperk, dat de geleerden het _quaternaire_ of in meer

beperkten zin _diluvium_[8] noemen, had een groote omkeering plaats in het

klimaat onzer streken. Een groot deel van Europa werd met een dikke

ijskorst bedekt, waardoor groote veranderingen in de samenstelling en de

verdeeling van land en water ontstonden.

De viervoetige dieren, die toenmaals het noorden bewoonden, verhuisden naar

zuidelijker streken; ook de vroegere plantengroei stierf weg onder de

strenge koude. Die voortdurende veranderingen, die de bodem van ons land

onderging, zijn zeker wel oorzaak, dat er van de menschen, die toen reeds

een deel van ons land bewoonden, zoo weinig sporen zijn overgebleven. In de

spelonken en grotten der kalkbergen langsheen de Maas en de Lesse, waarin

zij waarschijnlijk huisden, heeft men in onzen tijd, na duizenden jaren,

hun gebeente teruggevonden, alsmede allerlei wapenen en gereedschap van

vuursteen, als pijl- en lanspunten, bijlen, beitels en messen, zelfs

voorwerpen tot opschik, vervaardigd uit tanden van dieren, en dit alles

vermengd met scherven van gebakken aardewerk en de beenderen van den

holenbeer, het rendier en de hyena, van den mammoeth en andere dieren uit

de poolstreken afkomstig, maar welke gedurende den ijstijd onzen bodem

bewoonden.

[Illustration: Mammoeth (Elephas Primigenius) gevonden te Lier in 1860 (L.

4,50 m., H. 3,25 m.)]

Hoe lang de vorming van deze diluviale gronden met hun geplooide

opeengestapelde lagen voortduurde, valt niet te berekenen. Daarna

ontstonden de moderne formaties, de gronden van het _alluvium_[9] die nog

altijd gevormd werden, doch van het diluvium niet altijd te onderscheiden

zijn. Het begin van dit tijdperk is al vele duizenden jaren van ons

verwijderd. De toen op onzen bodem levende volken zijn zonder twijfel

getuige geweest van die geweldige omkeeringen, mogelijk gevolgd van een

hevigen strijd om bewoonbare streken, toen in noordelijke richting

uitgebreide oppervlakten verdwenen.

Nog altijd duurt het strijden voort van zee en stroomen tegen het

vasteland, dat in den bewoner der lagere deelen met zijn geestkracht en

taai geduld een verdediger heeft gevonden. Slechts stap voor stap, en eerst

na eeuwen langen strijd behield deze hier op het water de bovenhand. Ook nu

nog, evenals in vroegere dagen, knagen water en dampkring gestadig aan de

vaste aardkorst, verwoesten en verweeren het hardste gesteente, lossen een

deel er van op en voeren het overige verre weg, om het op andere plaatsen

neer te leggen als vruchtbare aarde, valleien en vlakten er mee te

overdekken; nog immer groeien de humuslagen, de waterplanten in verbazend

groote getalen in vochtige en moerassige streken, die telken jare een

nieuwen groei boven de overblijfsels der afgestorvene stapelen, welke

allengs door verkoling, onder gedeeltelijke afsluiting der lucht, in turf

overgaan.

Zulke turfbeddingen of veenlagen zijn als een geschiedboek van de

oppervlakte, die zij beslaan, niet zelden van de naast omliggende streek.

Dikwijls vindt men daarin beenderen, tanden of haarbossen van dieren uit

een vroeger tijdperk, die duizenden jaren geleden hier leefden en stierven.

Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel · 第 22 / 49 题