AANSPRAAK

BIJ DE UITDEELING DER PRIJZEN AAN DE BEKROONDEN IN DEN WEDSTRIJD

TUSSCHEN 'S RIJKS LAGERE SCHOLEN TE KORTRYK DEN 20^{sten} JULI 1857.

Mijnheeren! Het is met een gevoel van blijde ontroering, dat ik heden

deze nederige doch in mijne oogen zeer gewichtige plechtigheid bijwoon.

Als vaderlandsminnaar en als vriend des volks, zie ik het lager

onderwijs aan voor de hoogste weldaad van ons maatschappelijk leven,

voor den machtigsten hefboom tot beschaving en tot zedelijke verbetering

van den mensch.

In ons land bevinden zich gedurig in de lagere scholen meer dan tien

leerlingen op elke honderd inwoners. Men mag dus zeggen, dat de gansche

natie door het lager onderwijs gaat als door eenen vorm, waarin iedereen

wordt bereid om als Belg, als burger en als Christen de zending en de

plichten te vervullen, die hem volgens zijne krachten en bestemming in

de maatschappij zijn opgelegd. Want, men bedriege zich niet, de vruchten

der lagere scholen zijn niet bepaald tot het eigenlijk onderwijs alleen:

hun voornaamst en meest weldadig uitwerksel is de _opvoeding_, is de

vorming van het hart en de veredeling van den geest.

Is het niet in de lagere school dat men den kinderen des volks

allereerst een klaar denkbeeld geeft van de plichten jegens God en

jegens den medemensch? Is het dáár niet, dat men hun met bewondering en

eerbied verhaalt van de groote daden onzer vaderen, en hun liefde tot

den geboortegrond inboezemt? Is het dáár niet, dat men hun de deugd om

haar zelve leert beminnen, en hen bekwaam maakt tot dien edelmoed en die

opoffering, zonder welke de menschelijke samenleving eene onmogelijkheid

worden zou? Ja, het lager onderwijs is de milde bron van godsvrucht, van

vaderlandsliefde en van burgerdeugd.

Welke toekomst ware den volken van Europa beschoren, indien een goed

ingericht lager onderwijs niet elk aankomend lid der maatschappij

opnieuw tegen dwaling en onvoldoenbare begeerten wapende door het innig

gevoel van den plicht? Het is de overtuiging der oneindige gewichtigheid

van het lager onderwijs, die vóór eenige jaren den beroemden Lord

Brougham in de Engelsche Kamer deed uitroepen: "_Voortaan zal niet meer

het kanon, maar wel de onderwijzer over het lot der wereld beslissen_!"

Zooveel durven wij niet hopen; maar toch zijn wij van meening, dat in de

zedelijke orde de samenleving zal zijn wat het lager onderwijs haar

heeft gemaakt. En onder dit oogpunt mogen wij, Belgen, ons verblijden:

staat ons land nevens de grootste en wijste natiën ten opzichte der

uitbreiding van het volksonderwijs, het is misschien wel het eerste van

alle ten opzichte van den zuiveren echt beschavenden geest, die het

lager onderwijs bij ons bezielt.

Onze koning, de welbeminde vader des volks, en met hem onze

staatslieden, onze provinciale en gemeentelijke overheden hebben wel

begrepen, dat de hechtste band, dien men rond onze jonge nationaliteit

kon slaan, de band van een doelmatig en overvloedig lager onderwijs

moest zijn. Wat dankbaarheid zijn wij hun niet verschuldigd, wanneer wij

overdenken, dat de kosten van allen aard voor het lager onderwijs

jaarlijks 4 1/2 millioen franken bedragen, en dat op dien voet, sedert

1830, België aan de opvoeding des volks meer dan honderd millioen heeft

besteed!

Men moge de gebreken der tegenwoordige samenleving met bitterheid

gispen; men moge het goede vergeten om in het kwade te kunnen wanhopen,

het is schoon toch, tot lof van onzen tijd en van ons land in het

algemeen te kunnen zeggen, dat niemand in België van het brood der ziel,

van het licht des geestes moet onterfd blijven, dan alleen door zijne of

zijner ouderen schuld! Dat niemand, zelfs het kind des bedelaars niet,

de middelen ontzegd worden, om de begaafdheden, die God hem heeft

geschonken, te ontwikkelen en te doen gelden, en aldus in het Belgisch

huisgezin de plaats in te nemen, waartoe zijne zedelijke waarde hem

recht kan geven!

Gij, leerlingen, wien ik in naam des staatsbestuurs den prijs der vlijt

en der werkzaamheid ga uitdeelen, gij zijt een slagend bewijs van de

waarheid mijner gezegden. De meesten uwer behooren voorzeker tot de

arbeidende burgerij, sommigen ook tot den nederigsten volksstand. De

zegepraal, die gij nu hebt behaald, doet mij denken, dat de

Voorzienigheid u heeft begaafd met eene bijzondere verstandelijke

vatbaarheid; zij laat mij hopen, dat gij zult getrouw volharden in

leerzucht en in vlijt, dat gij zult getrouw blijven aan de gevoelens van

deugd en vaderlandsliefde, welke de lagere school u in den boezem heeft

gestort. Indien het zoo is, dan zult gij u onderscheiden in de

samenleving, u nuttig maken, u doen beminnen en eeren in uwen stand. En

wie weet, wat gij zult worden, gij, die bij uitstek moedig schijnt en

begaafd? Wie kan zeggen, of niet sommigen onder u hun vaderland zullen

vereeren en eene luisterrijke loopbaan bewandelen?

Dit hangt af van den wil Gods en van uwe eigene volharding: maar hoe het

zij, en welke uw stand in de samenleving ook worde, zonen des volks, gij

zult het altijd blijven beminnen dit vaderland, dat u zoo edelmoedig de

middelen schonk, om uwen geest te veredelen, uwe natuur te louteren en u

waardig te maken van een beter lot op aarde. In uw gevoel van

dankbaarheid zult gij den doorluchtigen weldoener van België, den

koning, begrijpen; uwe erkentenis zal zich uitstrekken tot de

staatslieden, die onze schoone nationaliteit hebben gesticht of

gehandhaafd, tot de provinciale en gemeentelijke overheden, die

voortdurend en met vaderlijke zorg de bron voeden, waaraan gij hebt

geput. Aldus zult gij waardige burgers worden, nuttige menschen, en

vooral verkleefde vrienden van de vrije instellingen, die België

tusschen de staten van Europa tot een benijdenswaardig land hebben

gemaakt.

Het is mij een plicht, te dezer gelegenheid eenige woorden te zeggen tot

lof dier ootmoedige maar edelhartige mannen, die zich aan het onderwijs

van de kinderen des volks hebben toegewijd;--die dikwijls ongekend en

schier onbeloond, gedurende eenen ganschen levensloop zich opofferen,

zonder rust of verpoozing, om de vaderlijke inzichten van het

staatsbestuur te verwezenlijken.

Al wat ik tot lof der lagere scholen heb gezegd, is ook op u

toepasselijk, heeren onderwijzers. Het is uw hart, dat er de jonge

harten vormt; het is uw geest, die er de kinderlijke verstanden

ontwikkelt; het is uwe liefde tot het goede, tot het schoone, tot het

edele, die als eene weldadige sprankel, van uit uwen boezem in de

gemoederen der leerlingen overgaat. En wie de overtuiging uitdrukt, dat

het lager onderwijs een der schoonste eeretitels des vaderlands is, die

zegt terzelfder tijd, in welke ruime mate de openbare dankbaarheid u

toekomt.

Het is waar, gij zijt niet naar verdiensten beloond; maar deze toestand

is een dier overblijfsels van vroegere tijden, waarvan de samenleving

zich slechts langzaam kan ontdoen. Reeds hebt gij kunnen bemerken, dat

er sedert vele jaren pogingen worden aangewend, om uw lot meer in

verband te brengen met de hooge diensten, die gij bewijst; en, gij kunt

het niet miskennen, onder dit opzicht is reeds veel gedaan. Zijt er van

verzekerd, opdat het u sterk make tot het vervullen uwer moeilijke

plichten; het staatsbestuur is doordrongen van al de gewichtigheid uwer

zending en zal nimmer ophouden naar de verbetering van den

onderwijzersstand te streven.

Zijn er nog menschen, die uw edel beroep niet ten volle begrijpen en het

niet naar recht en rede hoogachten, het mistrooste u niet: alwie

overweegt, alwie het vaderland en het volk met klaarheid in den geest

bemint, denkt slechts met bewondering en eerbied aan het goede, dat gij

sticht, en aan de belangelooze opoffering, die gij toont. Gaat voort en

arbeidt met dezelfde vlijt op den akker der toekomst; leert den kinderen

de deugd hoogschatten, het vaderland beminnen en God vreezen; en,

weigert de tijd u voor alsnu nog het rechtmatig loon uwer lastige taak,

zoekt sterkte en troost in de overtuiging, dat gij op aarde tusschen de

edelste en nuttigste burgers gerekend wordt en dat gij de weldoeners van

het menschdom zijt.

Redevoeringen · 第 16 / 18 题