TOT DE BEKROONDEN IN DEN WEDSTRIJD TUSSCHEN DE LEERLINGEN VAN 'S LANDS
SCHOLEN (1854).
Het feestgedruisch doorklinkt deze zalen; ik zie blijdschap en
geestdrift op ieders gelaat. Hebben wij weder eene worsteling doorstaan?
heeft het Vlaamsche vaderland misschien eene overwinning behaald? Roemen
wij eene nieuwe zegepraal?
Inderdaad.... En de strijd, hoe vreedzaam ook van aard, was
veelbeduidend, indrukwekkend: het gansche land hield er met angst het
oog op gericht; want ieder wist of ieder gevoelde, dat men hier
beslissen ging, of wel het bloed der Vlaamsche Belgen nog zuiver genoeg
in zijne bronnen was, om op de toekomst van een onverbasterd nageslacht
te mogen hopen. Het Staatsbestuur zou jaarlijks de jongelingschap
oproepen, om in eenen prijskamp naar den lauwer van leerzucht en van
vroegtijdige ontwikkeling te komen dingen; voor onze broeders, die zich
van de Fransche taal bedienen, had zulke prijskamp geene andere
beteekenis dan die van eenen wedstrijd over de leerstelsels in de
scholen; meer waarde moest hij voor ons ook niet verkrijgen.
Maar de vijanden van ons volksbestaan zagen al spoedig, dat hierin een
middel te vinden was om de Vlaamsche beweging eenen bloedigen slag te
slaan, haar te verrassen en haar met schaamte te overladen.
Men zou in den prijskamp de Vlaamsche taal op den achtergrond schuiven,
hinderpalen van allen aard haar in den weg stellen, verklaren, dat de
wedstrijd in het Fransch verplichtend was; maar dat niemand gehouden
was, zelfs niet de Vlaamsche scholen, om deel te nemen in den Vlaamschen
prijskamp.
Wat moest daar nu het gevolg van zijn?
De onderwijzers weten wel, hoe zij de vijanden van onzen ouden volksaard
kunnen believen: het wordt hun niet verborgen. Daarom, velen
verwaarloozen het onderwijs der moedertaal. Zoo zouden dan de
onderwijzers hunne leerlingen in het Fransch doen kampen, niet in het
Vlaamsch; de wedstrijd in het Vlaamsch zou bij gebrek aan mededingers
onderblijven, en men zou het Vlaamsche volk met den boozen lach der
zegepralende slimheid toegeroepen hebben:
Verdwaalden, wat roemt gij op eigen zeden, eigen aard en eigen taal?
Geeft op den zinneloozen strijd, het lot van Vlaanderen is beslist,
overwonnen en vernietigd is de oude heldenstam; geene hoop meer voor u:
het bloed der Artevelden is verbasterd tot in zijnen oorsprong; want
ziet, de jongelingschap, de kinderen zelven verachten hunne moedertaal!
En zoo is het werkelijk geschied, en zoo heeft men inderdaad over onze
nederlaag gejuicht....
Maar de vijand bedroog zich; te vroeg roemde hij op den uitslag van list
en bedrog. Zoo verre toch is Vlaanderen nog niet gezonken, dat het koel
kon blijven bij dat onrecht, bij dien hoon.
Brussel herinnerde zich, dat het de oude hoofdstad van het Vlaamsche
Brabant is. Uit haren schoot klonk de oproep tot tegenstand over België.
Zij wilde beproeven, of men met de Vlaamsche volkskrachten alleen de
list der vijanden niet zou kunnen verijdelen, of de vaderlandsliefde van
eenige onderwijzers tegen de lage streelzucht van velen niet zou
opwegen; of de noodkreet, over Vlaanderen klinkend, geenen weergalm zou
vinden in de harten van het jong geslacht; of het waar is, dat de
laatste kroost onzer roemrijke vaderen, of de kinderen van Vlaanderen
zelven hunnen volksaard en hunne moedertaal verachten.
Stoutmoedige poging, twijfelachtige proef! Want onbekend was ons die
grond, en zoovele hinderpalen waren er te overwinnen! Weinige dagen
bleven beschikbaar. En wie kan zeggen of alles zou gelukken? Er werd
eene onmiddellijke samenwerking van ouders, onderwijzers jongelingen en
kinderen, van alle vrienden der moedertaal vereischt ... en, ontbrak er
iets van dit alles, zoo mislukte de poging onfeilbaar--en eene dubbele
schande hadde onze heilige zaak getroffen, en de vijand hadde met
schijnbaar recht over den val van ons geslacht gejuicht!
Ook, met welke vrees, met welken angst volgden wij de galmen van den
hulproep, die uit Brussel opgestegen was. Zou hij onbeantwoord blijven?
Maar wat grootsch, wat schoon vertoog! Uit alle streken van onzen
miskenden geboortegrond klinken eensklaps zoete, doch innig bezielde
stemmen ons tegen:
"Hier zijn wij, zonen van Vlaanderen! Gij roept ons ten strijde voor de
moedertaal: welaan, al wat wij bezitten, moed, leerzucht, vlijt, al de
wapens, die onzen jaren gegund zijn, stellen wij ten dienste van het
vaderland. Naar Brussel, naar Brussel, ten strijde voor het Vlaamsche
volksbestaan, ten strijde voor der vaderen roem en naam!"
Ziet gij uit alle gewesten van België, uit groote steden, uit kleine
dorpen die gelooven elk van zijnen kant ter bedevaart trekken; ziet gij
die jonge helden, met het oog fonkelend van hoop en moed, ter hoofdstad
gaan als pelgrims die, met overtuiging in de borst en vertrouwen in het
hart, eenen heiligen plicht vervullen gaan? Geene overheid heeft hen
geroepen, geene macht heeft hen gedwongen, geene bedreiging hun de baan
gewezen. Wat hen leidt is het edelste gevoel, het besef dat zij, hoe
jong ook, toch Vlamingen zijn en hun vaderland niet mogen laten
vernederen.
Zij heeft gestreden, zij heeft moedig en zegerijk gestreden, de gewijde
schaar, de voorwacht van Vlaanderens toekomst.
De zegepraal is den vijand ontroofd, het vaderland juicht; wat zijne
schande worden kon, is de bron geworden van eer en roem.
Nu is het uit met die list ... en ieder zal weten, dat, zoo het
onderwijs der moedertaal in de scholen wordt verwaarloosd, het de schuld
van het Vlaamsche volk, het de schuld van Vlaanderens zonen niet is!
En gij, jongelingen, echte telgen van het heldengeslacht, waaruit wij
gesproten zijn, gevoelt gij niet hoe schoon het is, voor het vaderland
te strijden? Is uw jonge boezem niet verbreed, is geen helder licht in
uwen geest gedaald, heeft een ongekend gevoel uwe ziel niet verheven tot
het beseffen eener grootsche mannentaak?
Voorwaar, uwe jonge ziel is ontroerd, daar gij in de toekomst de
glinsterende star aanblikt, die eensklaps voor uw oog is opgerezen; ja,
het is zoo, gij zijt tot eene hoogere zending geroepen; wij, uwe
voorgangers, wij worden allengskens oud; de dood zal ons treffen op het
oogenblik, dat gij in de volle kracht des levens zult bloeien. Zouden
het vaderland dan mannen ontbreken om het te verdedigen, zouden het
dichters ontbreken om zijnen lof te zingen en der vaderen daden te
roemen? O, neen, gij uitverkorenen tusschen het jonge geslacht, gij zult
het heilig werk der wedereisching voortzetten en doen, wat wij hebben,
gedaan. Ja, ja, miskent het nimmer, gij en uwe strijdgezellen moet u
bereiden tot het volbrengen uwer edele zending: strijders voor het
vaderland, verkondigers der wedereisching onzer rechten moet gij worden.
God wil het; Hij heeft u daartoe met zijnen machtigen vinger geteekend
en uwen jongen geest de noodige gaven ingestort. Oh, wij beproefde
mannen in die worsteling, afgesloofde soldaten van het Vlaamsche leger,
wij vereeren u, wij danken u voor hetgeen gij hebt gedaan; uw voorbeeld
heeft ons nog meer moed gegeven: wij weten nu dat het werk, waaraan wij
ons leven hebben toegewijd, tegen den aanval des vijands ook na onzen
dood met onversaagdheid zal worden verdedigd, met vlijt en moed zal
worden voortgezet. Wij danken u, ouders en onderwijzers der jonge
helden, dat gij hun toeliet het vaderland dit hoog bewijs van
verkleefdheid te geven: aan u zijn wij grootendeels die zegepraal
verschuldigd.
Gij ook, zonen van Vlaanderen, gij moet uwen ouders, uwen meesters
dankbaar zijn. Blijft hunne vreugde op aarde: bemint en eert ze
gedurende hunnen ganschen levensloop, niet omdat God u uit hen liet
geboren worden, maar ook omdat zij in uwen boezem het heilig gevoel der
vaderlandsliefde hebben gestort, dat u in de kinderjaren reeds heeft
veredeld en uwe gansche toekomst veredelen moet.
Gij hebt te Brussel den zichtbaren prijs uwer vlijt en uwer liefde tot
de moedertaal ontvangen. Wij ook, wij willen u in naam uwer geboortestad
een zichtbaar teeken onzer vereering schenken. Het is slechts eene
vergankelijke lauwerkroon; maar zij is het beeld van den roem, dien het
vaderland u voorbewaart, het zinnebeeld van den wensch, dat het geluk
uwe pogingen blijve vergezellen, het zinnebeeld van de zending des
dichters, des kunstenaars die u schijnt voorbestemd.
Aanvaart dit eereloover, u geschonken door uwe medeburgers; maar geheugt
terzelfder tijd dat een Belg, een Vlaming, een man in zijnen eigen
boezem het schoonste loon zijner daden vindt; dat wie strijder en
lijder wil zijn voor onze heilige zaak, zijne macht en zijn loon moet
putten in de overtuiging, dat hij zijne plichten kwijt jegens
volksbestaan, jegens moedertaal en jegens vaderland!