UITGESPROKEN IN DE MAATSCHAPPIJ VOOR TAAL EN KUNST, IN DE
TEGENWOORDIGHEID DES KONINGS EN DER KONINKLIJKE FAMILIE, TER GELEGENHEID
VAN HET HUWELIJK VAN Z.K.H. DEN HERTOG VAN BRABANT MET H.K. EN K.H.
MARIA HENDRIKA VAN OOSTENRIJK.
Deze zaal heeft menigmaal gedreund onder onze vaderlandsche zegekreten:
meer dan eens hebben wij, hier vergaderd, den dierbaren naam Zijner
Majesteit, onzen goeden koning, en HH. KK. HH. zijne geliefde zonen, in
jubelende galmen ten hemel opgezonden als een gebed der vurigste
dankbaarheid. Geene enkele van al de oneindige weldaden, door God en den
koning aan België bewezen, of zij is hier met godsdienstig gevoel van
erkentelijkheid herdacht en gevierd.
Ik hoor nog in mijn ontsteld gemoed de daverende triomfzangen, die
onlangs uit deze zaal ter eere van den Kroonprins,--hoop en toekomst des
vaderlands,--in de hoogte klommen; ik hoor nog, hoe onze begeesterde
stemmen zich paarden aan het reusachtige zegelied, dat uit alle hoeken
van België opsteeg en het verbaasd Europa met verwondering sloeg.
Maar de schat van Gods goedheid was voor ons nog niet uitgeput;--en,
alsof onze liefde, onze trouw, onze vreugd zelve ons eener hoogere gunst
hadden waardig gemaakt, onze dankbare stemmen klonken nog door het ruim,
toen reeds daarboven eene nieuwe weldaad voor ons vreedzaam en gelukkig
vaderland werd bereid.
De almachtige beschermer van België wierp den oogslag zijner genade op
Europa's Oostergrens; dáár, in den keizerlijken gaard, ontlook eene
edele bloem, eene zuivere lelie, eene doorluchtige spruit, versierd met
al de gaven der jonkheid, der schoonheid en der deugd.... En God sprak
aldus zijne beslissing uit:
"Er is op aarde een troon, door Mij gebouwd op onwrikbare zuilen van
volksliefde en vorstenwijsheid; een troon, glanzend door de Majesteit
van hem, die hem bekleedt; een troon, geheiligd door de deugden eener
zalige vorstin; een troon, omringd en versierd met het edelst kroost;
een troon, voor welks voet de dankbare gebeden van een geheel volk
dagelijks te zamen stroomen en van daar opklimmen tot Mij, den God aller
natiën.... Maria Hendrika, keizerlijke leliebloem, zoo zuiver in mijn
oog, Ik wil mijn geliefd Belgenland eene weldaad schenken. Die Koning
worde u een teedere vader; de eerstgeborene zijner edele telgen worde u
een dierbare echtgenoot; dat liefderijk volk worde u een verkleefd en
dankbaar huisgezin; die troon, waarop mijne genade rust, worde eens uw
vorstelijke zetel!!..."
Luistert, dáár, achter den verren horizont, verheffen reusachtige
vreugdegalmen zich in de hoogte! De lucht schijnt er van ontsteld.... Ik
zie gansche drommen volks de dorpen verlaten, uit den schoot der aarde
opklimmen, uit zwoegende vuurkolken zich vooruitwerpen en met koortsige
blijdschap te zamen stroomen. Het zijn onze Waalsche broeders, die hunne
bergen en dalen doen daveren onder hunnen machtigen zegekreet: "Daar is
zij! Daar is zij, de keizerlijke bruid van onzen geliefden erfprins!..."
Welhaast richt het ijzeren stoomgevaarte, belast met alles, wat wij
meest beminnen op aarde, zijnen snellen loop naar het hart van België;
en, alhoewel het vooruitschiet als een pijl, uit eenen reuzenboog
ontsnapt, toch staan de bevolkingen aller steden en dorpen langs de baan
geschaard en doen den hemel hergalmen van hunnen durenden
welkomstgroet.
Oh, het is schoon, wonderbaar schoon en troostend, het schouwspel van
een geheel volk, dat zijne duizenden stemmen tot eenen enkelen
jubelkreet, tot een enkel danklied vereent. Het is schoon en edel te
zien, hoe op onzen geboortegrond alle stammen, alle standen, alle
gezindheden eenparig juichen en hunne blijde tranen vermengen, wanneer
wij God en den koning om eene nieuwe weldaad te danken hebben. Ah, het
is wel waar, dat al de Belgen slechts een enkel broederlijk huisgezin
vormen--en daarom rust de zegen des hemels zoo zichtbaar op hen, omdat
de heilige vlam der liefde toch in hunne harten blijft branden, al mocht
ook hunne strekking naar het _goede_ verschillig zijn.
En nochtans, indien het mogelijk ware, dat een gedeelte des algemeenen
vaderlands zich bijzonder gelukkig gevoelde over de doorluchtige
echtverbintenis, die men in gansch België viert, dan voorzeker zouden
wij het zijn, wij Vlamingen, frissche tak van den Germaanschen
reuzeneik, wij broederen van het edele Duitsche volk, in de taal en in
den bloede.
Ah! wij zullen de uitverkorene dochter des keizers eeren, niet waar? Wij
zullen de doorluchtige dochter Maria Theresia's beminnen, niet waar?
Beminnen zooals het hart der Belgen beminnen kan? En, mocht het nijdig
lot soms eene dreigende wolk doen ontstaan, niet waar, dan zou voor ons
het historisch _Moriamur pro Rege nostro_ ook eene waarheid worden? En
wij zouden toonen, dat het heldenbloed onzer vaderen heden nog den eed
onzer liefde bevestigen kan!...
Maar neen, hebben wij betrouwen op Gods goedheid. Hij, die ons den
wijsten koning der aarde gaf, Hij zal het land zijner genade beschermen;
Hij zal onzen geliefden erfprins en zijne keizerlijke bruid bewaren voor
de minste smart, en hun levenspad met de bloemen des geluks en des roems
bestrooien; Hij zal den graaf van Vlaanderen en de prinses Charlotte,
teerbeminden onzer zalige koningin en weldoenster Louisa, opleiden en
met zijnen zegen vergezellen; Hij zal de dagen van onzen ouden koning
vermenigvuldigen, opdat hij lang, zeer lang nog de beschermengel van
België moge zijn; opdat onze kleinzonen ook nog het geluk zouden
genieten, den grootmoedigen weldoener huns vaderlands te aanschouwen en
te danken.
O, ja, zóó zal het lot zijn van hen, die wij beminnen; want,--antwoordt
mij in uw hart,--zoo de liefde eens volks de vorsten gelukkig maken kan,
wie op aarde kan gelukkiger zijn dan Zijne Majesteit onze koning Leopold
en zijn dierbaar huisgezin?... Welaan, vrienden, geeft getuigenis van
dit gevoel! Dat onze stemmen, bezield door liefde en dankbaarheid, ten
hemel stijgen; dat onze zegegalm klinke tot voor Gods troon!
Leve de koning! Leve de hertog! Leve de koninklijke familie!