REDEVOERING

UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN THEODOOR VAN RYSWYCK, DEN 10^{den} MEI

1849.

O, Heer! voor welk onbekend verbreken boeten wij dan, dat Uwe hand zoo

loodzwaar op ons nederzakt? Eilaas, de tijden zijn verre, dat wij in

saamgestemde tonen het heilig loflied ter eere des vaderlands deden

schallen,--dat wij, moedig en vroolijk, voor het goede streden en U

juichend dankten bij elke zegepraal op verbastering en volksbederf

behaald! Nu is alles duister en akelig op onze baan: onze vaderlandsche

feesten zijn sombere lijktochten, onze vergaderplaats het veld des

doods, onze zangen het eeuwige vaarwel, bij het graf onzer dierbaarste

broeders gesnikt....

Nog treurt het hopeloos Vlaanderen over de vroege opvaart zijner edelste

zonen, nog zwoegt het weenend om den gedenksteen op het graf van den

Gentschen zwaan[3] te rollen, nog bloedt het uit zijne dubbele wonde ...

en reeds bonst een nieuwe noodkreet uit zijne scheurende ingewanden over

het neerslachtig vaderland!

Bij een ander graf--het laatste, dat wij sidderend zagen

sluiten--durfden wij hopen, dat de storm had uitgewoed. Twee eiken

kruinen lagen ontworteld en verbrijzeld ten gronde....[4] Het offer was

volbracht? Eilaas, neen, neen! Nog ergens, in een welig oord bij de

Schelde, bloeide een frissche wilg, in de volle kracht zijner

oorspronkelijke milde natuur. Bij den minsten zucht, die zijn loover als

de snaren eener harp deed trillen, liep het volk luisterend toe, en het

bewonderde met dankbare aandacht de zoete liederen, die als

dauwdruppelen glinsterend en zoel in de harten vielen, troost en balsem

goten over het wee des vaderlands en de taal onzer moeder deden beminnen

om hare harmonische en bekoorlijke zachtheid.

Een voorbode des doods schoot nevens den frisschen boom voorbij en

zengde zijn welig gebladerte: de zingende wilg verdorde langzaam--en

stierf: kruin en stam vielen ter aarde. Niets meer, niets meer van hem

dan de onvergankelijke naklank zijner betooverende liederen....

Niet genoeg dat de _Vlaamsche Nestor_ van tusschen ons werd weggemaaid,

niet genoeg dat de wreede dood het lied in de keel des _Vlaamschen

Nachtegaals_ verworgen kwam ... ook de _Vlaamsche Bard_, de vroolijke

zanger des volks moest ons verlaten--lijden en sterven als een

martelaar.

Daar ligt hij.... Van Ryswyck! bevrozen onder den kouden zoen des doods

... en met hem zinkt voor eeuwig in den schoot der aarde zijne

wonderlier, die het ingewand des volks trillen deed.

Van Ryswyck! gij waart mijn eerste strijdgenoot. Samen trokken wij te

velde tegen de vijanden van ons geslacht; samen verhieven wij het zwaard

des woords, om den naam der voorvaderen te wreken en Vlaanderen op te

heffen uit de vernedering. Terwijl ik dorst beproeven het vroegere

heldendom ten voorbeeld onzer broederen op te roepen, stroomden van uwe

lier mannelijke en machtige zangen, die het vaderland doorklonken en mij

den boezem van hoop en vertrouwen deden zwellen. Mij suist nog in het

oor:

Verheft het hart, verheft de stem;

Het klinke uit ieders mond:

Wat lot ons dreig', wat leed ons naak,

Ten strijde voor de moederspraak,

Op vaderlandschen grond!

Dreunt luid, der vadren taal ter eer;

Klinkt, zangen, klinkt in 't rond!

Van hier met vreemden pronk en praal

Wij zingen in der vadren taal

Op vaderlandschen grond![5]

Van Ryswyck, diep betreurde broeder, het lot heeft ons in een

verschillend pad geleid; doch achting, liefde heeft altijd tusschen ons

voortbestaan. Onze baan voerde ons toch zoo menigmaal weder te zamen!

Hoe dikwijls hebben onze handen in de eenzaamheid in elkander

gegloeid;--hoe dikwijls ontstroomden onzen lippen woorden van

begeestering, om elkander aan te moedigen tot den nationalen strijd! Hoe

dikwijls verspraken wij elkander eene onverbrekelijke broedertrouw!

Ah, die trouw is niet verbroken geworden. Moge eenige schaduw de

vriendschap tusschen ons overneveld hebben, het hart toch bleef goed....

Ja, bij uw nog ongesloten graf zeg ik het met de diepste overtuiging:

gij hebt uwen strijdmakker blijven achten en beminnen, gelijk hij nooit

een onvriendelijk gevoel tegen u in zijnen boezem toeliet. De traan van

rouw en verdriet, die uwen ouden wapenbroeder nu bij den rand van uw

graf ontrolt, moge uwe ziel in den schoot der Godheid verheugen en u

zeggen, dat ik uw hart heb gekend en geschat....

Taalgenooten, vrienden, gij, die met mij de aarde zijner laatste

rustplaats bevochtigt en snikkend nederziet in den gapenden kuil, die

zijn stoffelijk overblijfsel verslinden gaat, uwe smart is onzeglijk,

niet waar? Het vaderland, al wie Vlaming is en Vlaanderens roem bemint,

moet weenen! inderdaad! Die zwijgende baar omsluit voor eeuwig den

goeden, minnelijken zanger, wiens voetstappen een eeuwig spoor van

troost en blijdschap nalieten, uit wiens zachte blikken de opgeruimdheid

des harten en de vriendschap straalden, wiens aanzijn vreugde en

levenslust verspreidde waar hij kwam ... hij, het ware beeld der

voorvaderlijke gulhartigheid!

Kind der natuur, begaafd met eenen milden gloed van betooverende

zielsharmonie, worstelde hij moedig tegen smart en verdriet om zijne

zending te vervullen; hij verhief zich door eigene krachten, boeide het

luisterend volk aan zijne lippen en verwierf, met eenen welverdienden

roem, den eernaam van Vlaanderens lieveling.... Misschien ging het lot

hem gunstig worden, misschien ging hij eenige rust genieten in zijn

hobbelig en pijnlijk levenspad: maar, eilaas, een ijselijk wee verbrak

de vaderlandsche harp in zijne handen, de heilige lamp der poëzie doofde

langzaam uit,--en, na onbedenkbaar lijden, legde hij, vermoeid en

afgemat, het hoofd op zijn eens zoo verleidend en zoo machtig speeltuig

neder.

Indien iets bij dit graf zijne bedrukte ouders, broeders en vrienden

troosten kunne, dan zij het de overtuiging, dat Van Ryswycks dierbare

naam zal leven, zoolang uit eenen Vlaamschen mond de Dietsche tale

klinkt. Die naam hoort toe aan de geschiedenis onzer letterkunde, door

de onschatbare parelen van ingeboren vernuft en van dichterlijke

harmonie, die in zijne werken liggen opgesloten; hij hoort toe aan onze

zonen, die de liederen van den minnelijken Vlaamschen zanger niet kunnen

vergeten.

En nu, taalgenooten, zal dit graf zelf, zal onze gemeene smart ons niet

indachtig maken, dat het nieuw en onherstelbaar verlies, waarmede het

lijdend Vlaanderen geslagen wordt, de vereeniging onzer krachten noodig

maakt tot het voltrekken van het gebouw, waaraan Van Ryswyck zoo

onverpoosd heeft gearbeid? Zullen wij ongevoelig blijven aan den roep,

dien hij, als door profetische inspraak gedreven, ons in betere tijden

toestuurde:

Broeders, komt, de wraak gebluscht

In het boos gemoed.

Komt, elkaar in vree gekust,

En voor 't kwaad geboet.

't Leven is zoo kort en broos,

Om 't door haat en nijd

Te verbittren voor altoos,

Tot ons eeuwig spijt.

Vrede, trouw en broedermin

Zij ons eenigst doel,

Met een onverzetbren zin

En een rein gevoel.

Wie bestaat, die nooit misdeed,

Vrij van vlek en blaam...?

Dus, vergeven wij het leed,

In des Heeren naam!

Ja, mocht de nagedachtenis van een en dierbaren doode onze harten

vermurwen; mocht eindelijk het treurend vaderland in onze verzoening een

gedeelte der krachten terugvinden, die het wreedste lot ons door zijne

onverbiddelijke slagen ontroofde!...

En gij, Van Ryswyck, arme vriend, betreurde broeder, slaap gerust in den

geboortegrond, dien gij hebt bemind en verdedigd; hij zij u licht en

zoet, de vaderlandsche bodem! Dat God u daarboven met Willems en met

Ledeganck vereenige, opdat gij, roemrijk drietal, bidden moget voor ons

en voor Vlaanderen.... Vaarwel, vaarwel.

Redevoeringen · 第 9 / 18 题