Valentijn zegt, dat een korenmolen, die de regering had, jaarliks 1400
à 1600 gulden opbracht.
De tienden van de granen brachten 14.000 gulden op.
Van een os moesten de Kapenaars, volgens Valentijn, 1 schelling
betalen en van elke 100 schapen 1 gulden per jaar en allen in de
Tafelbaai gaven 3 Rijksd. klapgeld per jaar, omdat men er een
klapwaker of nachtwacht had.
Ik sprak vroeger al over de manier, waarop men de regering bedroog in
de opgaven van 't geoogste graan. Tas is naïef genoeg om in zijn
dagboek te schrijven op 29 Jan. 1706, dat hij 343 mud rogge had
geoogst en er maar 15 aan de Gekommitteerden had opgegeven. En het
schijnt, alsof hij meent, dat hij in dit opzicht nog te eerlik is
geweest.
Het is dus duidelik, dat de regering niet half de belasting kreeg,
waarop ze volgens de wet recht had.
In 1711 waren, zegt Valentijn, voor 't eerst tienden opgelegd door de
Heren Zeventien, maar bovendien moesten de burgers jaarliks elf gulden
leeuwen- en tijgergeld betalen.
Op 13 April 1711 werd aan de Heren Zeventien gemeld, dat het niet
aanbevelenswaardig werd geacht ook tienden van vee te heffen. »De
bewoners van Stellenbosch en Draakestein", zo lezen we, »betalen al
hoorngeld, dit is 1 gulden voor 100 schapen en 5 gulden voor groot
vee[86]. Dit geld, dat gebruikt wordt voor het herstellen van wegen en
bruggen en ook voor 't geven van premies voor 't doden van wilde
dieren, kunnen velen niet eens betalen."
Datzelfde jaar protesteerden de boeren tegen de toepassing in
Zuid-Afrika van de hollandse tiendwet. Want dààr werden de tienden
gerekend van 't gemaaide koren op 't land. Maar hier werden de tienden
geheven van 't graan dat schoon aan de magazijnen van de Kompanjie
werd afgeleverd. Dit verschil in de manier van uitvoeren van de wet
maakte de lasten in Zuid-Afrika natuurlik veel groter dan in Holland.
Toen werd in 1712 ook getracht de tienden te verpachten van 't graan
op 't land. Maar hier kwam geen bod voor. De pachter zou 't ook duur
genoeg gehad hebben voor de moeite van 't inzamelen op zo ver uiteen
gelegen plaatsen.
Over de aksijns en de belasting op de wijn heb ik gesproken in
hoofdstuk II. Ik heb hier alleen bij te voegen, dat het verpachten
van het uitsluitend recht om te tappen elk jaar duizenden guldens
opbracht.
Dit was natuurlik ook een belasting, die de Kapenaars en gedeeltelik
de vreemdelingen betaalden, daar de pachter wel zorg droeg, zijn pacht
plus een mooie winst te maken uit de verkoop van de wijn.
Wat nu de belasting op de verkoop van land betreft, dit:
In 1685 was een nieuwe belasting ingevoerd, die 2 percent bedroeg van
de verkoopprijs van land. Als het land echter verkocht werd binnen
drie jaar nadat de Kompanjie het had geschonken, moest er 10 percent
worden betaald en 5 percent, als dit binnen 10 jaar plaats had.
Over de zegelbelasting, die steeds hoger werd, sprak ik reeds vroeger.
Soms werden behalve deze belastingen ook nog speciale geheven zoals
b.v. in 1743, toen men een havendam trachtte op te werpen in de
Tafelbaai.
Daarvoor hief men een ekstra belasting van alle Europeanen in
Zuid-Afrika.
In ruwe trekken heb ik getracht mijn laatste punt te behandelen.
Voor ik nu deze schets eindig wil ik nagaan, hoe de toestand van de
kolonie was aan 't eind van de eerste helft der 18de eeuw.
Jammer genoeg kan die toestand niet als heel gunstig worden
beschreven.
Ook in Nederland doorleefde men toen een tijdperk, dat voor de
burgerman en de boer alles behalve gunstig was.
In Amsterdam was omstreeks 1730 haast geen huis te krijgen. In 1740
stonden er meer dan 400 leeg en in 1743 bijna 900. Hongersnood en
duurte maakten het bestaan zeer moeilik.
De strenge winter en de doorbraken van 1740 deed de ellende ten top
stijgen. Men had de handen vol om de behoeftigen te helpen[87].
Hulp uit Nederland was dus aan de Kaap niet te verwachten. Eerder zou
men in Nederland hulp nodig hebben gehad.
Tot het midden der 18de eeuw had men zoveel mogelik vreemde schepen
uit de kaapse havens (Kaapstad en Simonsstad) geweerd, maar toen
veranderde dit. Men begon te trachten ze aan te lokken wegens het
geldgebrek, dat men had. Men wilde ervan halen, wat er van te halen
viel.
De opstand van Estienne Barbier was in 1739 en daarna een argument
geweest in Europa om geen kolonisten meer te sturen. Men was bang, dat
de kolonie zich onafhankelik zou verklaren.
Maar in 1750, niet het minst door de slechte tijden, die men toen in
Nederland beleefde, vroegen de Heren Zeventien, of het niet mogelik
zou zijn meerdere kolonisten aan de Kaap te brengen. Doch op 11 Jan.
1751 antwoordden Heemraden van Stellenbosch en Draakestein aan de
Politieke Raad, die hun advies in deze zaak vroeg, alvorens de Heren
Zeventien te antwoorden, dat er reeds veel te veel europese families
in 't land waren en dat ze niet wisten, wat er van hen en hun kinderen
zou moeten worden.
Ze voegden hier verder bij, dat uitvoer van produkten van de Kaap
behoorde toegestaan te worden, daar dit het enige redmiddel was.
Deze raad werd echter in de wind geslagen.
Zo stond de toestand in 1750. En 25 jaar later, in 1775, na het
uitstekende bestuur van Rijk Tulbagh, schreef Sparrman:
»Hoe groot de kolonie ook is, ze kan op 't oogenblik niet anders
beschouwd worden dan als een vrij groot, maar zwak en teringachtig
lichaam, waarin de cirkulatie van de handel zeer langzaam is; tussen
de verder afgelegen delen en het hart of tussen het binnenland en de
Kaap is er maar eens per jaar verbinding door middel van gewone
wagens."
De kolonisten plukten nu de wrange vruchten van een honderdjarig
wanbestuur. De Kompagnie bediende zich van een stelsel, dat alleen
draaglik was onder uitstekende goeverneurs als Tulbagh, maar dat
totaal ondraaglik werd als de goeverneur een slecht mens was of geen
hart had voor zijn werk.
Had men een reeks van mannen als goeverneurs aan de Kaap gehad in de
eerste helft der 18de eeuw zoals Vader Tulbagh, dan zou de toestand in
1750 die geweest zijn van een der bloeiendste kolonies van de wereld
waarschijnlik.
Maar nu was het te laat.
De gouden tijd, die twintig jaar lang het hart van de kolonisten mocht
verheugen, was voor goed voorbij, toen de burgers in duizenden
samenstroomden om de Landsvader naar zijn laatste rustplaats te
geleiden.
En de oude misbruiken, die onder Van Plettenberg weer snel
voortwoekerden, waren slechts een herhaling van wat altijd aan de Kaap
was vertoond.
Het was duidelik, dat de oude worm nog steeds aan het hart van de boom
vrat.
Omstreeks 1770 was de Kompanjie eigenlik al uitgeleefd, maar ze
sleepte haar bestaan nog een vijf en twintig jaar voort als een
stramme, afgeleefde grijsaard. En toen eindelik de franse troepen
Nederland overstroomden, verdween ze en »ging heen, zonder begeerd te
zijn."