DE OOSTINDIESE KOMPANJIE EN DE MAATSCHAPPELIKE RECHTEN DER BEWONERS
VAN DE KAAP.
Het oktrooi, dat in 1602 aan de Oost-Indiese Kompanjie werd gegeven,
hield o. a. in, dat zij het recht zou hebben traktaten te sluiten met
de indiese regeringen, forten te bouwen en civiele en militaire
beambten aan te stellen. Ze was dus een soort van staat in de Staat.
Een kleine republiek in de Republiek der Verenigde Provincieën.
Daarin lag haar kracht en haar zwakheid. Maar ondanks de grote
gebreken, die het stelsel aankleefden, is zij tot schade der bewoners
van de Kaap blijven bestaan tot aan de eerste inbezitneming door de
Engelsen in 1795.
Zij, die hier met Van Riebeeck aankwamen, waren allen ambtenaren van
de Kompanjie. Zij hadden een kontrakt aangegaan voor de tijd van vijf
jaar[8]. Na die tijd konden ze door middel van een »vrijbrief" hun
ontslag krijgen. Dan waren zij ook vrij om handel te gaan drijven,
voor zover de wetten en plakkaten der Kompanjie dat toelieten.
Maar die vrijheid was slechts voorwaardelik. Want de Kompanjie behield
zich het recht voor »omme hun ten allen tijden wanneer benodigt ofte
zijn gedrag niet betamelijk weesen mogen wederom in dienst te nemen."
Ook mochten de vrijlieden een handwerk kiezen, maar geen ander nemen,
voor ze daartoe verlof hadden gekregen van de Raad. (Antwoord op
petitie van Johan Hendrik Gans 5 Sept. 1780).
Het recht van terugneming in haar dienst strekte zich zelfs uit over
de kinderen van zo'n man.
De lagere ambtenaren van de maatschappij werden op de volgende wijze
uitbetaald: 1/4 van hun loon kregen ze in handen in Indië, 1/4 werd
hun uitbetaald in klederen en de andere helft werd hun eerst gegeven,
als ze weer in Nederland terug kwamen.
Volgens de »Artikel Brief", een wet, waaraan de ambtenaren zich hadden
te houden, was het hun verboden dobbelstenen of speelkaarten mede aan
boord te brengen of die daar zelf te maken.
Het was dan ook wel nodig om strenge bepalingen te maken ten opzichte
van haar ambtenaren, in 't biezonder met betrekking tot haar
schepelingen. Want de manier, waarop ze verkregen werden, strekte er
vaak niet toe om ze onderdanig of gewillig te maken. Men had in de
grote steden, vooral Amsterdam, de z.g. »zielverkopers", die trachtten
op allerlei manieren manschappen voor de Kompanjie te krijgen. Een van
de meest gewone manieren was het pressen van vreemdelingen.
Wanneer één van deze ongelukkigen in Amsterdam kwam, belandde hij vaak
bij gebrek aan geld in een van de mindere soorten zeemansherbergen.
Zeer vaak gebeurde het, dat men hem hier dronken maakte of op andere
manier hem overweldigde en hem dan zonder verwijl op een gereedliggend
schip bracht. Op deze manier zijn honderden vreemdelingen geprest in
de dienst van de Kompanjie.
Sparrman vertelt, dat dit zelfs soms gebeurde met zonen van
hooggeplaatste lieden, welke dan als gewoon soldaat tegen een loon van
9 gulden 's maands op de vloot terecht kwamen.
Zelden of nooit kwamen de bloedverwanten dezer jongelui daarvan iets
te weten. Want een brievepost bestond niet, evenmin in de Kolonie zelf
als overzee. Als men een brief wilde verzenden, kon men trachten goede
vrienden te worden met een schipper, die dan de brief meenam, maar ook
dat was niet gemakkelik, want niemand mocht brieven schrijven naar
Holland over oorlog, handel en andere belangrijke zaken dan aan de
Heren Zeventien.
Onder die belangrijke zaken kon de regering van de Kaap natuurlik zo
ongeveer rekenen, wat ze zelf wilde en daarom was het voor een
schipper altijd min of meer gewaagd een brief van een vreemdeling mee
te nemen. Te meer, daar de Kompanjie geheel volgens de manieren van
haar tijd niet karig was met straffen. Als men het »Journal" van
Leibbrandt doorleest (1699-1732) staat men verbaasd, hoe op de duur
nog iemand zonder brandmerk in Kaapstad rondliep. Het getal straffen
is eenvoudig legio. En ofschoon de slaven er gewoonlik het slechtst
afkwamen, is het aantal straffen, die aan blanken werden voltrokken,
ook reusachtig groot.
Robben-eiland was tamelik dichtbij Kaapstad en de reis daarheen heeft
menigeen moeten doen zonder een kans om gauw weer terug te komen. Zo
lezen we b.v. dat op 9 Des. 1700 een ambtenaar van de Kompanjie werd
gevonnist. Hij was blijkbaar het dienen moe geworden en had de
vrijheid genomen om het binnenland in te gaan. Daar had hij 9 maanden
lang in Draakestein geleefd, alsof hij zelf een burger was. Voor dit
uitstapje werd hij gegeseld en moest een jaar lang in de boeien
dwangarbeid verrichten[9].
Op 11 Maart 1706 werd besloten om nu en dan eens wat opruiming te
houden onder de ongehuwden en luiaards in de stad en daarbuiten.
Speciaal zij, die zich ook in andere opzichten misdroegen, zouden dan
worden gevangen genomen en om het land te zuiveren, zouden ze per
eerste gelegenheid naar Indië worden gezonden als soldaat tegen 9 gld.
per maand[9].
Dat de Zeventien volstrekt niet erg kieskeurig waren in de keuze van
hun ambtenaren blijkt b.v. ook uit wat we lezen van een vonnis op 28
Febr. 1710.
Jacob Hendriksz., ex-burger van Stellenbosch, werd verbannen naar
Robben-eiland, doch slechts tot aan het vertrek der vloot, want, omdat
hij vrouw en kind had, zou hij in dienst genomen worden als soldaat en
met z'n familie naar Ceylon worden gezonden[9].
Het mooie van deze »medelijdende" daad was, dat natuurlik de Kompanjie
er ook door gebaat werd.
Het kan ons dan ook geenszins verwonderen aan de andere kant, dat op
30 Junie 1731 de telling van de ambtenaren der Kompanjie aantoonde,
dat er van 1000 man 56 veroordeelden en 20 gekommandeerden op
Robbeneiland waren. Dat is ruim 7-1/2 percent. De staat van gezondheid
gaf aan dat er 170 man in 't Hospitaal lagen[10].
De telling in 1732 bracht aan 't licht dat van de 1016 ambtenaren er
50 veroordeelden en 17 Gekommandeerden op Robbeneiland waren.
Zo weinig waren zij in tel, die in dienst der Kompanjie stonden, dat
men zelfs geen eerbied had voor de heiligheid van de nalatenschap der
zeelieden en matrozen.
Als een van hen aan de Kaap stierf, werden zijn bezittingen verkocht
om de onkosten van de begrafenis enz. te bestrijden. Dat werd
gewoonlik zó gedaan, dat het zelden gebeurde, dat er iets van
betekenis aan de bloedverwanten in Europa kon gestuurd worden[11].
Uit deze enkele gegevens heeft men reeds kunnen opmaken, dat mijn
oordeel over het bewind der Oost-Indiese Kompanjie niet al te gunstig
is. En nu weet ik wel, dat men ze verdedigt door te zeggen, dat ze in
geen enkel opzicht slechter was dan andere Handelsmaatschappijen van
haar tijd.
Dit mag waar wezen. Het ligt natuurlik buiten het bestek van deze
verhandeling om dit te verdedigen of te bestrijden. Daar ik slechts
aan te geven heb in hoeverre de daden der Kompanjie het maatschappelik
leven der kaapse burgers raakten, wil ik met een aantal feiten
duidelik maken, wat die Kompanjie dan wel deed en welke fouten haar
aankleefden, zonder daarbij na te gaan of ze slechter of beter was dan
andere van haar tijdgenoten.
In de allereerste plaats moet ik wijzen op de eigenbaat, die uit
zoveel van haar handelingen blijkt en op het schromelike egoïsme,
waarmee ze haar ambtenaren (tot haar eigen voordeel) wenste te
doordringen, een egoïsme, dat natuurlijk echter ook zeer sterk tot
uiting kwam, waar het de belangen van die ambtenaren _zelf_ gold,
zelfs waar die in strijd waren met de belangen van de Kompanjie.
Op de 30ste Desember 1731 was er een schip gestrand in de St.
Helena-baai. Zij, die daar op een post dichtbij waren, kregen bevel om
alle mogelike hulp te geven aan de schipbreukelingen, maar met de
uitdrukkelike bepaling erbij, dat dit alleen mocht geschieden, als het
gestrande schip er een van de Kompanjie was.
Waren het vreemdelingen, dan konden ze verdrinken, daar bemoeide de
V. O. I.-C. zich niet mee.
De geschiedenis van »De Jonge Thomas" is te bekend, dan dat ik
daarover zou behoeven te spreken. En hier gold het nogal haar eigen
landgenoten en dienaren. Maar haar koopwaren waren meer waard dan de
levens van haar matrozen.
Onder Van der Stel de Oudere werd de tabaksteelt streng verboden aan
de kolonisten, omdat zij door die teelt het monopolie der Kompanjie
zouden kunnen benadelen. Dat door veranderde omstandigheden die teelt
later werd toegestaan, doet natuurlik niets aan het feit af.
Niet alleen het monopolie van de tabak had de Kompanjie, maar ze
ontzag zich niet om grof geld te verdienen aan de verkoop van
»Dagga"[12] aan de Hottentotten, die daardoor nog dieper zonken.
In 1699 werd de veehandel opengesteld voor de burgers op voorwaarde,
dat zij dan trekossen zouden leveren aan de Kompanjie voor 10-1/2
gulden per stuk, een zeer lage prijs.
Toen in 1743 uit Indië bericht kwam, dat de prijs van 't koren, dat
aan de Kompanjie werd geleverd, moest verlaagd worden tot zeven
gulden, lokte dit natuurlik protesten uit, want de kostprijs was voor
de burgers in 't beste seizoen reeds over de zes gulden. Eerst toen
men zag, dat men zich een groot nadeel zou berokkenen, door dit
besluit te willen doordrijven, werd de prijs weer op acht gulden
teruggebracht.
Valentijn vertelt, dat in zijn tijd een mud tarwe van 180 of 190 pond
door de Kompanjie werd gekocht voor 8-1/2 gulden en een mud rogge voor
7-1/2 gulden. Maar de bakkers betaalden in dezelfde tijd
respektievelik 15 en 12 gulden.
Dat wordt verteld door de grootste verdediger van al wat de Kompanjie
aanging, die ooit heeft bestaan.
Daaruit blijkt dus, dat men dit als een zeer gewoon en natuurlik
verschijnsel beschouwde.
Dezelfde schrijver verhaalt, dat de Kompanjie ook tienden eiste van 't
hooi en dat dit behoorlik aan de stallen van de Maatschappij moest
worden afgeleverd.
Ze verhandelde, zegt hij, elk jaar voor 300.000 gulden koopwaren,
waarop zij 75 percent won.
Nooit is het misschien openhartiger gezegd dan door d'Ableing, wat het
doel der maatschappij was en waartoe haar ambtenaren moesten dienen.
De plicht van de ambtenaren is, zo zegt hij, de profijten der
Kompanjie te vermeerderen.
Dat hij dit in de praktijk zeer breed opvatte, blijkt uit het
volgende:
Hij had een grote hoeveelheid onverkoopbare tabak en hij schreef nu
aan de landdrost van Stellenbosch, dat deze moest trachten, die te
ruilen tegen tarwe bij de boeren[13]. Als die maar dom genoeg waren om
toe te happen, dan was het geweten van de eerste dienaar van de
Kompanjie ruim genoeg om daar tevreden mee te zijn niet alleen, maar
zelfs om er behagen in te scheppen.
Op 7 Maart 1699 schreven de Heren Zeventien aan de Goeverneur, dat ze
meenden, dat hij wel wol zou kunnen kopen voor 4 stuivers per pond en
die zouden zij dan in Europa voor 18 stuivers van de hand doen. Ze
wilden ongeveer van 1000 tot 1500 pond hebben[14]. Winsten van 350
percent behaald op produkten van hun eigen landgenoten en kolonisten
schenen ze dus niet meer dan natuurlik te vinden.
Maar ze zorgden aan de andere kant wel, dat de burgers geen kans
hadden om op hun beurt ook de Kompanjie te plukken, als ze er werk
voor te verrichten hadden.
De prijs van alles stond vast. Tot zelfs de betaling voor het zetten
van een nieuwe spaak in een wiel was nauwkeurig bepaald.
Geen wagenmaker of smid had ook maar de geringste kans om iets meer te
nemen dan de Kompanjie hem wenste te gunnen.
Michiel Otto van Hottentots-Holland vroeg in 1744 om koren te mogen
malen met zijn eigen molen voor zijn eigen gebruik, daar hij zover van
de molen van de Kompanjie af woonde[15]. Dit werd toegestaan, maar
alleen op konditie, dat hij aan de molenaar van Stellenbosch evenveel
zou betalen, alsof zijn koren dààr was gemalen. En deze permissie zou
niet als precedent mogen dienen.
Het vissen was alleen toegestaan in de Tafelbaai en in de Valse Baai.
Eindelik werd in 1718 ook de visserij toegestaan in de Saldanha-baai,
maar op voorwaarde, dat één vijfde deel der gedroogde vis zou betaald
worden als belasting. Het spreekt vanzelf, dat niemand ooit van dit
»voorrecht" gebruik heeft gemaakt.
Ten laatste deel ik als merkwaardigheid mee, dat het begraven van
misdadigers met de ketenen, waaraan ze geklonken waren geweest, door
de Kompanjie werd afgeschaft, niet, omdat het als te barbaars of als
nutteloos werd beschouwd, maar omdat het te duur was[16].
Een tweede grote fout der Kompanjie was, dat ze haar ambtenaren niet
behoorlik betaalde.
En van beide verkeerdheden, zowel van het egoïsme van de Maatschappij
tegenover de burgers als tegenover haar eigen ambtenaren, werden de
burgers per slot van rekening de dupe, want de ambtenaren hadden
Nederland niet verlaten om armoede te lijden, integendeel, en daarom,
als de maatschappij hen niet betaalde, dan zouden zij zich zelf wel
schadeloos stellen.
Valentijn verhaalt, dat in 1710 de Goeverneur een traktement had van
[f] 2400 waarbij kwam [f] 900 kostgeld. En hij voegt er dan bij, dat
de Kompanjie hem zoveel verschillende voordelen schonk, dat hij zijn
gehele inkomen wel op 9300 gulden schatte.
Maar.... Valentijn was de vriend en verdediger der V. O. I. C. en zijn
schatting lijkt wel wat al te ruim.
Te meer, daar volgens Theal het salaris van zulk een hoge ambtenaar
als de Fiskaal Independent in 1689 slechts [f] 1200 bedroeg.
Dit was echter zeer zeker veel te weinig, omdat hij daardoor niet vrij
genoeg tegenover anderen kon staan. En niet alleen dat, maar het
bracht hem voortdurend in de verzoeking om onrechtvaardig te zijn in
zijn eigen voordeel. Want hij had het recht om 1/3 der opgelegde
boeten als zijn eigendom te beschouwen. Het zou dus slechts een zeer
menselik gebrek zijn, als die boeten soms wat hoger werden dan met de
billikheid tegenover de burgers strookte. Bovendien mocht hij voor
verschillende diensten betaling eisen en had een zeer uitgebreide
macht, zodat hij zeer zeker wel een man was, die men door geld of
geschenken goedgunstig zou trachten te stemmen.
In 1727 was Jan de La Fontaine het kleingeestige plagen van goeverneur
Noodt zo moe geworden, dat hij ontslag vroeg. De Heren Zeventien gaven
hem dat echter niet, maar verhoogden zijn salaris van 80 gulden tot
120 gulden per maand[17].
En hij was op dat ogenblik de secunde, de tweede persoon in de
kolonie.
Het is voorwaar geen wonder, dat de ambtenaren hun best deden om er
met handel wat bij te verdienen. Zo duidelik was dit, dat zelfs de
Heren Zeventien het soms moesten merken en nu en dan een oogje
toedrukten.
Voor het ogenblik zij het voldoende te zeggen, dat toen eindelik ten
gevolge van de drang der burgers de Heren Zeventien genoodzaakt waren
het bezit van landerijen en het handelen aan haar dienaren geheel te
verbieden, er een andere weg op moest gevonden worden om het tekort in
hun salarissen goed te maken.
Als altijd waren natuurlik de burgers degenen, die 't gelag moesten
betalen. Ik zal dit hieronder nader aantonen.
Maar eerst wil ik uit de Archieven van de Kaap nog iets aanhalen, dat
een levendig licht werpt op de salariskwestie van de ambtenaren.
De maatschappij had in haar dienst 16 jonge klerken, maar eerst geen
kosthuishouder, door de maatschappij te hunnen behoeve aangesteld,
zoals dit in Indië de gewoonte was.
Deze jongelui moesten dan zelf maar kosthuizen vinden. Doch de som,
die hun daartoe werd gegeven, was zo klein, dat ze vaak niets te eten
hadden dan droog brood en water. Eindelik werd een kosthuishouder
aangesteld, die hun 2 keer per dag een maal moest verschaffen, 's
morgens om elf uur en 's avonds om zes uur. Hij moest zijn tafel van
goed en voedzaam burgervoedsel voorzien en minstens drie keer per week
schape- of rundvlees opdissen.
Dit was al een hele stap vooruit, maar de andere beperkende
bepalingen, die omtrent die maaltijden gemaakt werden, waren zodanig,
dat zeker al de jongelui liever zelf een keuze zouden gedaan hebben
uit de kosthuizen in de stad, dan op kosten van de maatschappij te
eten. Maar hun salaris liet hun dat niet toe.
De getrouwde ambtenaren konden van dit kosthuis niet profiteren en
daarom werd dit door hen op een andere manier goedgemaakt.
In 1722 werd bepaald, dat de ambtenaren wel tuinen voor eigen gebruik
mochten hebben, maar die mochten niet groter zijn dan 2 morgen. Reeds
sedert 1668 had men op hetzelfde aambeeld gehamerd, maar het scheen
niet veel te helpen, want nieuwe wetten komen telkens om de oude wat
te verscherpen of het geheugen van de mensen in dit opzicht weer eens
op te frissen.
Doch men deed meer in 1722. De handel, die de ambtenaren in
verschillende artikelen hadden mogen drijven, werd nu onwettig
verklaard en als schadeloosstelling werden bepaalde sommen
vastgesteld, die men van de burgers bij sommige gelegenheden mocht
eisen.
Voor iedere legger wijn (± 5-3/4 H.L.) die de burger aan de Kompanjie
verkocht, kreeg hij nominaal [f] 96, maar dat bedrag kwam hem nooit in
handen.
Om te beginnen ging er 25 gulden af voor de goeverneur en de secunde,
die dat in verhouding van 2 tot 1 samen verdeelden. De lagere
ambtenaren kregen dan ook hun percenten, zodat de burger eindelik van
de nominale [f] 96 maar [f] 63-1/2 gld. in handen kreeg.
Officiële dokumenten kostten de burgers veel geld en elk jaar werden
die bedragen hoger.
Omstreeks 1750 kostte een bewijs van ontslag uit de dienst van de
Kompagnie b.v. 3 rkd. aan zegelrecht en de sekretaris van de Politieke
Raad kreeg 10 rkd. voor het in orde maken van dat dokument.
Dit was tenminste nog geen bedrog. Maar erger werd het, als de
ambtenaren op hun eigen houtje middelen gingen vinden om zich te
verrijken.
De beambten der graanpakhuizen b.v. hadden een zeer eenvoudig middel
bedacht om op alle leveranties 4 percent te verdienen. Ze rekenden bij
door hen gedane betalingen 1 kaapse gulden op 16-2/3 stuiver maar bij
betaling aan hen door de burgers rekenden ze de kaapse gulden altijd
op 16 stuivers.
Dat verschil verdween in hun zakken.
De geautoriseerde wijnverkopers, die een hoge pacht voor die
autorisatie aan de Kompanjie betaalden, deden hun best om hun winst
groter of om verliezen goed te maken op een manier, die ook niet
anders dan bedrog kan genoemd worden.
Ze maakten het regel, 't geld, waarmee men hun betaalde, voor 17 tot
20 percent onder de waarde aan te nemen. Nadat dit een tijd geduurd
had, werd de waarde, waarvoor de verschillende munten moesten
aangenomen worden, wel vastgesteld, maar vóór die tijd waren zeker
reeds velen de dupe van deze praktijken geworden[18].
De grote fout van de ambtenaren aan de Kaap in 't algemeen was, dat ze
deze kolonie eenvoudig beschouwden als een doorgangshuis naar een
betere betrekking en Simon van der Stel komt de eer toe de eerste te
zijn geweest bij wie dat gevoel niet aanwezig was.
Na de uitwerking dezer twee punten, waarbij ik de voornaamste fouten
van de Kompanjie heb trachten in het licht te stellen, zal het geen
verwondering wekken, dat de burgers niet biezonder tevreden konden
wezen over de staat van zaken in de Kolonie.
»De naam »vrije burger" was volkomen verkeerd. De eerste burgers waren
inderdaad slechts veranderd van betaalde in onbetaalde dienaren der
maatschappij. Zij dachten, dat ze, door hun ontslag te krijgen, hun
positie veel verbeterd hadden, maar spoedig ontdekten ze, dat het
tegengestelde waar was.
En van deze tijd af aan tot aan het eind der achttiende eeuw vinden we
de voortdurend herhaalde en welgegronde klacht, dat de Kompanjie en
haar ambtenaren ieder voordeel bezaten, terwijl de vrijheden zelfs
niet de vruchten van hun eigen arbeid mochten genieten. Handel met de
inboorlingen, eerst toegelaten onder strenge voorwaarden, werd spoedig
verboden, opdat daardoor niet de prijzen te hoog zouden worden voor de
Kompanjie als zij wenste te kopen"[19].
Een beoordeelaar van de toestand der burgers, zegt in 1672 al:
De hollandse kolonisten dragen de naam vrije mannen, maar zij worden
zó in allerlei dingen belemmerd, dat de afwezigheid van vrijheid maar
al te duidelik is. De wetten zijn zo streng, dat het onmogelik is, de
boeten en straffen, daarin bepaald, toe te passen, zonder de volkomen
ondergang der burgers te veroorzaken[20].
Een korte en krachtige karakteristiek geeft Watermeyer t. a. p. waar
hij zegt:
»In alle politieke zaken was de V. O. I. C. zuiver despoties; in alle
kommerciële zaken zuiver monopolisties".
Reeds in de eenvoudigste zaken was de Kompanjie begonnen monopolisties
op te treden. Onder Van Riebeeck b.v. was ze zelfs zo ver gegaan om
twee burgers aan te stellen, die 't uitsluitend recht hadden wild te
schieten en te verkopen. Eerst toen deze twee een ongeregeld leven
begonnen te leiden en daardoor het benoodigde wild niet altijd
verkrijgbaar was, werd aan alle vrijburgers het recht gegeven om voor
eigen konsumptie te schieten[21].
Toen men in 't jaar 1708 zóveel koren had, dat men er geen raad mee
wist, weigerde het goevernement eenvoudig verder tarwe en rogge te
ontvangen[22]. De boeren moesten die nu maar gebruiken als voedsel
voor de slaven of als veevoeder. Een verzoek om er brandewijn van te
mogen stoken, werd niet toegestaan, aangezien dit de belangen der
Kompanjie zou kunnen benadelen.
De ellendige laksheid, die zich in de politiek van de Staat zo
duidelik toonde in de onderhandelingen met barbarijse zeerovers,
vertoonde zich eveneens in de koloniën.
De Bosjesmannen hadden b.v. van 1728 tot 1731 en ook weer in 1738
verschillende rooftochten gedaan. De Politieke Raad, de landdrost en
de Raad van Militie trachtten toen...... een vriendelike overeenkomst
aan te gaan met de Bosjesmannen en hen door geschenken er toe te
brengen hun tochten niet meer te herhalen.
De geschiedenis, van de tochten der Noormannen af tot op de tijd,
waarvan ik hier spreek, had hun niets geleerd. Zulke politiek moet
schipbreuk lijden, omdat de grondslagen ervan absoluut ondeugdelik
zijn.
Het spreekt dan ook wel vanzelf, dat de boeren daarin geen vertrouwen
stelden en dat er in 1739 een grote paniek ontstond, die ontaardde in
een algemene vlucht naar de Kaap.
Toen eerst begon men handelend op te treden. Maar de wijze van
optreden is weer zo echt die van de Kompanjie, die wel wat doen wou
voor de kolonisten, als 't maar niet veel kostte.
De deelnemers aan de opstand van Estienne Barbier liepen nog
ongestraft rond. Het volk voelde veel sympathie voor deze
opstandelingen en dus ging het niet gemakkelik hen in handen te
krijgen.
Het Goevernement kreeg tans een gelegenheid om zich uit twee lastige
gevallen tegelijkertijd te redden en bovendien nog voor zeer
grootmoedig door te gaan.
Aan alle deelnemers aan bovengenoemde opstand werd een volledige
vergiffenis geschonken, _als ze dadelik zich aanmeldden om te helpen
de Bosjesmannen te bestrijden_. Dit geschiedde en zo was de Kompanjie
weer uit de nood.
Als soms de Kompanjie nu en dan inzag, dat er iets moest gedaan worden
om de kolonisten te helpen, ging dit helpen zo langzaam, dat het te
laat was als de hulp kwam.
Daar er zoveel arme blanken waren in de kolonie tengevolge van de
vreselike jaren 1713 tot 1716, vroegen de Burgerraden op 18 Julie 1719
om vrije handel te mogen drijven op Madagascar en de Mascarenen. Zij
zouden de fabrieksgoederen van de Kompanjie kopen en die op de
eilanden, waarmee ze wilden handelen, ruilen voor slaven, ivoor,
stofgoud, enz. Ze wilden eveneens uit- en invoerrechten betalen en
meenden niet ten onrechte, dat er op die manier ook nog heel wat
voordelen zouden te behalen zijn voor de Kompanjie.
Maar--dat was tornen aan het monopolie. Daarom aarzelden de Heren
Zeventien.
Eindelik in 1732, dat was dus 13 jaar, nadat het verzoek gedaan was,
werd het toegestaan. Maar 't spreekt vanzelf, dat het nu te laat was.
De mensen, die zich voor deze zaak geïnteresseerd hadden, waren òf
dood òf ze hadden hun geld op een andere manier belegd.
En nu is 't wel waar, dat de Burgers van de Kaap 't recht hadden om
zich op de autoriteiten van Batavia te beroepen en te trachten, ook in
geval van vermeende onrechtvaardige behandeling, daar recht te zoeken,
maar dat dorsten ze natuurlik niet doen. Want het zou hun ondergang
geweest zijn. De Goeverneur en de Grote Politieke Raad hadden de
funkties van Uitvoerend en Wetgevend Lichaam te gelijk. Bovendien
vormden ze 't Hoogste Gerechtshof. Ze konden dus gemakkelik iedere
daad een misdaad noemen en die misdaad straffen zonder enige controle
of zonder dat iemand het hun kon beletten.
Het geval met Adam Tas c.s. leert duidelik genoeg, hoe lang iemand
onrechtvaardig in de gevangenis kon gehouden worden. Later kon zo'n
vonnis herroepen worden, maar dan was vaak het onrecht niet meer te
herstellen.
Het is eigenlik een wonder, dat er in 1706 geen hoofden gevallen zijn
en wanneer dat gebeurd was, had geen straf aan Van der Stel, hoe zwaar
ook, dit kunnen goed maken.
In 1779, dus zelfs nog veel later dan de periode, waarover wij
spreken, werd door de burgers een petitie ingezonden, waarin zij
vroegen om op de hoogte gesteld te worden van de bestaande wetten of
van de indiese statuten en algemene wetten in Holland. Ze vroegen ook
om authentieke afschriften van plakkaten en ordonnanties, betrekking
hebbende op de Kaap of nog liever zouden ze hebben, dat er een drukker
werd aangesteld om de burgers in staat te stellen kopiën te krijgen
van bestaande wetten, opdat ze niet langer mochten blootstaan aan de
willekeur van Fiskaal en Landdrost[23].
Waar dit zo stond in 1779, hoeft men niet te vragen, hoe de toestand
was gedurende de gehele eerste helft van de achttiende eeuw. Natuurlik
eerder slechter dan beter. En de Fiskaal Boers, nog wat later,
schrijft in zijn verantwoording op pag. 43:
Het zou een grote fout wezen te menen, dat er gelijkheid van rechten
kan bestaan tussen de burgers hier en die van de Verenigde
Provincieën. _Zij_ hebben gestreden voor hun vrijheid en de burgers
hier hebben die eenvoudig ontvangen _als een genadegift_.
De manier, waarop de Kompanjie de burgers behandelde, als 't op de
aankoop van hun produkten of op de heffing van belastingen aankwam,
was vaak evenmin geschikt om hen tevreden te stellen.
Over de houding van de regering in 1708, toen de korenoogst zo
overvloedig was, sprak ik hierboven.
Tot 1709 had men alleen tienden geëist van het koren, dat niet voor
eigen onderhoud of voor zaaien nodig was. In dit jaar echter trachtte
de regering ook hiervan de tienden te krijgen.
Op 20 Februarie 1710 zond daarom de Burger Raad een petitie in om van
die verplichting ontheven te worden.
En 't was niet alleen, dat ze tienden moesten geven, zoals dat in
Nederland de gewoonte was, van het koren op 't land, maar de tienden
werden genomen van 't koren, dat schoon aan 't Kasteel werd
afgeleverd.
De Hoge Kommissaris Joan van Hoorn erkende de billikheid van het
verzoek en daarom onthief hij de burgers van deze verplichting.
De Heren Zeventien in hun hoge wijsheid waren het echter hiermee niet
eens en de wet bleef bestaan.
Dit bleef zo driekwart eeuw. De verkeerdheid van dit stelsel lag
vooral hierin, dat men in 't algemeen afging op de opgaven van de
boeren zelf. Hierdoor zette men dus de deur open voor allerlei
misbruiken, vooral voor het doen van te lage aangiften zowel van
veestapel als van produkten. Zo ver ging dit, dat er soms meer koren
naar Java werd gezonden, dan volgens de opgaven der boeren gewonnen
was!
Dit was algemeen bekend. Zo verhaalt b.v. Adam Tas in zijn dagboek (13
Jan. 1706) dat zekere Fransman op Draakestein een boete van 60
Rijksdaalders kreeg, omdat hij aan de Gekommitteerden van de Regering
had opgegeven, dat hij 50 beesten en 200 schapen bezat. Een verklikker
verried, dat dit eigenlik moest zijn vier keer zoveel. En het
onderzoek bracht aan 't licht, dat dit werkelik zo was.
Nu zegt Tas, die overigens een eerlik man was, voorzover we kunnen
nagaan:
»Dog ik kan niet zien, dat over dit misdrijf, indien men 't zo noemen
wil, boete kan worden geeijst en dat erger is 60 Rxdrs."
De belastingen vermeerderden, naarmate de Kompanjie haar dividenden
zag krimpen.
In 1714 werd er een nieuwe weidehuur ingevoerd. In datzelfde jaar kwam
er een belasting van 1 rkd. op iedere legger wijn, in de kolonie
geperst.
Dat zou nu alles misschien te verdragen geweest zijn, als de politiek
der Kompanjie ten opzichte der boeren maar wat meer stabiel was
geweest. Maar dat was er veraf.
In 1699 was b.v. de ruilhandel met de Hottentotten opengesteld. En
daar werd zo'n goed gebruik van gemaakt, dat al gauw enige Fransen
meer vee hadden dan de Kompanjie zelf bezat[24]. De veeteelt werd nu
een levensbestaan voor de burgers, omdat er zeker evenveel aan te
verdienen was als aan de landbouw.
Maar in 1703 werd 't besluit weer ingetrokken. Later werd de handel
weer opengesteld, maar toen maakte Van der Stel dit besluit niet in de
Kolonie bekend.
Verschillende personen hadden het kontrakt voor de vlees-leverantie
aan de Kompanjie gehad, sedert Husing dat in 1700 kreeg. Doch toen in
1722 en '23 er niemand was te vinden, die het kontrakt op de gestelde
voorwaarden aandurfde, kregen de burgers _bevel_ levende schapen voor
6 gulden en vlees tegen 2 stuivers per pond te leveren[25].
Ondanks dit feit nu werd in April 1727 weer een veel strenger plakkaat
uitgevaardigd, dat _alle_ handel van private personen met inboorlingen
verbood. Dit werd nu wel uitgevaardigd als een gevolg van de
onmogelikheid om de deelnemers aan de strooptocht van Van der Heijden
in 1723 te straffen, maar de burgers hadden er _allen_ door te lijden.
Van wijn was er een chroniese overproduktie. Uitvoer was verboden in
't begin der achttiende eeuw, want misschien zou dit het monopolie van
de Kompanjie voor Europeese wijnen benadelen.
De wijnboeren hadden dan ook al lang geklaagd, dat ze ongeveer 2000
leggers wijn over hielden elk jaar, waar ze geen weg mee wisten.
Eindelik in 1743 besloten de Heren Zeventien iets voor deze klagers te
doen. Ze zouden in 't vervolg op schepen en nederzettingen wijn doen
gebruiken in plaats van brandewijn.
En indien een tamelik goed artikel te krijgen was, zouden ze zelfs
vrije handel in wijn op Indië aan de burgers toestaan, op voorwaarde,
dat ze 4 rkd. aan vracht en 12 rkd. aan belasting per legger
betaalden. Deze »weldaad" was weer van zulk een aard, dat de burgers
er maar liever voor bedankten, daar dit de toestand niets zou
verbeteren.
Toen kwam de goeverneur-generaal Van Imhoff met een ander voorstel in
plaats van dit.
De belasting van 1714, die een rijksdaalder per legger bedroeg, zou
worden verhoogd tot drie rijksdaalders. Daarna zouden de burgers nog
moeten betalen 1 rkd. per legger aan de fiskaal, als de schepelingen
de kopers waren, en 5 rkd. per legger aan de wijnpachter, als de
kapitein of administrateur van 't schip de kopers waren. Dan zouden ze
ook mogen verkopen aan alle bezoekers[26].
De Kompanjie echter zou 63-1/2 gulden per legger betalen. Ze dacht
ongeveer 4 leggers voor elk schip nodig te hebben, behalve een deel,
dat ze naar Nederland en naar Batavia zou laten sturen voor de
schepen, die naar de Kaap kwamen en dan nog een aantal vaten voor haar
werkvolk in Indië.
Dit was tenminste een kleine vooruitgang sedert 1698, want toen en
vele jaren daarna bestond de bepaling, dat wie wijn verkocht buiten
de Kompanjie om, zou beboet worden met 125 rkd. bij de eerste
overtreding, gegeseld worden bij de tweede en verbannen worden bij de
derde.
De overproduktie werkte dit »smokkelen" echter in de hand. Want vaten
waren buitengewoon duur, daar ze alle uit Holland moesten komen, en de
boeren konden er dus onmogelik een aantal steeds leeg gereed houden
voor de nieuwe oogst.
Wanneer dan ook de nieuwe oogst kwam, verkochten ze dikwijls wijn aan
't publiek, tegen zeer lage prijzen.
Het kon natuurlik niet lang verborgen blijven, dat dit vrij algemeen
plaats had. Als een redmiddel stelde men vóór de boeren te veroorloven
om azijn en brandewijn te maken.
Maar hoewel dit herhaaldelik werd verzocht, is het nooit toegestaan.
In het voorafgaande heb ik een schets willen geven van de betekenis
van de V. O. I. C. voor het leven der burgers aan de Kaap. Na dit
alles gelezen te hebben, zal men het met mij eens wezen, dat er alle
reden is om te geloven, dat de aanhankelikheid aan Nederland door het
optreden der Kompanjie niet groter werd.
»Als ze spraken van getrouwheid aan Nederland en de Staten-Generaal
dan was dit uit een soort van plicht gevoel, maar niet een uiting van
_persoonlik_ gevoel"[27].