Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi.
Wanneer ik in de volgende bladzijden een en ander over het huiselik en
maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner in de eerste helft der 18de
eeuw wens neer te schrijven, dan zal het zeker in de allereerste
plaats wenselik mogen geacht worden om duidelik te maken, wat men
onder de term »Zuid-Afrikaner in de eerste helft van de 18de eeuw"
verstaan moet.
Ik begin dan met uit te sluiten de niet-blanke bewoners, daar zeker
omtrent het merendeel van hen zeer weinig over hun huiselik en nog
minder over hun maatschappelik leven zou kunnen gezegd worden.
Wat we over hen beschreven vinden is zo vaak doorweven met allerlei
fantastiese verhalen, dat het weinige, dat we er over zouden kunnen
zeggen, zeer zeker volstrekt niet als histories kan beschouwd worden.
Kolbe heeft ons zeer veel verhaald, maar aangezien zijn autoriteit wel
wat wankel staat, zouden we bij andere schrijvers als Valentijn en
Sparrman of bij de romantiese Le Vaillant ons licht moeten opsteken en
op hun wijsheid is zo vaak volkomen toepasselik het woord van De
Genestet:
»Wat ons de wijzen als waarheid verkonden,
Straks komt een wijzer, die 't wegredeneert."
We zullen ons dus moeten bepalen tot een bespreking van de blanke
bevolking van Zuid-Afrika in de eerste helft der achttiende eeuw.
En dan moeten we tot recht begrip teruggaan tot de stichting van de
volksplanting aan de Kaap.
Toen de Heren Zeventien hadden ingezien, welk een uitstekende
verversingsplaats de Tafelbaai zou kunnen worden en Van Riebeeck
dientengevolge hier voet aan wal had gezet, werd de grond gelegd tot
een zuiver hollandse kolonie. Maar dat stichten van een kolonie lag
volstrekt niet in de bedoeling der Bewindhebbers.
Hun maatschappij was een _handels_maatschappij in de eerste plaats en
bij alles, wat ze ondernamen, hielden ze dat in 't oog. Vandaar dan
ook, dat hier een kolonie is ontstaan, meer door de energie van mannen
als Simon van der Stel en anderen, dan door de wil van de Heren
Zeventien.
Zolang de maatschappij voor haar schepen de nodige levensmiddelen en
verversingen kon bekomen, kon het haar bitter weinig schelen, wat er
verder gebeurde, als maar die gebeurtenissen haar niet dadelik of in
afzienbare tijd enige verantwoordelikheid oplegden.
Want de Verenigde Oost-Indiese Kompanjie had zich als voornaamste doel
gesteld de grootst mogelike dividenden uit te keren onder het
aanvaarden van de kleinst mogelike verantwoordelikheid.
In dit licht nu moeten al haar handelingen, haar bepalingen, wetten en
plakkaten beschouwd worden.
De kolonisten zijn voor haar een noodzakelik kwaad. Zij heeft ze nodig
als producenten, maar wenst ze dan ook niet veel hoger te stellen dan
menselike machines, die juist zoveel brandstof mogen verbruiken als
nodig is om aan den gang te blijven, doch ook niets meer.
Als we dit in het oog houden, dan kan het ons niet verwonderen, dat,
zooals rechter Watermeyer het uitdrukt, de Kaap door dit tirannieke
systeem anderhalve eeuw van vooruitgang moest derven.
Maar ook kan het dan geen verwondering wekken, dat de kolonisatie niet
biezonder vlug ging. Er waren zo weinig redenen om Holland te verlaten
bovendien.
Holland was in die tijd in zijn grootste bloei-periode. Er was geen
overbevolking en men kwam handen te kort. Waarom dan zou iemand de
zekerheid van een goed bestaan laten varen om zich in een onzekere
toekomst te wagen?
Andere natieën wilde men zoveel mogelik uitsluiten, vooral de
zeevarende en dus was er weinig kans voor de jonge kolonie om tot
bloei te geraken.
Een grote en machtige faktor moest wel aanwezig zijn om toch eindelik
die kolonisatie te doen plaats hebben.
De herroeping van het edikt van Nantes werd die beslissende faktor.
De Heren Zeventien hebben voorzeker die stroom van franse
vluchtelingen niet met genoegen Nederland zien binnenkomen, want het
was duidelijk, dat voor hen allen geen plaats zou kunnen gevonden
binnen de grenzen van het kleine Holland en dan zou natuurlik de
eerste, die raad moest schaffen, de V. O. I. C. zijn.
Want ze begrepen wel, dat ze aan de drang van het volksgeweten geen
weerstand zouden kunnen bieden en dus hun bezittingen zouden moeten
openstellen voor hen, die in korte tijd wellicht tot een gevaar voor
de Kompanjie zouden worden.
Het was dan ook slechts schoorvoetend, dat ze het besluit namen om de
franse réfugiés een nieuw vaderland aan te bieden aan de Kaap.
En omtrent twintig jaren later, toen er geen gevaar meer was van
openbare afkeuring, trachtten ze goed te maken, wat zij misschien door
hun vrijgevigheid in vroeger jaren mochten bedorven hebben.
Op 22 Junie 1700 namelik besloten ze om wèl kolonisten naar de Kaap te
sturen maar met de bijvoeging »mitsgaders zorg dragende en lettende
dat het soo veel doenlijk is mogen zijn Nederlanders of onderdaanen
van dese Staat of van Hoogduijtsche natien geen traficq ter zee
doende, mitsgaders van de gereformeerde of Luyterse godsdienst, hun op
de lantbouw of culture der wijnen verstaende, dogh geen franschen, de
selve om redenen in voorn. als anders in 't geheel excuserende"[1].
Maar ook dit besluit scheen hun nog te veel ruimte te laten voor 't
insluipen van gevaarlike elementen, want dit werd ingetrokken op 26
Okt. 1706, merkwaardig genoeg op dezelfde dag, waarop het besluit werd
genomen tot de terugroeping van Van der Stel c. s.
Begon de zucht naar vrijheid, die uit de petitie der burgers van de
Kaap sprak, hen bevreesd te maken en dachten ze, dat een groeiend
aantal kolonisten het steeds moeiliker zou maken de oude banden zo
nauw te houden, als ze waren aangelegd?
Het leek er wel veel op.
Ofschoon door het toedoen van de Kamer van Middelburg het besluit op
de volgende dag weer werd aangehouden, toch kon dit niet beletten, dat
op 15 Juli 1707 de permissie tot het zenden van vrijlieden geheel werd
ingetrokken.
En terwijl de deur voor kolonisatie open was, had men steeds er voor
gezorgd, dat men allen goed aan de band had, want van vrije
kolonisatie in de zin, die wij tegenwoordig aan dat woord hechten, was
allerminst sprake.
Ieder, die wenste burger te worden aan de Kaap, moest de volgende eed
afleggen:
»Ick belove en sweere dat ick de Ho: Mo: Heeren Staten Generael der
Vereenichte Nederlanden als onse hooghste en souvereijne overheyt, de
Bewinthebberen van de Generale Geoctroyeerde Oost Indische Comp: in
deselve landen, mitsgaders den Gouverneur Generael en de Raden in
Indië en voorts alle Gouverneurs, Commandeurs, en Bevelhebberen, die
geduyrende dese reyse te water, en voort te lande over ons sullen
wesen gestelt, gehouw en getrouw sal wesen, dat ick alle wetten,
placcaten, en ordonnantiën bij de Bewinthebberen voorn: ofte den
Gouverneur Generael ende de Raden alrede gemaeckt off noch te maken
getrouwelijck in alle pointen nae mijn vermogen sal onderhouden en
naekomen en voort mij in alles soodaenich draegen en quijten als een
goet en getrouw onderdaen schuldich en gehouden is te doen."
Zij waren dus _onderdanen_ van de V. O. I. C. en dat was waarlik geen
blote formule, zoals ik verder zal trachten duidelik te maken.
In de School-Regulaties voor Slave-kinderen vinden we de volgende
zinsnede:
»De Heere God en het welvaren van de Hoog Edele Groot Achtbare Heeren
Bewinthebberen van de Oost Indische Compagnie zij de hoogste wet"[2].
Er wordt niet gesproken over het welvaren van het land of van de
kolonisten. Geen woord ervan. Maar de Bewinthebberen zijn de personen
aan wier welvaren als hoogste wet moet worden gedacht.
Daar zou geen bezwaar tegen hebben kunnen bestaan, als maar altijd de
belangen van de Kompanjie identiek waren geweest met die van de
burgers.
Dat was er echter verre vandaan. En de hele geschiedenis van de Kaap
in hollandse handen, kan samengevat worden in de formule, die aan de
slavenkinderen moest worden ingeprent: »Het welvaren der Compagnie zij
de hoogste wet."
Het is dan ook niet te verwonderen, dat de getallen van kolonisten,
die van 1700 tot 1750 zich aan de Kaap vestigden zo buitengewoon laag
zijn.
Sedert 1707 was het uitzenden van vrije boeren afgeschaft, zoals we
boven zagen en de vermeerdering van het getal der kolonisten
geschiedde dan ook slechts door het uitgeven van brieven van
burgerschap aan hen, die hun diensttijd als soldaat hadden voleindigd.
Op deze manier kwamen de kolonisten a. h. w. druppelsgewijze in de
kolonie. In de halve eeuw van 1700 tot 1750 vinden we behalve door
geboorten, het aantal der kolonisten vermeerderd met 255 Duitsers, 166
Nederlanders en 11 Fransen. Van onbekende nationaliteit kwamen er 65
personen in die tijd en van verschillende andere nationaliteiten dan
de drie bovengenoemde 38, zodat het gehele aantal der personen, die in
een halve eeuw aankwamen, slechts 535 bedroeg[3]. Bij deze getallen
moet verder nog in 't oog gehouden worden, dat in 1710 Mauritius door
de Hollanders verlaten werd. De kolonisten van dat eiland kregen de
keuze om naar Java of naar de Kaap te gaan. Negen gezinshoofden kozen
toen de Kaap. Zij kwamen dus volstrekt niet aan de Kaap onder dezelfde
omstandigheden als de anderen.
Volgens een berekening van Theal uit de kerk-registers bestond in 1691
de kaapse bevolking voor 2/3 uit Hollanders, voor 1/6 uit Fransen,
voor 1/7 uit Duitsers en de rest van hen waren Zweden, Denen en
anderen. En nooit in de gehele eerste helft van de achttiende eeuw of
daarna hebben de Fransen meer dan 1/6 der bevolking uitgemaakt, de
ambtenaren der V. O. I. C. inbegrepen. In 1700 bestond de bevolking
uit 418 mannen, 222 vrouwen, 310 dochters en 295 zonen[4].
Men ziet hieruit dus, dat de Heren Zeventien hun maatregelen zó hadden
genomen, dat de réfugiés nooit een gevaar voor »het welvaren der
Bewinthebberen" zouden worden.
Om nog duideliker te maken, hoe de Kompanjie stond tegenover
kolonisatie en hoe angstvallig ze haar rechten trachtte te verdedigen
tegen elke vreemde inmenging, haal ik aan een brief, die de Zeventien
op 20 November 1667 zonden aan de Commandeur. Het schijnt wel, zo zegt
de missive, dat ze aan de Kaap de vreemdelingen eerder aanlokten dan
afstootten. Ze behoorden een voorbeeld te nemen aan Portugal in
Brazilië, dat zijn gasten een zeer onwelkome ontvangst gaf.
Tegelijkertijd moest dan steeds, of het waar was of niet, opgegeven
worden, dat schaarsheid en onvoldoende voorraad beletselen waren om
vreemde schepen, die in de Baai kwamen, van wat dan ook te voorzien.
Om aan te tonen, hoe ze tegenover de belangen der burgers stonden,
haal ik uit een brief van Wagenaar het volgende aan: »Met betrekking
tot de vrij-landbouwers of kaapse kolonisten moet ik opmerken, dat tot
hier toe hun vrijheid en hun woonplaatsen hun geschonken werden _met
geen andere bedoeling_ dan om te helpen in 't bebouwen van de grond en
het vruchtbaar maken daarvan."
Het schijnt wel, dat de eerste kolonisten met deze opvatting vrijwel
tevreden waren, want al mocht al eens tegen van Riebeeck gezegd
worden, dat ze niet »'s Compagnies slaven" waren, dit was toch nog
geen teken van een algemeene geest van verzet.
Dit werd echter anders, toen andere standen in de kolonie kwamen. En
in dit opzicht brachten de Hugenoten een grote verandering. Zij waren
niet aan de tyrannie van de franse koning ontvlucht om zich gewillig
te begeven in die van de Heren Zeventien.
Doch hun aantal was te gering om zich met veel sukses te kunnen
verzetten, want het despotisme had te diep wortel geschoten en
ofschoon het mooie woord vrij-landbouwers bleef bestaan, dat woord had
absoluut de beteekenis verloren, die het in Europa had en de vrijheid
was ver te zoeken.
Wat hielp het echter of men murmureerde? Het trachten naar politieke
rechten of het verzet tegen afpersingen bracht mee verbeurdverklaring
van eigendommen, scheiding en verbanning naar Mauritius of een andere
strafplaats[5].
* * * * *
Nadat we nu in algemeene trekken die we in 't vervolg van deze
verhandeling nader zullen uitwerken, hebben aangeduid, wie de
kolonisten waren in 't begin der achttiende eeuw en in welke
omstandigheden ze zich bevonden, willen we ook even nagaan wat we
onder de Kaap-kolonie van die tijd moeten verstaan.
Langzamerhand waren de pioniers uitgetrokken, de wildernis in, van het
Kasteel weg. Maar vóór de komst der Hugenoten betekende dit vanzelf
niet zo veel als daarna.
De aankomst van zulk een aantal personen opeens moest natuurlik leiden
tot het openen van nieuwe wegen en ontginnen van nieuwe landstreken.
In 1657 waren reeds aan sommige van de ontslagen ambtenaren der
Kompanjie kleine plaatsen bij Rondebos ter bebouwing gegeven. Zij
werden de eerste kolonisten[6].
Voor 't eind van 1679 had de eerste boer de ploeg in de grond gezet in
Stellenbosch en in Mei 1680 volgden 8 families.
In 1684 werd, volgens Valentijn, Draakestein met 80 gezinnen bevolkt.
Het kreeg zijn naam naar de Heer Van Rheede, die toen juist op de
komst was en bij wie Simon van der Stel klaarblijkelik in een goed
blaadje wenste te komen.
Theal geeft echter op, dat dit eerst in 1687 plaats had en niet door
80 gezinnen, maar door 23 mensen, die na de kermis te Stellenbosch
zich in Draakestein vestigden.
Daar Valentijn niet altijd even juist is in zijn jaartallen, kunnen we
veilig aannemen, dat 1687 het juiste jaar is.
In Julie 1700 trokken enige kolonisten naar 't land van Waveren en
werd daar een militaire post gevestigd, bestaande uit 1 korporaal en
zes soldaten ter bescherming van die kolonisten tegen de Bosjesmannen.
Gedurende 43 jaar is die post daar gebleven, wat wel bewijst, dat de
kolonisatie, die kant uit tenminste, geen al te groote vorderingen
maakte.
In Des. 1711 werden de grenzen van het Kaap-distrikt bepaald als
zijnde de Mosselbank- en Kuilsrivieren. Aan de andere zijde oefende de
landdrost van Stellenbosch gezag uit, tot zoover als zich Europeanen
hadden gevestigd. De stichting van Fransche Hoek en de Paarl vallen
mede in de tijd van de komst der Hugenoten[7].
Hier en daar waren militaire posten en enige kolonisten waren zelfs
tot in Hottentots-Holland doorgedrongen.
Vóór het jaar 1750 had de kolonie zich nog wat verder uitgebreid en
we denken dan natuurlik allereerst aan de stichting van Swellendam,
Zwartlandskerk en Roodezandskerk.
Maar toch bestond de kolonie honderd jaar na de stichting slechts uit
drie distrikten, die van de Kaap, Stellenbosch en Swellendam.
Doch het sprak eigenlik vanzelf, dat dit zo moest wezen.
De Zeventien waren zeer beslist gekant tegen uitbreiding der grenzen.
Zo zelfs, dat in 1724 een wet werd gemaakt, waarbij werd bepaald, dat
niemand zijn distrikt mocht verlaten zonder verlof van gouverneur of
landdrost en heemraden en zelfs dan nog 50 rkd. moest betalen in de
schatkist van het distrikt.
Doch toen reeds zat de trekkersgeest de kolonisten in 't bloed. Want
ze trokken zich er niets van aan, zodat in 1727 die wet maar weer werd
herroepen, daar men ze toch niet kon toepassen.
Kaapstad was vrij hard vooruitgegaan in huizenaantal.
Valentijn zegt er van: »Wanneer ik in 't jaar 1685 hier quam, stonden
er de huizen vrij ijdel en in vergelijking van nu (1714) zeer weinig.
Ik heb er in de Tafelbaai in 't jaar 1714 omtrent 254, zoo groote als
kleine zelf geteld, zonder deze en gene openbare gebouwen (gelijk het
touwpakhuis en meer andere huizen der E. Maatschappij) hierbij te
rekenen."
Dampier verhaalt in zijn »Reizen" (Deel I) Hoofdstuk 19, dat er in
1691 nog maar 50 of 60 huizen stonden in Kaapstad. Ze waren gebouwd
van steen, die in een steengroeve er dichtbij werd gehakt.
De stad was in 1700 nog niet zeer uitgestrekt. Aan de ene kant kwam ze
maar tot aan de tegenwoordige Burgstraat en aan de andere kant tot de
Pleinstraat. De tuinen van de Compagnie strekten zich uit tot aan de
Kortmarkt Straat.
De voornaamste straten waren toen de Herengracht (tans Adderley
straat), de Keizersgracht (tans Darling straat), de Burgstraat en de
Bergstraat (tans St. George straat).
Deze 4 brede rechte straten waren volgens Valentijn (blz. 13) »112
treden lang en 15 treden breedt."
Van de dwarsstraten was er één »350 treden lang en 25 treden breedt".
De andere waren de helft smaller.
Hij spreekt echter nog steeds van het »vlek" in 1714.
Van Stellenbosch deelt dezelfde schrijver ons mee, dat er in 1705 nog
maar 13 of 14 huizen stonden in het dorp zelf.
In deze vrij oppervlakkige beschouwingen heb ik trachten duidelik te
maken wie de Zuid-Afrikaners in het begin der achttiende eeuw waren en
wat de term Kaap-kolonie, toegepast op die tijd, beteekent.
In een volgend hoofdstuk wens ik na te gaan, wat we te verstaan hebben
door de »Oost-Indische Compagnie" en hoe zij het land bestuurde.