Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig
geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig
gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm,
met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien
binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar
schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat
had ze mampie beloofd.
Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer
eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.
Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder
hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet
alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven
werd gebracht.
Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits
stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.
„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”
„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”
„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens
met mij uit.”
’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar
boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde
wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong
meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe
’t Puck te moede moest zijn geweest.
Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest
gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn
liefkoozingen.
Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te
hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje
naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere
zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en
Socrates spon, dat ’t een aard had.
Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien
ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk
gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude
plaatsje. Heerlijk hè?”
Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen.
„Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo
alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me
geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.”
„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,”
lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit
wandelen te gaan!”
„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind.
Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast
Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte
moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar
erg naar verlangt.”
Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst,
terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte.
„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker
wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen
je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden,
om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten;
tante Johanna heeft ’t je ook vergeven....
„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig
blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”
„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor
me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles
aan u vertellen?”
„Natuurlijk, kindje.”
„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een
smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t
meisje bedarend over het voorhoofd streek.
„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe
radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk
naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van
heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en
den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei
tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in
’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een
mes gestoken werd...
„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel
en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn
best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou
altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.”
„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk
je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet,
en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij
niet na aan ’t hart lag?”
„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.....
Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar
aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen
toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik
nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn,
tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje
zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en
Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe
„tante,” en dan „Vader” tegen oom?”
Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel
toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield.
Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze
Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”
„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers
van Effen.
„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar,
hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa.
Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te
hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden
papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en
Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”
„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe
zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en
Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.
„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan:
Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...”
„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw
Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over
spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste,
innigste wensch is, maar...”
„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet
neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik
er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden,
ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief
dood gegaan....”
„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.
„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens.
Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag
ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het
hoort?”
En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We
zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik,
maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje
waart.”
„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste
kind uit het heele land.”
Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende
Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke
gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn:
Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder.
„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien
hartelijk.
„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat
zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”
„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,”
beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even
pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en
wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote
belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t
vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien
niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart.
Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al
gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die
Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar
ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een
ongeluk wezen.”
Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar
had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de
binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters
geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”
’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar
ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.
Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje”
mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.
En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart
en ziel.