XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.

Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig

geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig

gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm,

met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien

binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar

schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat

had ze mampie beloofd.

Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer

eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.

Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder

hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet

alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven

werd gebracht.

Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits

stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.

„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”

„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”

„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens

met mij uit.”

’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar

boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde

wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong

meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe

’t Puck te moede moest zijn geweest.

Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest

gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn

liefkoozingen.

Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te

hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje

naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere

zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en

Socrates spon, dat ’t een aard had.

Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien

ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk

gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude

plaatsje. Heerlijk hè?”

Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen.

„Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo

alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me

geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.”

„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,”

lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit

wandelen te gaan!”

„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind.

Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast

Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte

moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar

erg naar verlangt.”

Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst,

terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte.

„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker

wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen

je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden,

om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten;

tante Johanna heeft ’t je ook vergeven....

„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig

blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”

„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor

me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles

aan u vertellen?”

„Natuurlijk, kindje.”

„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een

smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t

meisje bedarend over het voorhoofd streek.

„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe

radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk

naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van

heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en

den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei

tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in

’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een

mes gestoken werd...

„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel

en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn

best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou

altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.”

„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk

je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet,

en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij

niet na aan ’t hart lag?”

„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.....

Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar

aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen

toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik

nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn,

tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje

zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en

Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe

„tante,” en dan „Vader” tegen oom?”

Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel

toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield.

Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze

Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”

„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers

van Effen.

„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar,

hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa.

Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te

hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden

papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en

Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”

„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe

zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en

Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.

„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan:

Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...”

„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw

Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over

spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste,

innigste wensch is, maar...”

„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet

neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik

er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden,

ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief

dood gegaan....”

„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.

„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens.

Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag

ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het

hoort?”

En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We

zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik,

maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje

waart.”

„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste

kind uit het heele land.”

Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende

Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke

gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn:

Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder.

„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien

hartelijk.

„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat

zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”

„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,”

beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even

pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en

wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote

belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t

vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien

niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart.

Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al

gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die

Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar

ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een

ongeluk wezen.”

Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar

had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de

binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters

geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”

’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar

ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.

Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje”

mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.

En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart

en ziel.

Puck · 第 20 / 21 题