Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk
eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer
zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t
niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje
bij zich te hebben.
Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante
Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten
teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met
ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te
gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt
niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan
tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van
huis zou wezen.
Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn
tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar
schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen
in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had,
en Geertje op zij duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich
ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.”
Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in
de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar
neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”.
Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck
verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t
Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen.
Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te
vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de
aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is
heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat
je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal
gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich
heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.”
„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt
me niks aardig; zoo stijf en stug!”
„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die
zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.”
„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige
vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan...”
„’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in.
„Tante Johanna moest je hooren!.... Je straf heb je al gehad in de
weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.... Kom, zet nu je beste beentje
eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals
je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.”
„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich
zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!”
Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom
haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk
met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf
was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij
zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de
waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze
haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar
voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar
goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar
liefderijk geduld en trouwe moederzorg.
Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes
villa’tje, eer Puck er op verdacht was.
Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid
genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen
Lientien was.
Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl
ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar
was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid.
Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck
tegelijkertijd....
„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes
dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes
voeten nog even af, ze zitten vol modder.”
„’k Zie der niks an,” beweerde Puck.
„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.”
Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,”
maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het
kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe
uitnoodigde.
„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt
wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien
lachen, als ik ’t haar vertel.”
Maar dat kon vooreerst niet.... Puck onderdrukte een zucht, en ging de
voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat.
„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek
wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je
nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de
voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je haar
is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je
de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.... heila kind,
neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast
boven....”
Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat
tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich
hier vervelen!
Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te
regenen, dus van uitgaan was geen sprake.
Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden
langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te
vertellen uit de kinderjaren van haar vader.
Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en
zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven:
„Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk
vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste
belangstelling toe.
’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op
niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze
haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck
niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in.
’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte
lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch
smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders.
Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat
mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en
smakte en morste als een kind zonder manieren.
Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek.
„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje.
„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad.
„’t Is vol aardige, gekleurde platen,” zei tante, „die moet je maar
eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in
dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.”
Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend
klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes
dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De
ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze
had zoo’n slaap.
„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd.
„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet....” ’t Woordje
„gelukkig” slikte ze nog bijtijds in.
’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze
niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen
inzien, dat ze zich een beetje schamen moest over haar onbeleefd
antwoord. Tante werd boos.
„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga
dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.”
„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck
verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.”
„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je
heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik,
Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!”
„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit
anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag
zoo genoemd word.”
„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe,
en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel”
naar boven.
In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu
brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig
verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar,
of ze al weken weg was in plaats van één dag.
Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien
en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een
matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn
straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter
op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood....
O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn
geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde
tusschen hem en de bewoonde wereld.
Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe
zou ze ’t hier uithouden!
En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs
de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.
’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te
gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen.
Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek
haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind.
Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele
omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.
Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.
Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t
Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen.
Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts
stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante
Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij
was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet
minder dol op hem.
Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om
opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al
gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht
terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.
Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck
niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen
huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder.
’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had
dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar
boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje
uit de boekenkast te hebben gezocht.
Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog
uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te
hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te
geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen.
In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t
boek, en wilde met Tom gaan spelen.
Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever
niet te dicht bij zijn mand moest komen.
Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom
lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was,
want anders ging de lieverd nooit te keer.
„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat
leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.”
Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat
onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig,
dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en
vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.”
„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen
beest.”
„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je
kijken, madam.”
Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af
naar de keuken.
„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.
Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele
voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de
wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke
wijsje „Verdreven van huis.”
Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat
zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze
met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet
uit!...
Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier
met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat
’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest,
ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis
verlangde, en verging van heimwee.
Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar
Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen
met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje....
Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze
Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen.
De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige
wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te
strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje.
Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t
spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en
onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever
mee uit te scheiden....
Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke
kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?
’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje
aan heimwee leed.
Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot
het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of
tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen.
Ze kon ’t niet langer uithouden.