X „SCHATTEBOUTJES”.

Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen

missen, want ze was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook

even eerlijk als betrouwbaar, en met de jaren geheel één met het gezin

geworden.

’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te

stellen, en heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van

Lientien wat kon verdragen.—Maar Bet was nu al maanden achtereen in een

opgewekte stemming, want haar moeder had ’t heerlijk nieuws geschreven,

dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t Werd haar in

Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in

Amsterdam had gevestigd.

De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu

alleen nog maar elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen

wonen, waar haar Bet was.

Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan

toch zoo „miserabel” in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord,

en dat van Bet was „miserabel”, of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit

„geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. „Ja, kind,” en Bet zuchtte

zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor deze wereld.”

„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk.

„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den

tijd over zijn verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander

gewild.—En nou komt mijn moeder hier, en dat is compleet een engel van

een mensch, die zal me veel vergoeden.

„’k Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen.

Ze heeft der pensioentje, en nog geld van der eigens, van grootvader

georven.

„Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder

verlangt er naar om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je

geschreven.”

„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al

gauw uit.”

’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te

gaan. Juf kwam ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat

Lientien den volgenden zomer bij Wimpie en Annie moest komen, en dat

dit voor vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd,

doch ’t meisje bleef daar zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel

deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw van Bergen had een briefje

gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan op een

autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s

avonds vóór negenen weer thuis.

Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet

kon hebben. Maar Lientien was er ook nog.

Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop

Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan.

„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden,

als ’t mocht.”

„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo

graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen,

en als jij dan meeging....”

„Dat kan in geen geval, lieverd.”

„Neen hè?” zuchtte Lientien.

„Maar we konden Frits vragen, of hij....”

„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te

halen.

Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde.

Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was.

„Wil je wel, Frits?” vroeg ze.

„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een

Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al

bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij,

die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.”

„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om

beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend.

„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar

moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker...

„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we

met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook.

Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou,

en daarom, zie je....”

„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar

Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?”

’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een

bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te

vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits

en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond.

Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best

amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje.

Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een

courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing,

die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of

Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg

zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder

uitbundige luidruchtigheid.

In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes

opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en

aangehaald.

’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed,

en hield zich den heelen nacht muisstil.

Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder

lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem

had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter

plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.—

Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij

verwachtte.

Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en

Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een

meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij

hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,”

had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk

een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien

jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net

of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij

ophoepelen.”

Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch

zéér.

’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook

volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal,

waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had

Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de

buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter

haar dichtklepte. Maar toch....

Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle

woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht

haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden.

Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit

Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende.

Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits

hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige

vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen,

maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht.

Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en

eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante

heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed

vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg....

O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat

zijn....

Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en

zouden al heel gauw thuis zijn....

„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck

bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet

zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je

Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam

ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.”

Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek.

„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma

mij meevraagt.”

’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na

drie dagen thuis zou komen.

Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en

nam haar mee naar de bioscoop.

’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel

voorlezen.

En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap

kon vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een

stevig dutje beet had.)

Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en

gezellig.

Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist

hebben, vooral Lientien.

„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is

nou netjes op orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar

opzoeken.”

Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar

verlangde, dat lieve schatteboutje te zien.

„Erg graag Bet; mag Puck ook?”

„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er

bovendien weer met de „voornamigheid” op uit in de auto.”

Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten.

’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en

stapte vergenoegd met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een

étage woonde.

Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de

Friesche kap met een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders

dan Geertjes hoofdversiersel. ’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder.

Lientien moest overal rondkijken. In ’t aardige slaapkabinetje vóór aan

straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles wat er hing en stond

je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover

was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een

spiegel glom. Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand

vreemd. In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die

veel op een setter leek, maar ook wel wat van een buldog had), in een

reuzenmand, die maar net onder de keukentafel kon staan.

Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen

niet willen voeren. Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn

bek hield, dat hem een kluifje of een andere lekkernij werd

gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was een goede

waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar

leven voor zoo’n arm beest, vond moeder.

„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien.

„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in

de mooie kamer, hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie

kwispelde met zijn stompstaartje, en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn

oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren.

De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood

kleedje op de tafel, waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi

uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder den theepot, ’t geheel nog

knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes uit de kast,

en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De

jongejuffrouw moest maar flink toetasten.

„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en

dan zeg ik tegen U.... Betjesmoe.”

Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal.

Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien

en moeder, die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook

wel gedacht. Moeder hield dol van kinderen, en Lientien was nog zoo

echt en heelemaal een kind, in ’t geheel niet pedant of aanstellerig,

zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” laten noemen,

reken maar.

Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld,

als ze had kunnen zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te

verbijten. Want ’t werd drie uur, half vier, en wat er verscheen: geen

auto.

Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar

mevrouw had haar toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog

gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden ze haar vergeten hebben, of....?

Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier

uur gaf Puck de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen

en Grace maar weg blijven! Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen

moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al lang was uit gegaan.

Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat

was zoo vlak bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk

goed. „Ja, ga maar Puck.” Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor

voor niets had zitten wachten.

Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei verhalen te doen

over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd.

„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken,

Bet....”

„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven.

(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.)

„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk.

Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid.

Lientien was wel wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar

omhelsde met een zoen.

Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof

ze blij was, dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed,

nadat Ellen en Grace haar zoo teleurgesteld en leelijk behandeld

hadden. Daarom moest ze Lientien even pakken.

Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven,

Bet?”

„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen

nog koekjes genoeg.... Maar we dachten, dat je er met de auto op uit

zou gaan....”

Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien

wat tusschenbeide gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat

anders.

„Wat is ’t hier leuk en gezellig.... Juffrouw, u woont hier echt,

hoor!”

Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit

deed ze nu. ’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal

in. Ze toonde voor en in alles minstens even groote belangstelling als

Lientien, en haar babbelmondje stond ook geen oogenblik stil.

De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen,

terwijl de kleine meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de

geschiedenis van wilden weten.

Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die

korporaal was in Indië, vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw

kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” Wat moest „Betjesmoe” daar

om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een fameuze snor

en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap

uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat

haar zoon haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden:

sierdingetjes in rood koraal, om hier of daar neer te zetten, een

mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch bedehuisje, fijnbesneden,

en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen.

Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en

Tidjem, maar Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen,

en Bets moeder zat met ’t grootste genoegen naar die verhalen te

luisteren. Lientien dacht af en toe een beetje weifelend: „Of Puck nou

niet wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen....?”

Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en,

terwijl Lientien hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed

Puck dit niet minder beleefd en aardig; ze had echt plezier gehad, veel

meer dan op ’t autotochtje van laatst. En dit maakte zij zich niet maar

zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al had ze een te

grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde die

neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu

sinds jaren al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud

den grondtoon vormden, en de lessen, in woord en voorbeeld, van de

familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie niet geheel voorbij gegaan.

Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen,

en stopte de meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de

hand (een grappig steenen poppetje in zittende houding, met een lange

zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes op zijn verstard

gezicht.)

Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met

de allergrootste verbazing.

Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen:

„Je hebt gezegd, dat Lientien een schatteboutje was en de andere

heelemaal niet?.... ik vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze

willen, breng ze dan maar gerust weer eens mee....”

Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck een bijdehand

nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot!

Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat

brutaaltje zoowaar zeggen: „Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je

moeder is een engel.”

„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand.

Maar naderhand zei ze tegen Lientien:

„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die

hield den vrede.”

Puck · 第 13 / 21 题