VIII NEL ALS HUISMOEDER.

Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou

overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en

kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al

lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.

Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse

minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S.

Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als

zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t

bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote

vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante

minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar.

Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg

gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor

de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee

moest.

„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante

heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van

gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na).

„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij

hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den

gulden werd niet meer gerept.

’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat

durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door

al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de

vacantiedagen.

Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck

zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te

vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen.

„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit

zoo’n zeurkous meer bijgewoond.”

„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en

oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne

„pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in

bed, want ’t is mijn beurt.”

„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal

wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog

eerst onze kas opmaken.”

„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór

Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”

Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens

vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel

geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en

gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de

vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker,

en dan bij die saaie tante, ajakkes!

Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster

Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de

familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij

vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer

gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en

had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel

blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante

Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen

verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan

dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg

gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en

droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante

gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en

Wimpie.

Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de

tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten

liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld.

Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze,

„maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te

druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat

Puck de kamer uitging.

Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit

nachtjaponnetje binnenkwam.

„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.

„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck.

„Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er

nou nog bij, anders klopt ’t niet.”

Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat

er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat.

Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later

vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten

ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo

iets!

In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t

hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk

een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk

centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s

krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en

Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat

snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan

’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes.

Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje

zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar

den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje

doen?”

„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is

afgesproken.”

(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld

bovendien.)

Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder

aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de

vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en

gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden

lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus

veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet

mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien.

De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te

bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde

Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich

hebben.

Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd

de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over

het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke

deze vacantie ruimschoots beloofde.

„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis

zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp

daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben.

„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet

prettig vind...”

„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet

(dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik

immers twee weken naar Haarlem gaan?”

Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem

bijzette, gaf mama zich gewonnen.

Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook

maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw

Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook

die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen

mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is

de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan

denkt.”

Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man

en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar

bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in

te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er

iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een

of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef

tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar

jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde.

Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een

eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen

„ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren.

Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou

niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.

Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te

bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens

liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over.

„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft,

want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft,

ook niet weg.”

Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder

Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er

heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een

uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden

Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond

het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of

wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd

aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen

geval sprake van, dat zij had kunnen gaan.

Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en

Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en

stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan

Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over

hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze

gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet

zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd

door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel

vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie,

nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret

beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die

verbood en vitte van den ochtend tot den avond.

’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef

natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens

gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig,

als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik

uit het oog te verliezen.

Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen

dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam

dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en

neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.

Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar,

dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.

Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden

gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder

genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet

veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten,

maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk

bewaren.

Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te

maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet

schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er

heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de

bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit

„neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t

knoeien waren.

Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was

altijd veel te gauw om naar hun zin.

Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren

bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half

uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om

dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te

wezen.

Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te

beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en

kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de

hand.

Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten

worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken.

Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond

een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest

was, dit sloeg ze nooit over.

Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren

geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had

die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t

wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen

briefkaart meer van hem, sinds dagen al.

Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste Nel zich

toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar.

Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar

’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder

de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar

was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en

wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als

’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor

houden.

„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij

gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.... Maar ik ben toch dol blij, dat je

er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te

schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de

pret maar half, dat begrijp je.”

„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de

heele hand....

„Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.”

„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft,

heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie,

Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen

theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.”

Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde

zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over

beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen zonder onbescheiden

te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij

zijn.”

„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met

vier treden tegelijk op.

Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar

kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig

bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren

er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar

beneden meegenomen worden.

Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem

heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar

Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was

Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te

halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t

daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog

al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de

glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje

een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee,

of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje,

als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring,

en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie

verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot

(van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet Frits den pot staan, en

begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien

eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven.

Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of

daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet

dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor

Bet!” beloofde ze gul.

„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten,

Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,”

vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan

’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid

nemen van de gastvrouw.

Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer

aantrekken.

Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank

gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog

vertelde, was tante al heerlijk ingedut.

„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.”

’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en

Frits innig genoegelijk na te babbelen.

En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast

had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch

wel erg saai was alleen achter te blijven.

„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans

gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij

niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een

wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een

genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe

langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.

„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en

had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor

dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van

plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”

„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de

kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je

uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”

„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan

Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven.

En nou echt goeienacht, huismoeder.”

Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden,

„Frits, luister eens....”

Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe.

„Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.”

Puck · 第 11 / 21 题