Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou
overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en
kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al
lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.
Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse
minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S.
Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als
zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t
bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote
vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante
minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar.
Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg
gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor
de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee
moest.
„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante
heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van
gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na).
„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij
hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den
gulden werd niet meer gerept.
’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat
durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door
al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de
vacantiedagen.
Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck
zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te
vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen.
„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit
zoo’n zeurkous meer bijgewoond.”
„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en
oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne
„pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in
bed, want ’t is mijn beurt.”
„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal
wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog
eerst onze kas opmaken.”
„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór
Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”
Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens
vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel
geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en
gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de
vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker,
en dan bij die saaie tante, ajakkes!
Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster
Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de
familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij
vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer
gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en
had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel
blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante
Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen
verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan
dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg
gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en
droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante
gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en
Wimpie.
Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de
tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten
liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld.
Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze,
„maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te
druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat
Puck de kamer uitging.
Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit
nachtjaponnetje binnenkwam.
„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.
„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck.
„Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er
nou nog bij, anders klopt ’t niet.”
Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat
er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat.
Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later
vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten
ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo
iets!
In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t
hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk
een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk
centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s
krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en
Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat
snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan
’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes.
Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje
zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar
den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje
doen?”
„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is
afgesproken.”
(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld
bovendien.)
Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder
aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de
vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en
gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden
lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus
veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet
mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien.
De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te
bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde
Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich
hebben.
Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd
de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over
het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke
deze vacantie ruimschoots beloofde.
„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis
zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp
daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben.
„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet
prettig vind...”
„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet
(dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik
immers twee weken naar Haarlem gaan?”
Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem
bijzette, gaf mama zich gewonnen.
Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook
maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw
Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook
die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen
mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is
de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan
denkt.”
Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man
en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar
bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in
te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er
iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een
of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef
tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar
jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde.
Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een
eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen
„ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren.
Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou
niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.
Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te
bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens
liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over.
„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft,
want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft,
ook niet weg.”
Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder
Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er
heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een
uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden
Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond
het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of
wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd
aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen
geval sprake van, dat zij had kunnen gaan.
Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en
Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en
stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan
Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over
hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze
gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet
zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd
door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel
vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie,
nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret
beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die
verbood en vitte van den ochtend tot den avond.
’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef
natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens
gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig,
als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik
uit het oog te verliezen.
Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen
dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam
dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en
neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.
Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar,
dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.
Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden
gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder
genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet
veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten,
maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk
bewaren.
Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te
maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet
schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er
heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de
bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit
„neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t
knoeien waren.
Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was
altijd veel te gauw om naar hun zin.
Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren
bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half
uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om
dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te
wezen.
Was ’t eindelijk kalm om haar heen, dan had Nel nog heel wat te
beredderen, ook voor den volgenden dag. Er waren altijd nog glazen en
kopjes af te wasschen, al namen Bet en Geertje de juffrouw veel uit de
hand.
Dan moest er met Bet overlegd, wat er den volgenden dag zou gegeten
worden, en met Geertje moesten de boodschappen besproken.
Tante Sjarlotje lag meestal al te bed, wanneer Nel eindelijk tijd vond
een praatje bij haar te gaan maken. Want hoe druk haar dag ook geweest
was, dit sloeg ze nooit over.
Dikwijls moest Nel terug denken aan dien influenza-winter, jaren
geleden, toen ze ook voor iedereen en alles zorgen moest. Maar toen had
die goeie Frits haar zoo heerlijk bijgestaan in den nood. Nou leek ’t
wel, of hij zijn oude Nel heelemaal vergat, ze kreeg zelfs geen
briefkaart meer van hem, sinds dagen al.
Maar, dat Frits zijn zuster vergeten had, daarin vergiste Nel zich
toch. Op een middag stond hij onverwacht vóór haar.
Frits had zijn bekomst van het om vijf uur opstaan, met de beesten naar
’t land gaan, ’t wieden, maaien, melken. Meer dan genoeg van het onder
de balken slapen met den geur van de mestvaalt voor niets toe. Dus daar
was hij dan terug, had geen lust om nog ergens anders heen te gaan, en
wilde Nel een handje helpen in haar zorgen voor de kleine rakkers. Als
’t noodig was zou hij ze wel met een hartig woordje in ’t goeie spoor
houden.
„Och jongen, dat hoeft niet,” lachte Nel. „Ze zijn heusch vrij
gehoorzaam, en zoo aardig en leuk.... Maar ik ben toch dol blij, dat je
er weer bent, vadertje. Nou heb ik amper tijd om vader en moeder te
schrijven. Eeuwig is de bende om mij heen. Als ik niet meespeel, is de
pret maar half, dat begrijp je.”
„Je hebt ze verwend, jongejuffrouw, je weet wel van den vinger en de
heele hand....
„Maar waar zijn ze nu? ’t Is verdacht stil.”
„Bij tante Sjarlotje op visite. Die was vandaag bizonder wel, en heeft,
heel deftig, door Kee laten vragen: „Of de jonge dames: Annie, Wimpie,
Puck en Lientien (met haar kinderen) plezier hadden te komen
theedrinken bij tante Sjarlotje, en verder den middag te passeeren.”
Alle vier hebben ze haar beste jurken aangetrokken met de gekleurde
zijden ceintuurs. ’k Hoorde er Lientien en Wimpie ernstig over
beraadslagen, hoeveel poppen ze konden meebrengen zonder onbescheiden
te zijn, en weet al vast, dat Francine en kleine Koo ook van de partij
zijn.”
„’k Ga eens kijken,” zei Frits, en hij klom, als altijd, de trap met
vier treden tegelijk op.
Tante Sjarlotje had zich ook mooi gemaakt voor haar gasten, en haar
kanten mutsje met lila lint opgezet, dat Lientien steeds uitbundig
bewonderde. Tante trakteerde op wafels met aardbeien, bovendien waren
er koekjes en bonbons. En alles wat overbleef, mocht verdeeld en naar
beneden meegenomen worden.
Lientien vloog Frits om den hals, en de anderen joelden zóó om hem
heen, dat Frits moeite had tante Sjarlotje te begroeten, temeer daar
Waldi met oorverdoovend lawaai tegen den baas opsprong. Natuurlijk was
Waldi ook op de partij, want je zocht hem nooit tevergeefs, waar wat te
halen viel. Frits kwam in ’t geheel niet tot vertellen toe, hoe hij ’t
daarginds gehad had; de visite had het hoogste woord. Kee hield er nog
al goed de orde onder, en ze zorgde er ook uitstekend voor, dat de
glazen en bordjes steeds voorzien bleven. Wat had die tante Sjarlotje
een goeden dag! Ze speelde met zooveel lust en pleizer ganzenbord mee,
of ze even oud was als Lientien, die vlak naast haar zat, en Sjarlotje,
als een moedertje, met alles voorthielp. Frits schoof ook in den kring,
en een luid gejuich ging op, toen hij dadelijk in „de put” kwam. Wimpie
verloste hem, en daar ging me die Frits even later met een reuzenpot
(van bonbons) strijken. Heel edelmoedig liet Frits den pot staan, en
begrijp dus eens, wat voor een pot dàt geworden was, toen Wimpie dien
eindelijk won. Kee moest er wel twee zakjes voor geven.
Daar kwam Bet eens kijken. Haar eten was zoo goed als klaar, maar of
daar dadelijk veel eer aan zou worden bewezen? Lientien stopte Bet
dadelijk drie groote pralines toe, „en straks krijg je nog meer, hoor
Bet!” beloofde ze gul.
„Dankje hartje!” zei Bet. „’k Heb niet op u gerekend met eten,
Jongeheer Frits, maar er zal wel genoeg zijn, willen we hopen,”
vervolgde zij, terwijl Kee, die ’t nu welletjes vond, den kinderen aan
’t verstand bracht, dat de visite nou maar moest bedanken en afscheid
nemen van de gastvrouw.
Bet zou helpen met handen wasschen en de daagsche jurken weer
aantrekken.
Even later ging Frits ook heen. Kee had de Juffrouw naar de rustbank
gebracht en gemakkelijk in de kussens neer gevlijd. Terwijl Frits nog
vertelde, was tante al heerlijk ingedut.
„Geen wonder,” zei Kee, „want de Juffrouw het der eigen uitgesloofd.”
’s Avonds, toen de kinderen, moegestoeid, naar bed waren, zaten Nel en
Frits innig genoegelijk na te babbelen.
En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast
had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch
wel erg saai was alleen achter te blijven.
„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans
gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij
niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een
wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een
genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe
langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.
„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en
had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor
dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van
plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”
„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de
kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je
uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”
„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan
Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven.
En nou echt goeienacht, huismoeder.”
Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden,
„Frits, luister eens....”
Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe.
„Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.”