"Zie me daar nu zoo'n figuur eens zitten dokter, 't heeft me

Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team

Jack Rustig

Door

Kapitein Marryat

Opnieuw bewerkt door

A. J. van Dragt

Eerste hoofdstuk.

Eerste levensjaren van Jack. Hoe hij al spoedig den baas

speelt.

Meneer Nicodemus Rustig leefde als welgesteld man op zijn buitengoed

Boschlust in het Engelsche graafschap Hampshire. Dolgraag zou hij

zoo'n paar kleine kleuters om zich heen hebben zien springen; maar,

ofschoon reeds tien jaar getrouwd, nog altijd bleef hij met zijn

vrouwtje alleen. Om zich te troosten over de verijdeling van zijn hoop,

meende hij niet beter te kunnen doen dan zich op de wijsbegeerte toe

te leggen, en weldra waren de gelijkheid en de rechten van de mensch

zijn stokpaardje geworden. Niemand luisterde echter naar zijn betoogen,

en hoe meer meneer Rustig doorsloeg, des te beter lieten de bezoekers

zich zijn portwijn smaken; want al sneden 's mans beweringen geen hout,

zijn wijn was uitstekend.

Terwijl meneer Rustig zich in zijn studiën verdiepte, zocht mevrouw

ontspanning in het patience-spel, en zoo leefde het echtpaar heel

kalmpjes voort. Meneer wist, dat vrouwlief zijn redeneeringen niet

kon begrijpen en eischte daarom ook niet, dat ze aandachtig naar hem

luisterde; mevrouw van haar kant stoorde zich weinig aan het gepraat

van haar echtgenoot en was tevreden als ze maar bij haar spelletje

kon blijven. Die wederzijdsche inschikkelijkheid maakte den grondslag

uit voor hun huiselijk geluk.

Ook bestond er nog een andere reden, waarom zij 't zoo goed met elkaar

konden vinden. Moest er iets besproken worden, dan begon meneer Rustig

altijd met te zeggen, dat vrouwlief haar zin zou hebben,--en dat

vond ze heel pleizierig; daar echter manlief, als 't er op aankwam,

steeds zijn eigen zin volgde, was hij evenzeer in zijn schik. Wel had

mevrouw sinds lang begrepen, dat zij haar zin toch niet kreeg, maar ze

was erg meegaande, en omdat 't in negen van de tien gevallen toch heel

weinig verschil maakte wat er gedaan werd, stelde zij zich volkomen

tevreden met zijn toeschietelijkheid bij het overleggen. Meneer Rustig

had erkend, dat zij gelijk had, en al volgde hij nu bij de uitvoering

een anderen weg, wat kon zij, als zwakke vrouw, daartegen doen?

Op het einde van het elfde huwelijksjaar kwam er evenwel een groote

verandering in het tot dusver zoo kalme huishouden; want mevrouw

Rustig verblijdde op een goeden dag haar echtgenoot met een stamhouder,

dien we als den held van ons verhaal zullen leeren kennen.

Er werd heel wat geredeneerd en betoogd eer meneer en mevrouw het

eens waren over den naam, dien de jonge wereldburger dragen zou, maar

het einde van de geschiedenis was, dat men hem Jack zou doopen. Het

jongske groeide als kool, raakte na zes maanden uit de lange kleeren,

en begon al spoedig over den vloer rond te kruipen en naar alles

te grijpen, wat maar onder zijn bereik kwam. Hij solde met de kat,

krabde zijn moeder in 't gezicht, en vond er volstrekt geen been

in, zijn vader duchtig aan zijn kuif te trekken; maar toch werd

hij door al de huisgenooten voor het mooiste en liefste kind van de

wereld versleten. Als we alles wilden opschrijven wat Saar, de meid,

van Jack's eerste kinderjaren wist te vertellen, zouden we wel drie

boekdeelen vullen; we zullen 't echter maar laten bij de vermelding,

dat men hem, als zoo menig eenig kind, in alles zijn eigen hoofdje

liet volgen. Daardoor kreeg hij weldra zooveel noten op zijn zang,

dat dokter Middleton, die als huisvriend dikwijls op Boschlust kwam,

er soms bedenkelijk het hoofd over schudde en begon te vreezen,

dat de al te toegeeflijke ouders het ventje glad zouden bederven.

Op zekeren dag kwam een knecht van meneer Rustig te paard bij dokter

Middleton aanrennen, met de boodschap of de dokter onmiddellijk

op Boschlust zou willen komen. De man voldeed aan dit verzoek en

vond bij zijn komst het heele huis in rep en roer--meneer liep erg

onrustig heen en weer, mevrouw had maar werk om niet flauw te vallen

en al de meiden verdrongen elkaar zenuwachtig om haar stoel. Iedereen

was danig van streek, behalve de kleine Jack, die, met een lompje om

zijn vinger en eenige bloedvlekken op zijn kiel, heel kalmpjes met

kersen zat te spelen en zich aan niets stoorde.

"O dokter!" riep mevrouw Rustig den geneesheer bij diens binnentreden

als in wanhoop toe, "Jack heeft zich zoo vreeselijk in zijn hand

gesneden; stellig is er een zenuw geraakt en dan...."

De dokter gaf er geen antwoord op, maar onderzocht de gewonde hand,

terwijl Jack met de andere bleef doorspelen.

"'t Is nog al goed afgeloopen, mevrouw," zei de dokter, toen hij

gezien had, dat de jongen zich maar even aan den vinger had gewond.

"Heeft u soms ook een stukje hechtpleister in huis?"

"O ja; gauw Marie,--loop Saar!" In een oogwenk waren de twee meiden

terug; Saar met de hechtpleister en Marie er achteraan met de schaar.

"Stel u maar gerust, mevrouw," zei dokter Middleton, nadat hij een

pleister op de wond had gelegd, "kwaad kan 't volstrekt niet."

"Maar zou 't niet beter zijn als we hem boven brachten en wat te bed

legden?" hernam mevrouw.

"Bepaald noodig is 't niet, mevrouw, maar in elk geval blijft hij

dan gevrijwaard voor verdere ongelukken."

"Kom, mijn lieve jongen, je hoort wat dokter Middleton zegt."

"Ja, ik hoor 't wel," antwoordde Jack, "maar ik ga niet."

"Maar Jaapjelief, doe 't nu toch, mijn ventje."

Jaapje bleef doorspelen en gaf geen antwoord.

"Kom, Jaapje," zei Saar.

"Ga weg, Saar," zei het driftige manneke, en weerde haar met de

hand af.

"O foei, Jaapje!" zei Marie.

"Kom, mijn hartedief!" zei mevrouw op overredenden toon, "kom,--wil

je nu niet?"

"Ik wil naar den tuin nog wat kersen plukken," antwoordde Jaapje.

"Kom dan maar, lievert, dan gaan we naar den tuin."

Jaapje wipte van zijn stoel en vatte mama bij de hand.

"Wat een braaf, gehoorzaam kind is 't toch!" riep mevrouw uit,

"je kunt hem aan een zijden draadje leiden."

"Ja wel, als 't om kersen te doen is," dacht Dr. Middleton.

Mevrouw Rustig, Jack, Saar en Marie gingen nu naar den tuin, zoodat

de dokter alleen bleef met meneer, die gedurende de stribbeling geen

woord gezegd had.

Bij zijn veelvuldige bezoeken op Boschlust had dokter Middleton

opgemerkt, dat de kleine Jack uit zijn aard wel een flinke, kordate

jongen was, maar alle kans liep door de dwaze inzichten van zijn

vader en de overdreven toegevendheid van zijn moeder bedorven te

worden. Zoodra nu mevrouw de kamer verlaten had nam hij een stoel en

richtte tot den heer des huizes de vraag:

"Heeft u geen plan uw jongen school te leggen, meneer Rustig?"

Meneer Rustig sloeg de beenen over elkaar en vouwde zijn handen om

de knieën samen, wat hij altijd deed zoodra hij iets wilde betoogen.

"Het groote bezwaar, dokter, dat ik heb tegen het naar school zenden

van een kind, is dat er te veel dwang wordt uitgeoefend; en dat strijdt

niet alleen tegen de rechten van den mensch, maar ook tegen alle gezond

oordeel. Men zendt een jongen naar school, in de hoop dat er door leer

en voorbeeld goede hoedanigheden in hem zullen gekweekt worden, niet

waar? Maar hoe zal hij nu welwillendheid leeren, als hij telkens de

dreigende gard ziet zwaaien, of geduld, als zijn leermeesters bijna uit

hun vel springen van kwaadheid? Welk onderscheid bestaat er tusschen

hem, die de kastijdingen toedient, en dengene, die ze ondergaat? Zijn

ze niet beiden met rede begaafde schepselen, die evenveel recht hebben

op hetgeen de wereld biedt? Door gewetenlooze dwingelandij hebben

weinigen zich toegeëigend wat voor allen bestemd was, en al heeft

men zich door langdurige gewoonte en valsche voorschriften daarin

leeren schikken, 't is de plicht van een vader er voor te waken,

dat zijn eenige zoon niet zulke verlagende dwaalbegrippen inzuigt,

waardoor hij zich later alles zou laten welgevallen, zoolang men hem

maar het leven liet. En worden zulke dwalingen niet op school door de

gard verkeerdelijk ingeprent in het jeugdig gemoed? Reeds de eerste

les in het ABC is tevens een les in slavernij en leert al aanstonds

de geheiligde gelijkheid verzaken, die ons geboorterecht is. Neen,

meneer, zoolang ze niet kunnen onderwijzen zonder de ergerlijke

toepassing van de gard, zal mijn jongen nooit op school."

Hier wierp meneer Rustig zich achterover in zijn armstoel, in de

verbeelding dat hij al heel wat verstandigs had te berde gebracht.

Dokter Middleton kende zijn man, en had hem maar stilletjes uit

laten praten.

"Ik moet toegeven," zei de dokter ten laatste, "dat er in al wat gij

daar zegt misschien veel waars is; maar zou u niet denken, meneer

Rustig, dat men, juist door te verhinderen dat een jongen onderricht

kreeg, hem des te vatbaarder maakte voor de dwalingen waarover gij

spreekt? Alleen de opvoeding kan vooroordeelen uit den weg ruimen,

en iemand geschikt maken om de kluisters van den ouden sleur te

verbreken. Toegegeven al dat er van de gard gebruik wordt gemaakt,

't gebeurt toch enkel op een leeftijd, waarin het jonge gemoed zoo

kneedbaar is, dat 't er spoedig onverschillig onder wordt; en zijn

eenmaal de gebruikelijke grondslagen der opvoeding gelegd, dan zult

gij uw zoon genoegzaam voorbereid vinden tot het ontvangen der lessen,

die gij zelf hem wenscht in te prenten."

"Zelf zal ik hem alles leeren," antwoordde meneer Rustig en vouwde

de armen over elkaar, als of hij zeggen wilde: "daar gaat niets af."

"Ik twijfel geen oogenblik aan uw bekwaamheid, maar ongelukkig zult

gij steeds met een onoverkomelijke zwarigheid te kampen hebben. Neem

me niet kwalijk, ik weet waartoe gij in staat zijt, en de jongen

zou zich inderdaad geluk mogen wenschen met zulk een onderwijzer,

maar--openhartig gesproken--het kan u evenmin als mij ontgaan, dat

de moederlijke toegeeflijkheid van mevrouw een leelijke hinderpaal

voor uw goede bedoeling zal wezen. De jongen is nu al zóó door haar

verwend, dat hij niet zal gehoorzamen, en zonder gehoorzaamheid kunt

gij hem niets inprenten."

"Ik erken, mijn waarde heer, de zwarigheid, die daarin gelegen is;

maar moederlijke zwakheid dient dan overwonnen door vaderlijke

gestrengheid."

"Mag ik weten hoe? want dat schijnt me onmogelijk."

"Onmogelijk! Wel drommels, ik zal hem leeren gehoorzamen, of anders

zal ik hem...."

Hier brak meneer Rustig plotseling af eer het woord "ranselen" aan

zijn lippen kon ontsnappen.

Dokter Middleton had moeite een glimlach te onderdrukken, toen hij

antwoordde: "Dat gij wel een middel zoudt vinden om hem de baas

te worden, daarvan ben ik ten volle overtuigd; maar wat zal er het

gevolg van zijn? De jongen zal zijn moeder als een beschermster en

u als een dwingeland beschouwen. Hij zal een hekel aan u krijgen en

dientengevolge nooit de vereischte aandacht wijden aan uw hoog te

waardeeren voorschriften, als hij eenmaal oud genoeg zal geworden

zijn om ze te begrijpen. Het komt me voor, dat het door u opgeworpen

bezwaar uit den weg te ruimen is. Ik ken een zeer achtenswaardig

kostschoolhouder, die geen gebruik maakt van de gard--ten overvloede

zal ik er hem uitdrukkelijk over schrijven--en als de jongen dan

gevrijwaard is voor het gevaar, waarmee de te groote toegeeflijkheid

van mevrouw hem bedreigt, zal hij binnen kort rijp zijn om onder uw

meer gewichtige leiding te komen."

"Wat gij daar zegt, dokter," antwoordde meneer Rustig na een poos,

"verdient, dunkt me, alle aandacht. Ik heb heel goed opgemerkt, dat

de onzinnige toegeeflijkheid mijner vrouw den jongen ongezeggelijk

heeft gemaakt, zoodat hij me tegenwoordig niet wil gehoorzamen,

en als uw vriend geen gebruik maakt van de gard, denk ik er ernstig

over hem mijn Jack te zenden, om hem de eerste gronden te leeren."

De dokter had het pleit gewonnen door den wijsgeer te vleien.

Den volgenden dag kwam hij terug met een brief van den paedagoog,

waarin deze met verontwaardiging sprak over het gebruiken van de gard,

en meneer Rustig deelde nu onder het theedrinken aan zijn vrouw mede,

welke plannen hij ten oprichte van zijn zoon Jack had.

"Naar school? Jaapje naar school? de jongen is nog heelemaal een kind!"

"Alles goed en wel, beste, maar vergeet niet, dat hij zeven jaar is en

't dus hoog tijd wordt, dat hij leert lezen."

"O, lezen kan hij al; ja, ja, dat heb ik hem zelf geleerd. Niet waar,

Saartje?"

"Gunst ja, mevrouw, eergisteren heeft hij nog de letters opgezegd."

"Maar, Rustig, wat heb je toch voor malligheid in je hoofd

gehaald? Jaapjelief, kom eens hier als een brave jongen, zeg nu eens,

wat is de letter A? Je hebt 't van morgen nog in den tuin gezongen."

"Suiker moet ik hebben!" antwoordde Jack, en reikte zoo ver mogelijk

met zijn arm over tafel om bij den suikerpot te komen, wat hem niet

gelukte.

"Nu ja, lievert, je zult een groote klont hebben, als je eerst maar

zegt wat de letter A is."

"A is een aapje, dat eet uit zijn poot," antwoordde Jack op een

vervelenden dreun.

"Zie je nu wel, Rustig; en zoo kent hij het geheele alphabet--is

't niet, Saar?"

"Dat kan hij, de zoete jongen,--kun je niet, Jaapjelief?"

"Nee!" antwoordde Jaapje.

"Ja, ja, je kunt 't wel, mijn hartje, je weet best wat de letter B

is. Weet je 't niet?"

"Jawel," antwoordde Jaapje.

"Daar nu, Rustig, je ziet wat de jongen al kent, en hoe gehoorzaam

hij is bovendien. Kom, Jaapjelief, zeg nu eens, wat is de letter B?"

"Nee ik wil niet," antwoordde Jaapje. "Ik moet nog meer suiker

hebben!" En Jaapje, die op een stoel geklommen was, ging nu met zijn

geheele lijf over tafel hangen om bij den pot te komen.

"Mijn hemel! Saar, houd hem tegen, hij zal den theepot nog

omgooien!" riep mevrouw Rustig. Saar pakte Jaapje beet om hem terug te

trekken, maar, op die tusschenkomst niet gesteld, draaide de bengel

zich om, zoodat hij met zijn rug op tafel kwam te liggen, en schopte

Saar in het gezicht, juist toen ze een tweede greep naar hem wilde

doen. Van den weeromstuit gleed Jaapje een eind over de gladde tafel

en kwam met zijn hoofd tegen de theepot terecht. Wel greep mevrouw er

schielijk naar, maar toch kreeg haar man een flinken scheut van het

kokende vocht over zijn beenen; zoodat hij opsprong en al stampvoetend

alles behalve wijsgeerig uitviel. Intusschen hadden Saar en mevrouw

Jaapje verwijderd en susten hem om het zeerst met zoete woordjes van

beklag. De pijn der brandwonden en de omstandigheid, dat men volstrekt

niet naar hem omzag, brachten meneer Rustig in een bui van woede. Hij

rukte Jaapje uit de armen der vrouwen, en in 't minst niet denkend

aan zijn gelijkheid en zijn rechten van den mensch, sloeg hij er

zonder genade op los. Saar vloog tusschenbeide en liep een veeg op,

die haar duizende sterretjes voor de oogen tooverde en over de vloer

deed tuimelen. Mevrouw kreeg 't op haar zenuwen en Jaapje zette een

keel op, dat men hem wel een kwartier ver kon hooren.

Hoe lang meneer Rustig aan 't ranselen gebleven zou zijn, valt

moeilijk te zeggen; maar de deur ging open, en toen de man onder

de strafoefening even opkeek, zag hij dokter Middleton in stomme

verbazing staan. Hij had beloofd op de thee te zullen komen, en zoo

noodig meneer Rustig een handje te helpen om mevrouw met diens plannen

te doen instemmen; maar blijkens vond hij, dat meneer bij het betoog,

dat hij op dit oogenblik hield, volstrekt geen hulp behoefde. Bij het

binnentreden van dokter Middleton werd Jaapje evenwel losgelaten en

bleef al schreeuwend op den grond liggen; ook Saar, mevrouw en de

theepot lagen over den vloer, en al was meneer overeind gebleven,

staan kon hij toch niet, maar sprong aanhoudend van het eene been op

het andere.

Nooit kwam een geneesheer beter van pas. Meneer Rustig was eerst

stellig van die meening, maar zijn beenen begonnen zoo hevig pijn te

doen, tot hij weldra tot andere gedachten kwam.

Zooals de hoffelijkheid meebracht, tilde dokter Middleton eerst

mevrouw van den grond en vlijde haar neer op de sofa. Saar sprong

overeind, greep Jaapje op en droeg den luid schreeuwenden, om zich

heen schoppenden bengel de kamer uit; voor welken bewezen dienst zij

verscheidene beten kreeg. De huisknecht, die den dokter aangediend

had, raapte den theepot op, als zijnde dat voorwerp het eenige waarmee

hij krachtens zijn betrekking te maken had. Meneer Rustig wierp zich

al hijgend en kreunend op een tweede sofa en dokter Middleton wist

letterlijk niet wat hij doen moest. Hij zag, dat meneer zijn hulp

noodig had en dat mevrouw die best kon missen; maar zich af te maken

van een dame die elk oogenblik dreigde te bezwijmen, was lang niet

gemakkelijk; want telkens als hij van haar vandaan wilde gaan, begon

zij vervaarlijk om zich heen te slaan en te gillen. Eindelijk gelukte

het den dokter een ruk aan den schel te geven, wat den huisknecht deed

verschijnen, die nu de meiden riep om mevrouw naar boven te dragen. Zoo

kreeg onze aesculaap ten laatste de handen vrij, om zich te bemoeien

met den eenigen patiënt, die werkelijk zijn hulp behoefde. Meneer

Rustig gaf met een paar woorden, telkens afgebroken door uitroepen van

pijn, opheldering van het voorgevallene en intusschen was de dokter

bezig hem de kousen uit te trekken. De behandeling van den geneesheer

gaf den gewonde spoedig leniging van pijn. Maar wat hem vrij wat meer

hinderde dan de brandwonden aan zijn beenen, was de omstandigheid,

dat dokter Middleton er getuige van was geweest, hoe hij inbreuk had

gemaakt op de gelijkheid en de rechten van den mensch. De geneesheer,

wien dit niet ontging, wist ook op deze wonde een pleister te leggen.

"Mijn waarde meneer Rustig, ik betreur zeer het ongeval, dat gij

aan de dwaze toegeeflijkheid van mevrouw tegenover den jongen te

danken hebt; maar toch doet het me genoegen, dat gij zulk een juist

begrip toont te hebben van Salomo's uitspraak: 'Wie de roede spaart,

bederft het kind.' Hiermede geeft de wijze koning te kennen, dat het

de plicht van een vader is zijn kinderen te kastijden, wat volstrekt

niet in tegenspraak komt met de rechten van den mensch of met eenige

natuurlijke gelijkheid, want de zoon is een deel des vaders, zoodat

deze eigenlijk slechts zichzelven kastijdt. Het bewijs daarvan

is hierin gelegen, dat een vader bij het bestraffen van zijn zoon

evenveel smart gevoelt alsof hij zelf de straf onderging. De geheele

zaak komt dus op zelfkastijding neer."

"Ik denk er precies zoo over," antwoordde meneer Rustig, blij dat de

dokter hem zoo netjes uit het nauw had geholpen. "Maar--morgen moet

hij op school, daar helpt niets aan."

"Dat zal hij aan mevrouw te danken hebben," hernam de dokter.

"Juist.--O dokter, mijn beenen beginnen weer zoo vreeselijk te gloeien

en te steken."

"Maar voortdurend nat houden met azijn en water, meneer, tot ik u een

zalfje zend, dat onmiddelijk verlichting zal schenken. Morgen kom ik

nog eens aan. A propos, een van de leerlingen van meneer Bonnycastle

is onder mijn behandeling; als ik er u genoegen mee kan doen, wil ik

uw zoon gaarne meenemen."

"O, dat zou me veel pleizier doen, dokter," antwoordde meneer Rustig.

"Welnu, mijn waarde, ik zal nog even naar boven gaan, om te zien hoe

't met mevrouw gesteld is, en morgen tegen tienen ben ik weer hier. Ik

heb dan een uur den tijd. Goedenavond meneer Rustig."

"Goedenavond, dokter."

De dokter moest nu nog mevrouw zien te winnen. Hij stelde het ongeval,

dat meneer getroffen had, veel erger voor dan het was, maakte grooten

ophef van diens verbolgenheid en raadde haar ten sterkste maar stil

te zwijgen, tot hij weer geheel tot bedaren zou zijn gekomen.

Tweede hoofdstuk.

Jaapje wordt op kostschool gelegd, waar hij een toontje lager

leert zingen.

Den volgenden dag hamerde dokter Middleton nog eens op hetzelfde

aanbeeld en in weerwil van Sara's weeklachten en de tranen van mevrouw,

die geen enkel woord in het midden durfde brengen, in weerwil van

den heftigen tegenstand van Jaapje zelf, die een soort van voorgevoel

scheen te hebben van wat hem boven het hoofd hing, werd onze held in

dokter Middleton's koetsje gestopt. Wel trapte hij onder de bedrijven

een ruit van het portierraampje in, maar de dokter, die den jongen

nu geheel in zijn macht had, wiesch hem daarvoor eens duchtig de

ooren. Zonder verder ongeval bereikte men weldra het huis van meneer

Bonnycastle, en Jaapje werd door den knecht van den dokter naar de

spreekkamer gedragen en in een stoel neergekwakt. Nauwelijks was de man

den bengel kwijt, of hij bekeek eerst zijn handen, die op verschillende

plaatsen bloedden, en wierp vervolgens met op elkaar geklemde tanden

en saamgeknepen lippen een blik op Jack, als wilde hij zeggen: "Als

ik maar dorst, dan zou ik je wel leeren!" Daarna verliet hij de kamer

en begaf zich weer naar de voordeur, waar hij zijn toegetakelde handen

aan den koetsier liet zien, die er van zijn bok een meewarigen blik op

wierp en volkomen instemde met de verontwaardiging van zijn kameraad.

Maar we moeten weer naar de spreekkamer. Dokter Middleton neusde in

een krant, terwijl Jack heel in elkaar gedoken op zijn stoel zat,

met zijn voeten op de bovenste sport, zoodat zijn neus bijna zijn

knieën raakte. Waarlijk een veelbelovend leerling, die Jack.

Meneer Bonnycastle trad binnen. Hij was een slank, flink gebouwd man,

van een gunstig voorkomen; bij zijn netjes gepoederd haar droeg hij een

deftig zwart pak, waartegen zijn keurig linnengoed helder afstak. Als

hij glimlachte, vertoonde zich een rij hagelwitte tanden en zijn

zachtblauwe oogen getuigden van de grootste welwillendheid. Dat was

eerst het ideaal van een onderwijzer, en onmogelijk kon iemand hem

aanzien en naar zijn zoet vleiende, aangename stem luisteren, zonder

al zijn zonen onder 's mans hoede te wenschen. Hij was een kundig en

degelijk man, aan wiens zorgen, op het oogenblik waarvan wij spreken,

meer dan honderd jongens waren toevertrouwd. Hij stond bekend als een

uitstekend opvoeder en velen van zijn leerlingen hadden het tot hooge

ambten en betrekkingen gebracht en zich daarin gunstig onderscheiden.

Dokter Middleton, die met meneer Bonnycastle op zeer vertrouwelijken

voet stond, rees bij diens binnentreden op en zij schudden elkaar de

hand. Middleton wendde zich vervolgens in de richting waar Jack zat en

met den vinger naar hem wijzende, zei hij: "Zie me dat daar nu eens."

Bonnycastle glimlachte. "Ik kan niet zeggen, dat ik er erger gehad

heb, maar toch wel van hetzelfde slag. Ik zal echter spoedig genoeg

wat leven brengen in dien vormeloozen klomp. Komaan, Middleton,

ga nu eens zitten."

"Maar Bonnycastle," zei de dokter, toen hij zijn plaats weer ingenomen

had, "je moest me toch eens zeggen, hoe het mogelijk is zoo'n bengel

in zijn fatsoen te krijgen, zonder de toevlucht te nemen tot de gard."

"Van het gebruik der gard verwacht ik niet de minste vrucht en daarom

pas ik ze ook niet toe. Ik heb zelf te Harrow school gelegen en was

toen een hachje. Evenals de meeste jongens werd ik nog al eens uit

de bank geroepen en ik herinner me zeer goed, dat ik spoedig om een

bestraffing met de gard niets gaf. Ik was er tegen gehard geraakt. Die

wijze van straffen laat niets achter, dat de herinnering er aan

levendig houdt."

"Dat had ik me geheel anders voorgesteld."

"Mijn waarde Middleton, met éénmaal den stok te gebruiken werk ik

meer uit dan door twintig bestraffingen met de gard. Ga maar eens

na, de gard treft alleen de minst gevoelige plek; maar de stok komt

overal neer, van het hoofd tot de voeten. Zoodra de eerste tinteling,

door de gard teweeggebracht, over is, volgt er een verdooving van het

gevoel in het getroffen lichaamsdeel, en de pijn heeft dan verder

niets te beteekenen; een flink pak met den stok daarentegen laat

hevige pijnen en kneuzingen achter op allerlei lichaamsdeelen, die

bij spierbewegingen dienst moeten doen. Na een kastijding met de gard

kan een jongen best meeravotten in de speeluren, maar na een duchtig

pak met den stok is 't heel wat anders; dagen lang kan hij geen lid

verroeren zonder door de pijn herinnerd te worden aan de straf, die

hij heeft ondergaan, en hij past wel degelijk op, dat hij niet voor

de tweede maal uit de bank wordt geroepen."

"Beste vriend, ik verkeerde werkelijk in de meening, dat ge uitermate

zachtzinnig waart," antwoordde Middleton lachend, "maar het doet me

pleizier, dat ik me vergist heb."

"Zie me daar nu zoo'n figuur eens zitten dokter, 't heeft meer van

een stom dier dan van een redelijk wezen; zoudt ge soms denken, dat

het ooit gelukken kon daar zonder krasse maatregelen eenig fatsoen

in te brengen? Laat ik u tevens zeggen, dat ik mijn stelregel als

verreweg de beste beschouw. Op sommige scholen zijn de straffen zoo

licht, dat de jongens er eenvoudig niets om geven; bij mij echter

mag elke bestraffing waarlijk dien naam dragen en het gevolg is,

dat het toepassen er van maar hoogst zelden noodig is."

"Gij brengt er dus den schrik in, Bonnycastle."

"De twee machtigste drijfveeren in ons zijn vrees en liefde. In theorie

is het veel mooier op de laatste te werken; maar in de praktijk

heb ik er nooit de gewenschte uitkomsten van gezien,--en dat ligt

eenvoudig hieraan, dat onze eigenliefde sterker is dan onze liefde

tot anderen. In de uitwerking van de vrees daarentegen heb ik me nog

nooit bedrogen, en alweer om dezelfde reden; immers door vrees werken

we op de eigenliefde en anders niet."

"Toch zijn er velen, die beweren dat lichaamsstraffen verlagend werken

en ze daarom van de scholen willen weren."

"Och dokter, er zijn zoo'n boel gekken in de wereld."

"Dat doet me denken aan den vader van dien jongen daar," hernam

dokter Middleton. En nu begon hij den opvoeder de dwaze denkbeelden

van meneer Rustig te ontwikkelen en de omstandigheden mee te deelen,

die tot het naar school zenden van Jack hadden geleid.

"Dan mag er geen oogenblik verzuimd worden, dokter. Ik moet dat

jongemensch geheel onder den duim hebben, eer zijn ouders hem komen

bezoeken. Reken er op, binnen een week zal hij zoo volgzaam zijn als

een lammetje."

Dokter Middleton nam nu afscheid van Jack en zei hem, dat hij maar

goed moest oppassen. Jack verroerde geen vin en gaf geen antwoord.

"Stoor u daar maar niet aan, dokter, als ge weer eens komt zal hij

wel beleefder wezen, reken daar gerust op." En de dokter vertrok.

Ofschoon meneer Bonnycastle streng was, ging hij toch steeds met

oordeel te werk. Op het bedrijven van een of ander kattekwaad volgde

slechts geringe straf, zooals in school blijven tijdens de speeluren

en dergelijke; ook kwam hij zelden tusschenbeiden als de jongens met

elkaar vochten, ofschoon hij er een stokje voor stak als er een den

baas wilde spelen. Waar het bij hem vooral op aankwam was attentie

bij het werk. Spoedig was hij er achter, waartoe zijn leerlingen in

staat waren; en naar die mate werden hun ook eischen gesteld; voor een

luiaard, die wel kon maar niet woû, kende hij geen genade. Het gevolg

er van was, dat hij de knapste jongens afleverde. Ook bleef hij in

de behandeling zijner leerlingen zoo gelijkmatig en onveranderlijk,

dat, al vreesden zij hem zoolang ze onder zijn toezicht stonden,

toch allen, die zijn onderricht genoten hadden, veel van hem hielden

en in hun later leven zijn vrienden bleven.

Meneer Bonnycastle zag terstond in, dat er met overreding bij onzen

held niets te beginnen zou zijn, en dat vrees het eenige middel was

om hem tot rede te brengen. Zoodra dus dokter Middleton de kamer

verlaten had, sprak hij hem op gebiedenden toon toe: "Wel, jongen,

hoe is je naam?"

Jack schrikte op; hij gluurde naar zijn meester, zag hoe diens oogen

strak op hem gericht waren, en begreep uit de geheele houding van

den man, dat er niet met hem te spotten viel. Jack was lang niet

gek en ook de kastijding, die zijn vader hem had toegediend, deed

hem wel een beetje huiveren voor hetgeen er komen zou. Dus vond hij

't geraden zich tot een antwoord te verwaardigen en zei met zijn

wijsvinger in den mond:

"Jaapie."

"En hoe heet je verder?"

Jack, die al berouw scheen te hebben over zijn inschikkelijkheid,

gaf eerst geen antwoord, maar keek meneer Bonnycastle weer even in het

gezicht en vervolgens de kamer rond: er was niemand die hem helpen kon,

en zelf wist hij ook geen raad, daarom antwoordde hij maar: "Rustig."

"Weet je, waarom je naar school bent gezonden?"

"Omdat ik vader gebrand heb."

"Neen, je bent hierheen gezonden om te leeren lezen en schrijven."

"Ik wil niet leeren lezen en schrijven," antwoordde Jack druilig.

"Dat zul je toch; en je begint nu maar eens dadelijk de letters op

te noemen."

Jack zei niets. Meneer Bonnycastle opende een soort van boekenkast

en gunde ons verbaasde Jaapje een kijkje op een reeks van stokken,

die evenals biljart-queues netjes op een rij stonden.

"Weet je waar die voor dienen?"

Met een benauwd gezicht tuurde Jack er naar; hij had een flauw besef,

dat hij er stellig nader kennis mee zou maken, maar antwoorden deed

hij niet.

"Ze dienen om kleine jongens te leeren lezen en schrijven, en nu zal

ik eens met dat onderricht beginnen. Je zult wel spoedig leeren. Kijk

eens hier," vervolgde meneer Bonnycastle terwijl hij een boek met

groote letters opensloeg en aan het begin van een hoofdstuk op een

letter wees van wel een halven duim groot.

"Zie je die letter?"

"Ja," antwoordde Jaapje, wendde zijn oogen af en wriemelde met zijn

vingers.

"Nu, dat is de letter B. Zie je 't? Kijk er nu goed naar, opdat je 't

straks ook weet. Dat is de letter B. Zeg me nu eens, welke letter is

't?"

Jack besloot nu koppig te wezen, en gaf geen antwoord.

"Je weet 't dus niet? Welnu, dan zullen we eens zien, wat een van

deze kleine vrienden er van weet te maken," zei meneer Bonnycastle

en kreeg een stok. "Let wel, Jaapje, dat is de letter B. Nu, hoe heet

die letter? Antwoord me onmiddellijk."

"Ik wil niet leeren lezen en schrijven."

Flap! kwam de stok neer op de schouders van Jaapje, die een luiden

schreeuw liet en ineenkromp van de pijn.

Meneer Bonnycastle wachtte een paar seconden. "Dat is de letter B. Zeg

me nu eens onmiddellijk, ventje, hoe heet die letter?"

"Ik zal 't aan ma zeggen!"--Flap!--"O jé! o jé!"

"Hoe heet die letter?"

Met open mond, hijgend en terwijl de tranen hem langs de wangen

biggelden, riep Jaapje nijdig uit. "Houd op! Ik zal 't aan Saar

zeggen!"

Flap! ging 't opnieuw en Jaapje gilde 't weer uit.

"Hoe heet die letter?"

"Ik zeg 't niet," griende Jaapje; "ik zeg 't niet--ik doe 't niet."

Flap--flap--flap! en daarop volgde een poos stilte. "Ik heb je

zooeven gezegd, dat 't de letter B is. Hoe heet nu die letter? Zeg

't zonder dralen."

Bij wijze van antwoord deed Jaapje een greep naar den stok. Au! daar

had hij 'm, welzeker, maar niet precies zooals hij 't gewild

had. Jaapje greep nu het boek en smeet het in een hoek van de

kamer. Flap, flap! Jaapje trachtte meneer Bonnycastle te bijten. Flap,

flap, flap, flap! en Jaapje viel op het vloerkleed en brulde van

de pijn. Meneer Bonnycastle liet hem toen een poos ongemoeid om hem

gelegenheid te geven weer op zijn verhaal te komen.

Toen eindelijk het gegil van Jaapje in een zacht snikken overgegaan

was, zei meneer Bonnycastle tot hem: "Je zult nu wel begrepen hebben,

Jaapje, dat het geraden is te doen wat ik je vraag, want dat er anders

klappen vallen. Kom, sta eens gauw op. Versta je me niet?"

Eer Jaapje het zelf wist, stond hij weer op zijn beenen.

"Zoo, dat is eerst een brave jongen; je ziet nu wel, dat je geen

slaag krijgt, als je maar doet wat ik je vraag. Komaan, Jaapje,

je moest het boek eens gaan oprapen, dat je daar ginds neergesmeten

hebt. Gauw hoor, breng 't onmiddellijk hier!"

Jaapje wierp een steelschen blik naar meneer Bonnycastle en naar den

stok. Al had hij ook nog zooveel lust om te weigeren, hij raapte het

boek op en lei het op tafel.

"Goed zoo, mijn jongen; nu zullen we de letter B eens opzoeken. Hier

is ze: wel, Jaapje, hoe heet die letter nu?"

Geen antwoord.

"Zeg 't me terstond," zei meneer Bonnycastle en hief den stok hoog

op. Die aanmaning was Jaapje te machtig. Hij gluurde angstig naar

den stok; ze kwam in beweging en daalde al. Buiten adem schreeuwde

hij haastig: "B!"

"Juist zoo, Jaapje, heel goed. De eerste les is nu afgeloopen, en je

gaat thans naar bed. Je hebt meer geleerd dan je zelf vermoedt. Morgen

beginnen we opnieuw. We zullen den stok nu maar wegzetten."

Meneer Bonnycastle schelde en gaf last, dat men den jongenheer Jack

naar bed zou brengen, en wel in een afzonderlijk kamertje. Avondeten

mocht hij niet hebben, want een beetje honger zou morgen het leeren

des te gemakkelijker maken. Alleen met pijn en honger kan men wilde

dieren temmen, en dezelfde middelen moeten toegepast worden tot

het onderdrukken van die hartstochten in den mensch, waardoor hij

aan een redeloos dier gelijk wordt. Jaapje werd naar bed gebracht,

ofschoon het pas zes uur was. Hij leed niet enkel pijn, maar ook

zijn hoofd was geheel in de war; en geen wonder, al zijn leven had

men hem zijn eigen zin laten volgen en tot op gisteren had hij nooit

eenige kastijding ondergaan. Na al de liefkoozingen van zijn moeder

en van Saar, die hij nooit naar waarde had weten te schatten--na het

dagelijksch zich volstoppen en maar dooreten tot hij er van begon

te walgen, zag hij zich nu ineens zonder moeder, zonder Saar, zonder

avondmaaltijd, overdekt met builen, en, wat nog het ergst van alles

was, zonder dat hij zijn eigen zin kon volgen.

Geen wonder dus dat Jaapje niet goed wist hoe hij 't had; ineens was

hij gedwee geworden en meneer Bonnycastle had volkomen gelijk, toen hij

tot hem zei, dat hij al meer geleerd had, dan hij zelf vermoedde. Wat

zou mevrouw Rustig wel gezegd hebben als ze alles geweten had--en

Saar? En meneer Rustig, met zijn rechten van den mensch? Terzelfder

tijd dat bij Jaapje het duiveltje der koppigheid uitgedreven werd,

zaten zij zich te troosten met het denkbeeld, dat er in elk geval

op de school van meneer Bonnycastle niet van de gard gebruik werd

gemaakt, en zij verloren geheel uit het oog, dat evengoed als men

een hond nog wel op een andere wijze van kant kan maken dan door

hem te verdrinken, er ook verschillende manieren bestaan om jongens

te kastijden. Gelukkig in hun onwetendheid, sliepen allen rustig in

zonder er in 't minst van te droomen, dat Jaapje al genoeg kennis had

opgedaan om een vrij voldoend begrip te hebben omtrent het geheim

van den stok. Wat Jaapje zelf betrof, hij schreide zich in slaap,

minstens zes uren vroeger dan zij.

Derde hoofdstuk.

Jack neemt de proef van zijns vaders grondbeginselen en komt

ten slotte dicht bij de waarheid.

Den volgenden morgen was Jack niet alleen erg pijnlijk, maar ook vrij

hongerig, en toen meneer Bonnycastle hem mededeelde, dat hem in plaats

van een ontbijt een vernieuwde kennismaking met den stok te wachten

stond, toonde Jaapje zich verstandig genoeg om het heele alphabet op te

zeggen. Hiervoor werd hij zeer geprezen, en al maakten de loftuitingen

weinig indruk op hem, in elk geval was hij er toch oneindig veel liever

van gediend dan van een dracht slagen. Meneer Bonnycastle zag in, dat

hij met één uur van gestrengheid op zijn pas den jongen volkomen onder

den duim had gekregen. Hij liet hem nu over aan de hulponderwijzers

zijner school en daar ook deze gerechtigd waren tot het toedienen van

een gevoelige aansporing, werd Jaapje al spoedig een handelbaar ventje.

Misschien denkt men dat zijn gemis thuis bijzonder sterk werd gevoeld,

maar dat was niet het geval. Vooreerst had dokter Middleton er

mevrouw Rustig nadrukkelijk op gewezen, dat op school de gard niet

werd gebruikt, terwijl er alle kans bestond dat de bestraffing,

die de jongen van zijn vader had ondergaan, nog wel eens zou

herhaald worden--en in de tweede plaats, al meende mevrouw eerst,

dat zij de scheiding van haar lieveling nooit zou kunnen overleven,

spoedig begreep ze toch, dat zij zonder hem vrij wat gelukkiger

was. Een bedorven kind is altijd een bron van kommer en verdriet,

en na Jaapje's vertrek genoot mama eerst de rust en de kalmte,

waarop zij zoo bijzonder gesteld was. Langzamerhand ontwende zij

van hem, en tevreden met nu en dan een bezoek aan de kostschool en

met de rapporten van dokter Middleton, was zij er ten slotte geheel

mee verzoend, dat de jongen school lag en enkel in de vacantie thuis

kwam. Jack maakte groote vorderingen; hij had heel veel aanleg en als

zijn vader den dokter ontmoette, wreef hij in de handen en zei: "Ja,

laat ze hem nog maar een jaartje of twee houden, dan zal ik er zelf

wel de laatste hand aan leggen." Elke vacantie had hij gepoogd Jaapje

de gelijke rechten van den mensch in te prenten. De jongen scheen erg

weinig te letten op vaders betoogen, maar gaf toch duidelijk blijk,

dat al die wijsheid niet geheel aan hem verspild was, want zonder

vragen eigende hij zich alles toe waar hij lust in had. Onder deze

manier van opvoeden bereikte onze held zijn veertiende jaar en was toen

een flinke, ferme jongen en lang niet op zijn mondje gevallen--ja als

't er op aan kwam, kon hij zelfs zijn vader van z'n stoel praten.

In niets had meneer Rustig zooveel plezier als in Jack's

welbespraaktheid. "Goed zoo, mijn jongen, altijd maar redeneeren

en de zaken duidelijk uiteenzetten," zei hij gewoonlijk, als Jack

met zijn moeder aan het redetwisten was. En in zijn handen wrijvend

keerde hij zich dan tot den dokter met de opmerking: "Let eens op,

Jack zal nog een groot man worden, een zeer groot man." Meestal riep

hij dan Jack bij zich en gaf hem een goudstuk voor zijn knapheid,

zoodat zoonlief weldra zelden een gelegenheid liet ontglippen om

aan 't redeneeren te slaan. Tegenover meneer Bonnycastle hield hij

zijn praatjes stilletjes voor zich, want hij wist maar al te goed,

dat diens bewijsgronden hem te sterk waren. Wel echter redetwistte

hij met al de jongens, wat gewoonlijk op een kloppartij uitdraaide;

soms zelfs nam hij het op tegen de hulponderwijzers.

Toen nu de groote zomervacantie aanbrak, had Jack zijn hoofd vol

van allerlei betoogen en liet er zich niet weinig op voorstaan. Hij

wist alles zoo haarfijn te beredeneeren en spon alles zoo breed uit,

dat men ten slotte geheel van de wijs raakte en er eigenlijk niets

meer van begreep.

Eens was Jack in de rivier gaan visschen, maar een heele morgen was

voorbijgegaan en nog had hij niets gevangen. Daar viel zijn oog op den

grooten vijver, die hem voorkwam nog al goed voorzien te zijn. Hij klom

zonder complimenten over de heining van het buiten en lag zijn hengel

in den vijver. Toen hij al verscheiden mooie visschen opgehaald had,

werd hij aangeklampt door den eigenaar, die een paar parkopzichters

bij zich had.

"Mag ik uw naam ook weten, jongeheer?" vroeg de eigenaar aan Jack.

Nu moet gezegd worden, dat Jack altijd even hoffelijk en beleefd

was. Hij antwoordde dan ook:

"Met genoegen, meneer; ik heet Rustig, om u te dienen."

"Gij schijnt 't nog al luchtigjes op te nemen," hernam het heerschap;

"maar gij zult toch zeker wel begrijpen, dat ge u aan een overtreding

schuldig maakt?"

"Over dat woord overtreding", antwoordde Jack, "valt heel wat te

redeneeren, meneer. Vooreerst wordt 't gewoonlijk als een overtreding

beschouwd, als iemand zonder verlof op een anders land of erf

komt. Maar nu vraag ik u toch, meneer, is niet de aarde voor allen

geschapen? Heeft een enkel bewoner er van, desnoods in vereeniging

met anderen, wel het recht een gedeelte als zijn uitsluitend eigendom

aan te merken? Me dunkt, ik stel de vraag nog al duidelijk. Laten we

er nu eens over gaan redeneeren."

De heer, door wien Jack aangesproken was, had wel eens over meneer

Rustig en diens liefhebberij in het betoogen hooren praten; hij was

een luimig man, die veel meer hield van lachen dan van zich boos te

maken, en bovendien vond hij het noodig Jack te doen inzien, dat zijn

begrippen onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar waren.

"Maar, meneer Rustig, aangenomen al dat het betreden van mijn grond

verschoonbaar is, dan zult ge toch niet willen beweren, dat gij

recht hebt mijn visschen te vangen; ik heb ze gekocht, ze in den

vijver gepoot en vervolgens steeds voedsel gegeven. Gij kunt toch

niet ontkennen, dat die beesten mijn bijzonder eigendom zijn en dat

het wegnemen er van diefstal is?"

"Daar valt nog heel wat op aan te merken, mijn waarde heer," hernam

Jack; "maar--met uw verlof, ik heb juist beet." Jack sloeg "en fermen

karper op, tot groote ergernis van de opzichters en tot vermaak van hun

meester. Hij deed den visch van den angel, wierp hem in zijn mandje,

vernieuwde doodbedaard het aas, en hervatte, terwijl hij weer inlei,

het gesprek.

"Zooals ik u deed opmerken, mijn waarde heer, is dat voor heel wat

weerlegging vatbaar. Alle schepselen der aarde werden den mensch

gegeven tot zijn gebruik--met mensch wordt bedoeld de menschheid.--Ook

het water is een gave des hemels en tot aller gebruik bestemd. Nu

komen we tot de vraag, in hoe ver de visschen uw eigendom zijn. Als

de visschen alleen voortteelden om u plezier te doen en u hun kroost

ten geschenke te geven, dan zou 't een heel ander geval zijn; maar

nu dat zoo niet is, betwijfel ik zeer of gij kunt bewijzen, dat die

visschen u meer toebehooren dan mij. Bovendien--maar daar heb ik weer

beet--met uw verlof, meneer--ai, hij gaat er van door.--

"Dus zijt gij van meening, dat de wereld en al wat zij bevat voor

allen geschapen is?"

"Juist, meneer; zoo denkt mijn vader er over, en die is een groot

wijsgeer."

"Maar waaruit verklaart uw vader dan, dat sommigen eigendommen bezitten

en anderen weer niet?"

"Daaruit, dat de sterkeren de zwakkeren hebben beroofd."

"Maar zou dat riet altijd het geval zijn, ook al konden we allen

gelijke aanspraken doen gelden, zooals gij vooronderstelt? Laten we

bijvoorbeeld eens aannemen dat twee menschen jacht maken op hetzelfde

dier en het beiden te gelijker tijd machtig worden, zal dan niet de

sterkste er mee naar huis gaan?"

"Dat stem ik toe, meneer?"

"Nu, waar blijft ge dan met uw gelijkheid?"

"Daaruit volgt nog niet, dat het de bedoeling niet is geweest de

menschen gelijk te doen wezen; het bewijst enkel dat ze het niet

zijn. Ook vervalt daarmede niet de bewering dat alles tot aller nut

is geschapen, maar het toont alleen dat de sterke tegenover den zwakke

zijn meerdere kracht doet gelden, wat zeer natuurlijk is."

"Ei zoo, gij vindt dat dus zeer natuurlijk. Nu, meneer Rustig, ik

bemerk tot mijn genoegen dat we het volkomen eens zijn, en we zullen

dat wel blijven, vertrouw ik. Vergeet niet op te merken, dat ik en mijn

twee opzichters er drie zijn, wij vormen dus de sterke partij in dit

geval, en al nemen we nu uw stelling aan, dat de visschen evengoed u

als mij toebehooren, toch maak ik nu gebruik van mijn meerdere kracht

om opnieuw in het bezit er van te komen, wat, zooals gijzelf zegt,

zeer natuurlijk is.--Jakob, pak die visschen op."

"Met uw verlof." viel Jack hem in de rede, "laten we dat eerst eens

beredeneeren."--

"Volstrekt niet; ik zal handelen volgens uw eigen stelregels--de

visschen heb ik, maar ik verlang nog meer--die hengelroe is evengoed

van mij als van u, en daar ik de sterkste ben eigen ik ze mij

toe. Jakob, Willem, neem die hengelroe,--ze behoort ons."

"U zult me toch eerst wel de opmerking veroorloven," hernam Jack,

"dat, al heb ik mijn meening te kennen gegeven, dat de aarde en

de daarop levende dieren voor ons allen geschapen zijn, ik toch

volstrekt niet beweerd heb, dat niet wat iemand zelf vervaardigt,

zijn deugdelijk eigendom is."

"Met uw verlof; de boom, waarvan gij die hengelroe gesneden hebt,

was voor ons allen bestemd, en als gij goed gevonden hebt er een

hengelroe van te maken, kan ik dat evenmin helpen als dat ik de

visschen gevoed heb in de ondersteling dat ze mij toebehoorden. Daar

alles gemeengoed is en het niet meer dan natuurlijk is dat de sterke

van zijn kracht gebruik maakt tegenover den zwakke, moet ik me die

hengelroe toeëigenen, tot ze me weer door een sterkere afhandig wordt

gemaakt. Bovendien zal ik als de sterkere partij en als bezitter van

dit land, dat volgens u niet meer aan mij dan aan u behoort, mijn

opzichters last geven u van mijn grondgebied te verwijderen. Jakob,

neem die hengelroe en zet meneer Rustig eventjes over de heining. Dag,

meneer Rustig, goedenmorgen?"

"Meneer, ik vraag u wel verschooning, maar gij hebt al mijn

bewijsgronden nog niet aangehoord," begon Jack weer, die het volstrekt

niet eens was met de gemaakte gevolgtrekkingen.

"Ik heb geen tijd om nog langer naar u te luisteren, meneer Rustig;

goedenmorgen." En de eigenaar vertrok en liet Jack in gezelschap van

de twee opzichters achter.

"Ik zal je moeten lastig vallen om die hengelroe, heerschap, zei

Willem. Jakob was intusschen druk bezig met de visschen een eind bies

onder de kiewen door te halen.

"In elk geval zult gij toch naar rede hooren," zei Jack. "Ik kan

u bewijzen...."

"Nog nooit heb ik een goed bewijs gehoord, dat het stroopen geoorloofd

is," viel de opzichter hem in de rede.

"Je bent een onbeschaamde vlerk," antwoordde Jack. "Door zulk slag van

volk als jullie te betalen, zijn sommige menschen in staat allerlei

ongerechtigheid te bedrijven."

"Door ons te betalen weert men de stroopers--en al is er verschooning

te vinden voor een armen drommel zonder werk, voor jou, die nog wel

een heer wilt wezen, stellig niet."

"Als we op zijn eigen praatjes afgaan, is hij geen steek meer dan wij."

"Zwijg, kerel, ik zal me niet vernederen tegen jou te redeneeren;

als ik dat wou, kon ik je gemakkelijk bewijzen, dat jullie een paar

laaghartige slaven bent, die evenveel recht hebt op dit landgoed als

je meester of ik."

"Als jij, dat wil ik waarachtig wel gelooven."

"Ja, als ik, vlegel; deze vijver en de visschen er in behooren

evengoed aan mij als aan je meester, die ze zich wederrechtelijk

beeft toegeëigend."

"Wel, Jacob, wat zou je er van denken, als we dien jongenheer eens

in het bezit stelden van zijn eigendom?" zei Willem met een knipoogje

tot zijn kameraad.

Willem begreep den wenk en eensklaps werd Jack bij armen en beenen

opgegrepen en in den vijver gesmeten. Na een flinke onderdompeling

kwam hij weer boven en wist al snuivend en proestend weer naar den

kant te scharrelen.

Intusschen verwijderden zich de opzichters onder luid gelach over

de poets, die zij onzen held gespeeld hadden. Hengelroe, visch en

blikken pierenbak namen ze mee.

"Er moet toch zeker," dacht Jack, "aan die wijsbegeerte van vader iets

niet in den haak zijn, of anders is de wereld al erg verdorven. Ik

zal er eens met hem over spreken."

Het antwoord, dat Jack op zijn vraag kreeg, luidde aldus:

"Ik heb je vroeger al eens gezegd, dat de groote waarheden nog niet

genoeg ingang hebben gevonden; maar daaruit volgt volstrekt niet

dat ze minder deugdelijk zijn. We leven in de ijzeren eeuw, waarin

macht voor recht wordt gehouden, maar er zal een tijd komen dat mijne

stellingen worden erkend, en dan zal je vaders naam beroemder worden

dan die van eenig wijsgeer der oudheid. Denk er om, Jack, al heb je

bij de bestrijding van het verkeerde en het verdedigen der rechten

van den mensch nog zooveel te lijden, toch moet je volharden in je

plicht, en nooit het pleit gewonnen geven."

"Dat nooit," antwoordde Jack; "maar als ik weer eens aan 't betoogen

ga, zal ik zien de macht op mijn zijde te krijgen en liefst een plek

uitzoeken, wat minder dicht bij een vijver."

"Mij dunkt toch," zei mevrouw Rustig, die stil toegeluisterd had,

"dat Jack maar liever in de rivier moest gaan visschen; al vangt hij

er weinig, in elk geval zal hij dan niet in het water geworpen worden

en op die manier zijn kleeren bederven."

Maar mevrouw Rustig was geen wijsgeer.

Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen

kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het

oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht

de lekkerste appels uit en ging zitten eten.

"Heila mannetje, wat doe je daar?" riep een barsche stem.

Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.

"Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien," antwoordde Jack;

"ik ben aan 't appels eten--zal ik er u ook een paar toegooien?"

"Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter,

maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig

mee bent?"

"Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend."

"Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik

raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Als je beneden,

bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je

deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van

zijn dikken stok."

Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.

"Mijn beste man," zei hij, "'t is bepaald een vooroordeel van u,

te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van

ons allen gegeven zijn--ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch."

Jack Rustig · 第 1 / 20 段