Deze schetsen zijn van verschillenden aard.
Het eerste gedeelte ervan is gewijd aan de mysterie der Natuur van den
Nederlandsch-Indischen archipel, zooals zij door devoot geloovende
menschenkinderen is saamgeweven met hun godsdienst en met
overleveringen over voorvaderen en onzichtbare wezens. Dat geloof is
het eigen animisme, beïnvloed door de Hindoe’s, die reeds in de eerste
eeuwen onzer jaartelling immigreerden; en sedert enkele eeuwen werkt
vooral de Islam in en doet het warmgetinte beeld door een nivelleerende
deklaag langzamerhand verdwijnen. Het laagje is nog dun en op de meeste
plaatsen doorzichtig, maar het werk wordt meedoogenloos voortgezet.
De legendarische verhalen worden gegeven met den ernst, waarmede zij
als geschiedenis of wetenschap worden aanvaard door de plaatselijke
inheemsche bevolking.
In het tweede gedeelte worden verschillende gebeurtenissen geschetst,
welke zich afspeelden in diepe binnenlanden en eenzame uithoeken. Ook
worden schetsen gegeven van enkele merkwaardige wilde dieren, zooals de
mensch hen kan leeren kennen.
Aan den rand van het oerwoud is de plaats van handeling van bijna alle
deze schetsen; waar de brave, gave natuurmenschen wonen en waar zij de
buren zijn van de dieren der wildernis.
Ook de meeste dieren leven daar, en niet in het diepst van het oerwoud.
Niet dáár, waar de galmende argusfazant voor eeuwig moet verblijven, de
ondankbare, op wien de vloek rust van den rossen boeboet, den
spoorkoekoek, die hem de prachtige sieroogen had geschilderd op de
lange staart, maar die beloond werd met sirih-spog, waarvan zijn veeren
nòg de kleur dragen.
Het meeste leven is aan den bosch-zoom, waar de mensch geleidelijk
voortschrijdt, hakkend en kappend aan de grootheid der woudreuzen om
den vruchtbaren humusbodem te kunnen ontginnen, en waar telkens een
gedeelte der eens bewerkte gronden weer verwildert, waardoor dichte
opslag ontstaat van jong hout en van planten, een dorado voor allerlei
dieren. Daar zijn, naast het gedempte licht en de koelte der bosschen,
de open hemel en de felle zonnebrand op de bouwvelden der menschen, en
alles wat voedsel zoekt komt er saam.
Met het oerwoud, de rimba, zijn in het bijzonder bedoeld de ongerepte
bosschen op Sumatra.
Hier vooral, op dit eiland met zijn ontzagwekkende vulkanen en
ravijnen, zijn droomende kratermeren en woeste rivieren, is het de
Loerende Verschrikking, die alles beheerscht in de mystiek der
wildernis. HIJ, wiens naam men in het oerwoud nimmer noemt, met het
felle oog en den nooit missenden klauw, die in den
bliksemsnel-suizenden aanval een flitsende lichtschijn is van geel en
grauw.
Hier ook breken de Grooten van het woud op hun eindelooze zwerftochten
nieuwe wegen in de bosschen, met klaroengeschal en daverend geweld.
Uitdrukkelijk wordt verklaard, dat de beschreven gebeurtenissen en
feiten—ernst en luim—geen verdichtsels zijn; slechts in enkele schetsen
zijn de namen van personen of plaatsen veranderd. Te goed ben ik mij
bewust, dat de waarheid van het geschetste de eenige werkelijke waarde
ervan zal kunnen uitmaken.
De teekeningen in dit boek zijn van de hand van den beeldhouwer L. S.
W. van der Noordaa, de omslag is geteekend door mijn zoon.
Wassenaar, Februari 1927.