Dit boek heeft een voorgeschiedenis. Indertijd was ik (van 1958-1969)
predikant van de Schotse kerk te Tiberias, Israël. Met inspanning had
ik me de taal van het land, modern Hebreeuws (ook wel Ivriet genoemd),
eigen gemaakt. Vaak werd ik door een kiboets uitgenodigd om op vrijdagavond
(het begin van de sabbat) een lezing te houden. Op mijn inleiding placht er
immer een levendige discussie te komen.
In die tijd trok het toneelstuk van Rolf Hochhuth, der Stellvertreter
("de plaatsbekleder") sterk de aandacht: het stelde de houding van paus
Pius XII ten opzichte van de Jodenvervolgingen tijdens de tweede wereldoorlog
aan de orde. Hochhuth maakte de tongen los. Een Zwitserse predikant die toen
in Israël woonde schreef: "Er was (ten tijde van de tweede wereldoorlog) een
volledige en vreselijke stilte van de kant van de Kerk" (Jerusalem Post,
17 sept. 1963). Ook de toenmalige voorzitter van het Israëlische parlement,
Kadish Luz, deed een soortgelijke uitspraak (zitting van het parlement,
21 april 1963).
Nu kan men dergelijke uitspraken wel begrijpen, want in de loop der eeuwen
hebben christenen niet zelden actief deelgenomen aan Jodenvervolgingen. Van
daaruit bezien is het te begrijpen dat men meende: "Van de Kerken hadden we
niets goeds te verwachten en kwam ook niets goeds tijdens Hitlers vervolgingen".
Zo werd het ook telkens gesteld in de discussie na mijn lezing (over een heel
ander onderwerp, toen nog) in een kiboets.
Nu stond me helder voor de geest dat protesten tegen de Jodenvervolging wel
degelijk geklonken hadden vanaf de kansel van de kerk in het dorp waar ik tijdens
de tweede wereldoorlog woonde. Ze hadden toen grote indruk op me gemaakt.
Die protesten ging ik opzoeken; dat was niet moeilijk, want het onvolprezen
instituut Yad Vashem in Jeruzalem beschikt over de standaardwerken geschreven
door Touw en Delleman.[0.1] Ook van de Lutherse Kerk in Denemarken vond ik
een krachtig protest. Dit - samen met de belangrijkste Nederlandse protesten -
heb ik toen gepubliceerd in een brochure "Hebben de Kerken gezwegen?", die
verscheen in het Nederlands (1964) en in het Ivriet. De laatste ben ik gaan
aanbieden aan de heer Kadish Luz die in een kiboets dichtbij Tiberias woonde.
<11>
Deze ontving me vriendelijk en beloofde de brochure te zullen lezen. Niet zo
lang daarna is hij overleden. Ik heb geen reactie op mijn brochure meer van
hem ontvangen, had daar ook niet uitdrukkelijk om gevraagd.
Intussen was mijn belangstelling gewekt en bleef ik regelmatig naar Jeruzalem
gaan om meer materiaal te zoeken. Wat ik daar en elders vond, was veel meer
dan verwacht. Op Yad Vashem volgde men mijn project met belangstelling en niet
zelden kreeg ik krachtige hulp. Zo bestonden er belangrijke protesten van de
Bulgaarse (Oosters-Orthodoxe) metropoliet; ik ken geen Bulgaars, maar een
bevriende relatie bij Yad Vashem vertaalde de documenten voor me in het Ivriet,
waarna ik ze vertaalde in het Engels, want in die taal wilde ik publiceren.
In die tijd werden we eens geconfronteerd met een wel zeer optimistische kijk
op de houding van de Nederlanders: een gefortuneerde Amerikaan wilde in Israël
een bos planten ter ere van het Nederlandse volk en deszelfs heldhaftige daden,
verricht ten behoeve van de Joden. Bij Yad Vashem vroeg men mijn mening en dit
heeft ertoe bijgedragen dat het plan niet doorging; het zou meer eer zijn
geweest dan ons volk toekwam.
Eind 1969 werd het resultaat van mijn onderzoek gepubliceerd: The Grey Book.[0.2]
Het is niet meer verkrijgbaar, (zie Gutenberg eText nr 14764) maar een artikel van
mijn hand over hetzelfde onderwerp is opgenomen in de Encyclopaedia Judaica. [0.3]
Die is te vinden in bijna iedere grotere bibliotheek.
Nu, bijna twintig jaar later, ben ik ertoe gekomen om speciaal de houding van
de Nederlandse Kerken nader te onderzoeken. Ook de Rooms-Katholieke Kerk is
in dit onderzoek betrokken; toch ligt er een extra accent op de Gereformeerde
Kerken in Nederland. Ten eerste omdat ik van die kerken lid ben en hun houding
dus van binnenuit kan beoordelen; ten tweede omdat men zich dient te beperken.
Zo heb ik bijvoorbeeld de besluitvorming zoals die in de Gereformeerde Kerken
plaatsvond, nauwkeuriger nagegaan dan bij de Hervormde en de Rooms-Katholieke
Kerk. En dan zijn de kleinere kerken nog niet eens genoemd. Er blijft nog heel
wat te onderzoeken.
De naam Seyss-Inquart - in de ondertitel - staat voor alles wat er van Duitse
kant aan geweld en onderdrukking is bedreven tijdens de tweede wereldoorlog,
met name jegens de Joden.
<12>
Terecht hebben de kerken, toen Seyss-Inquart de verantwoordelijkheid op een
ondergeschikte wilde afschuiven, verklaard dat zij "Uwe Excellentie beschouwen
als de verantwoordelijke voor alles wat in ons land gedurende de bezettingsjaren
geschied is en nog geschiedt".
Het eerste gedeelte bevat de protesten, en de inhoud van herderlijke brieven,
die betrekking hadden op de Jodenvervolging. Alleen en passant is genoemd het
(blijven) toelaten van Joodse kinderen op christelijke scholen: soms ging het
verzet tegen de Duitse maatregelen hier direct van kerken uit, soms liep het
via de schoolbesturen.
De hoofdstukken 2 tot en met 9 geven allereerst een beschrijving van de situatie
in de periode die aan de orde is. Drie aspecten worden weergegeven.
Allereerst het verloop van oorlog en bezetting. Voor of na de Duitse nederlaag
bij Stalingrad, dat betekende nogal wat!
Daarop volgt een aantal fragmenten uit een dagboek - van mijn zuster, Maria
Snoek -, die bedoelen een indruk te geven van het dagelijks leven in die tijd.
Er waren immers zoveel andere dingen die een mens in beslag namen. Deze
fragmenten zijn steeds in inspringende, cursieve tekst weergegeven.
Ten derde wordt, uiterst summier, een overzicht van de anti-Joodse maatregelen
in de betreffende periode gegeven. Kennisname van de werken van Herzberg, Presser
en L. de Jong [0.4] wordt verondersteld. Hier gaat het alleen om de herinnering:
"toen gebeurde er dat".
In het tweede gedeelte van dit boek gaat het niet meer om het woord van het protest,
maar om de daad van de hulp aan onderduikers.
In het derde gedeelte komen enkele punten aan de orde ten aanzien van de houding
van de kerken - en de christenen - tijdens de tweede wereldoorlog, die nu volop
in discussie zijn. Geschiedenis is immers (men durft de veelgehoorde uitspraak
bijna niet meer te gebruiken) een discussie zonder einde.
Nu ben ik geen vakhistoricus en dat besef ik - al heb ik er uiteraard naar
gestreefd het noodzakelijke "huiswerk" nauwgezet te verrichten. In zekere zin
van de nood een deugd makend, waag ik het te doen wat een "professional" niet
zou doen (maar juist "professionals" hebben me dit wel aangeraden): af en toe
zal ik een persoonlijke ervaring uit die tijd vermelden. Allereerst in de hoop
dat dit het geheel des te leesbaarder zal maken. Maar ook is het de bedoeling,
de eigen betrokkenheid aan te geven, me in zekere zin in de kaart te laten kijken".
<13>
Geen mens kan volledig afstand nemen van het door hem te behandelen onderwerp;
dat lijkt me ook niet nodig, zelfs niet gewenst. Maar wel is het nuttig om te
proberen, de aard van de eigen betrokkenheid te onderkennen. Zonder enige
zelfkennis in dit opzicht loopt men des te meer gevaar zich een karikatuurbeeld
- in positieve dan wel negatieve zin - te vormen en dat door te geven. Terwijl
het streven gericht dient te zijn op verheldering en een zo zuiver mogelijk
weergeven van de feiten.
Voor mij leidde de eigen betrokkenheid tot het inzicht: er was - in de houding
van de kerken - misère, maar er was ook grandeur; er was grandeur, maar er was
ook misère. Je mag het een niet wegstrepen tegen het ander. Omdat schrijver
dezes in de oorlogsjaren pas goed de misère van de kerk ontdekte, heeft hij
op het punt gestaan kerk en geloof vaarwel te zeggen. Maar het tijdens de
kerkdienst voorlezen van de protesten tegen de Jodenvervolging was een factor
die hem geholpen heeft, toch nog heil in de kerk te blijven zien, en te vinden.
Nog een paar praktische gegevens.
De spelling van de documenten heb ik aangepast aan de tegenwoordige.
Het noten-apparaat is met opzet beperkt gehouden: het dient bijna uitsluitend
om aan te geven waar bepaalde gegevens vandaan kwamen. Wie daar niet in
geïnteresseerd is, kan de noten ongelezen laten.
De teksten van alle door de kerken gemeenschappelijk uitgevaardigde protesten
zijn te vinden zowel bij Touw als bij Delleman, terwijl men de herderlijke
brieven van de bisschoppen bij Stokman [0.5?] aantreft. Ik vond het daarom
overbodig, de vindplaatsen nog eens via noten te vermelden.
Bij auteurs van wie slechts uit één werk geciteerd wordt volsta ik - na de
eerste maal in de noot zowel auteur als titel genoemd te hebben - met
vermelding van auteursnaam en pagina. Van de Jong en Buskes is een enkele
maal uit een tweede werk geciteerd en dit wordt dan in een noot vermeld;
maar voor het overige betekent de Jong: L. de Jong, Het Koninkrijk der
Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Populaire editie); Buskes betekent
(tenzij anders vermeld): J.J. Buskes, Waar stond de Kerk?
<14>
Het was een voorrecht om bij het schrijven van dit boek hulp te ontvangen.
Mijn waardering en dank gaan allereerst - in chronologische volgorde - uit
naar prof. dr. J. van den Berg, kerkhistoricus te Leiden, en prof. dr. J.C.J. Blom,
historicus te Amsterdam, die me met name bij de start waardevol advies gegeven hebben.
Drs. J. Ridderbos Nic. zn. te Zwolle was zo vriendelijk het hele manuscript te
willen lezen; drs. G.C. Hovingh te Biddinghuizen en drs. M.J.H.M. van Rooij
te Utrecht lazen gedeelten. Hun suggesties heb ik bijna steeds ter harte genomen.
Aan hen allen, maar in het bijzonder aan collega Ridderbos, ben ik veel dank
verschuldigd. Het spreekt vanzelf dat de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat
op mij blijft rusten.
Bovendien stel ik er prijs op, mijn dank en waardering te uiten jegens de
instanties, die toestemming gaven tot raadpleging van de archieven (zie de lijst
achterin). Sommige hebben daarenboven belangrijke hulp verleend door foto's te
verstrekken. Met name wil ik hier noemen:
de Commissie voor de Archieven van de Nederlandse Hervormde Kerk te Leidschendam,
de Archiefdienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Leusden; het archief
van het Aartsbisdom Utrecht; het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands
Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam.