LANCELOT _en_ JESSICA _komen op._

LANCELOT:

Ja zeker; want, zie eens hier, de zonden van den vader zullen

bezocht worden aan de kinderen; daarom ben ik voor u bezorgd dat

beloof ik u. Ik ben altijd open tegen u geweest, en daarom zeg ik

nu mijn diner[53] over de zaak: leef er dus maar vroolijk op los,

want, waarachtig, ik geloof dat u verdoemd is. Met dat al is er toch

maar één hoop die u 'n beetje goed kan doen, en dat is toch ook maar

een soort bastaard-hoop.

JESSICA:

En wat is dat dan voor een hoop, ik bid je?

LANCELOT:

Wat drommekater, dat is een klein hoopje dat uw vader u niet in de

wereld heeft gebracht, dat u de dochter van den Jood niet is.

JESSICA:

Ja, dat zou met recht een soort bastaard-hoop zijn: dan zouden de

zonden van mijn moeder aan mij bezocht worden.

LANCELOT:

Neen maar, dan vrees ik dat u net zoo goed van vaders- als van

moederskant verdoemd is: zoodoende verval ik, als ik Scylla, uw

vader, vermijd, in Charybdis, uw moeder;[54] nu, op allebei de

manieren is 't met u gedaan.

JESSICA:

Ik zal gered worden door mijn man; hij heeft een Christin van mij

gemaakt.

LANCELOT:

O zeker, maar des te meer valt hem te verwijten: er waren vroeger al

Christenen genoeg; genoeg om de-n-een met den ander behoorlijk te

kunnen leven. Maar zulk Christenen-maken zal de varkensprijzen in

de hoogte jagen! Als we allemaal varkensvleesch-eters worden, zullen

we al heel gauw voor geen geld meer een reep spek op 't vuur kunnen

krijgen.

JESSICA:

Ik zal mijn man vertellen wat je zegt, Lancelot; daar komt hij aan.

LORENZO _komt op._

Ik zal binnenkort jaloersch op je worden, Lancelot, als je mijn

vrouw zoo in de hoekjes trekt.

JESSICA:

Neen, je behoeft niet bang te zijn voor ons, Lorenzo. Lancelot en

ik liggen met elkaar overhoop. Hij vertelt me platweg dat er voor

mij geen genade in den hemel is, omdat ik de dochter ben van een

Jood, en hij zegt ook dat gij geen goed lid van de maatschappij

zijt, want door Joden tot Christenen te bekeeren, verhoogt ge den

prijs van 't varkensvleesch.

LORENZO:

Ik zal dat beter verantwoorden voor de maatschappij, dan jij dat de

verhooging van dien negerinnebuik kunt doen: het zwartje moet een

kind van je krijgen, Lancelot.

LANCELOT:

Het zou wel wat kras wezen, als zoo'n negerdeern me veel kon deren,

en als ze minder was dan een eerlijke vrouw, dan heb ik meer van

haar gemaakt door mijn bezoek.

LORENZO:

Elke dwaas kan toch maar woordspelingen maken! Ik geloof dat

binnenkort de beste aanbeveling voor geestigheid het zwijgen zal

zijn, en dat spreken alleen in papegaaien zal geprezen worden.--Ga

naar binnen, sinjeur: zeg dat ze zich klaarmaken voor 't eten.

LANCELOT:

Dat is al gebeurd, Meneer; ze hebben allemaal magen.

LORENZO:

Goeie Genade, wat ben jij een uientapper! Zeg dan dat ze 't eten

klaarzetten.

LANCELOT:

Dat is ook gebeurd, Meneer; alleen, het woord is "dekken."

LORENZO:

Wil jij dan dekken, Meneer?

LANCELOT:

O nee, Meneer, volstrekt niet; daar ben ik veel te netjes voor.

LORENZO:

Nog al meer woordverdraaien voor de gelegenheid? Wil je op één

oogenblik den ganschen schat van je geestigheid laten zien? Begrijp

asjeblieft een eenvoudig man in zijn eenvoudige bedoeling: ga naar

je kornuiten, zeg dat ze de tafel dekken, het eten brengen, en dan

zullen we komen dineeren.

LANCELOT:

De tafel, Meneer, zal gebracht worden, het vleesch zal gedekt

worden, en wat uw komen dineeren betreft, Meneer, nu, laat dat zijn

zooals lust en luim dat zullen gelasten. (_Af._)

LORENZO:

O welk een schranderheid en dracht van taal!

Een leger geest'ge woorden heeft de dwaas

Zich in het hoofd geplant! en menig dwaas

Ken ik, van hoog'ren rang en zooals hij

Van geest voorzien, die aan een snedig woord

De zaak ten offer brengt. Kom Jessica,

Zeg gij uw meening nu eens, lieveling,

Wel, hoe bevalt u Lord Bassanio's vrouw?

JESSICA:

Meer dan ik zeggen kan. Het is wel zaak,

Dat hij een onbesproken leven leidt,

Want, zóó gezegend met zijn echtgenoot,

Vindt hij de hemelvreugde hier op aard,

En als hij op deze aard niet matig is,

Dan wacht hem zeker nooit het hemelrijk.[55]

Indien twee hemelgoôn in weddenschap

Twee aardsche vrouwen legden op een schaal,

En Portia was er één, dan moest nog iets

Bij de and're, want deze onvolmaakte wereld

Bezit haar weerga niet.

LORENZO:

Juist zulk een man

Als zij een vrouw is, hebt gij nu in mij.

JESSICA:

Welnu, vraag ook mìjn meening daaromtrent.

LORENZO:

Aanstonds; maar laat ons eerst aan tafel gaan.

JESSICA:

Neen, laat me u prijzen, nu 'k er trek in heb.

LORENZO:

Bewaar het, bid ik u, als tafelkout;

Hoe gij ook spreekt, 'k verteer 't dan met de rest.

JESSICA:

Welnu, dan zal ik zeggen wat ge zijt. (_Beiden af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 62 / 79 题