LORENZO:
Mevrouw, al zeg ik 't u in uw gelaat,
Gij hebt een edel en een waar begrip
Der goddelijke vriendschap; gij verdraagt
Daarvoor de afwezigheid van uw gemaal.
Maar, als gij wist wien gij deze eer bewijst,
Aan welk een waardig man gij uitkomst zendt,
Hoe hij verknocht is aan uw heer gemaal,
Gij zoudt, dat weet ik, trotscher hierop zijn,
Dan uw milddadigheid u maken moet.
PORTIA:
'k Heb nooit berouw gehad van wel te doen;
Dat zal 'k ook nu niet; want genooten, die
Den tijd te zamen slijten in verkeer,
Wier ziel hetzelfde juk van liefde torst,
Past ook noodzaak'lijk een gelijke maat
Van trekken en van zeden en gemoed;
Dit doet mij denken dat Antonio,
Als boezemvriend van mijn gemaal, aan hem
Gelijk moet zijn. Als dit zoo is, hoe klein
Zijn dan de kosten die ik heb besteed
Om hem die 't evenbeeld is van mijn ziel[52]
Te koopen uit de helsche marteling!
Maar dit komt eigen lofspraak te nabij;
Hier dus niet meer van: hoort iets anders nu.
Lorenzo, ik vertrouw aan uwe hand
De leiding en 't beheeren van mijn huis
Tot mijn gemaal terugkomt. Ik voor mij,
Ik heb den Hemel heimelijk beloofd
In stil gepeins te leven en gebed,
Alleen van mijn Nerissa vergezeld,
Tot onze gaden zijn teruggekeerd.
Er ligt een klooster twee mijl hier van daan,
En daar zal 'k toeven. Ik verzoek u zeer,
Dat gij den last niet van u schuiven zult
Dien mijne vriendschap en de omstandigheên
Nu op u leggen.
LORENZO:
Met geheel mijn hart
Voldoe ik aan uw vriendelijk bevel.
PORTIA:
Mijn menschen weten allen van mijn plan,
En zullen u en Jessica erkennen
In plaats van Lord Bassanio en mij.
Vaartwel dus, tot we elkander wederzien.
LORENZO:
Geluk zij met u, waar gij staat of gaat!
JESSICA:
Ik wensch UEed'le alles, alles goeds.
PORTIA:
Dank voor uw wensch, van mijn kant breng 'k ook u
Mijn besten wensch: vaarwel thans, Jessica.
(JESSICA _en_ LORENZO _af._)
Nu, Balthazar,
Daar ik u trouw en eerlijk steeds bevond,
Laat dit ook nu zoo zijn. Neem dezen brief,
En snel naar Padua met al de macht
Die in een man is: zorg dat gij hem legt
In handen van mijn neef, doctor Bellario;
En wat hij u aan dokumenten geeft
En kleed'ren, breng met allen denkb'ren spoed,
Hen bid ik u, naar het gewone veer
Dat op Venetië vaart. Verlies geen tijd,
Maar haast u wat: ik zal er vóór u zijn.
BALTHAZAR.
Mevrouw, 'k zal gaan met den vereischten spoed. (_Af._)
PORTIA:
Komaan, Nerissa: 'k heb een plan bedacht,
Dat gij niet kent. Wij zien de mannen weer.
Eer ze aan ons denken.
NERISSA:
Zullen zij òns zien?
PORTIA:
Dat zullen zij, maar dan in zulk een dracht
Dat zij ons zullen wanen in 't bezit
Van 't geen wij missen. 'k Wed om wat ge wilt,
Dat, zijn we als jonge mannen uitgedost,
Ik van ons beî de knapste kerel ben,
Mijn degen met bevall'ger kloekheid draag,
Spreek als bij d' overgang van knaap tot man,
Met rietpijp-stem, twee korte pasjes maak
Tot mannelijk gestap, van vechten spreek
Zooals een zwetsend heertje, en listig lieg,
Hoe hooge dames dongen naar mijn gunst,
(En ik, die weig'rend, kniesden zij zich dood,
Ik kon er niets aan doen)--dan krijg 'k berouw,
En 'k wensch dat ik hen niet zoo had gedood.
En twintig flauwe leugens disch ik op,
Zoodat de mannen zweren dat ik ruim
Een jaar van school af ben. 'k Herinner mij
Wel duizend jongensstreken van die pochers,
En 'k pas ze toe.
NERISSA:
Wat? Gaan we als mannen doen?
PORTIA:
Foei, wat een vraag is dat,
Als men daar eens een schuinen zin aan gaf!
Maar kom; 'k vertel u mijn geheele plan,
Als 'k in mijn rijtuig ben, dat aan de poort
Van 't park ons wacht; dus nu niet meer gevraag,
Want twintig mijlen staan er voor vandaag. (BEIDEN _af._)