GRATIANO:
Dit is de luifel, waar Lorenzo vroeg
Dat men hem wachten zou.
SALARINO:
Zijn uur is bijna om.
GRATIANO:
En 't is een wonder dat hij 't uur verlet,
Want minnaars loopen steeds de klok vooruit.
SALARINO:
O! tienmaal vlugger vliegen Venus' duiven
Om nieuwe banden te bezeeg'len, dan
Om de eens beloofde trouw gestand te doen!
GRATIANO:
Steeds komt dat uit: wie staat van 't feestmaal op
Met d'eetlust waar hij mede zitten gaat?
Waar is het paard, dat met het felle vuur,
Waarmêe het door de lange renbaan reed
Zijn stappen nog eens zet? Al wat bestaat
Wordt greet'ger nagejaagd dan 't wordt genoten.
Als een verkwistend jonker gaat de bark,
Getooid met wimpels, uit de moederbaai,
Omhelsd, geliefdkoosd door den wulpschen wind!
Hoe keert ze als de verloren zoon terug,
Met ribben losgebeukt en flarden zeil,
Verarmd, ontredderd door den wulpschen wind!