LORENZO:
Goed, onder 't eten gaan we heim'lijk weg,
Vermommen ons bij mij, en keeren weer,--
Dat alles binnen 't uur.
GRATIANO:
Wij hebben ons nog niet goed voorbereid.
SALARINO:
En fakkeldragers zijn nog niet besteld.
SOLANIO:
't Zal slecht gaan, als 't niet knap geregeld wordt;
Mijns inziens ware 't beter 't niet te doen.
LORENZO:
't Is pas vier uur; wij hebben er nog twee
Voor toebereids'len.--
LANCELOT _komt op met een brief._
Lancelot, wat voor nieuws?
LANCELOT:
Als u 't goed vindt dezen open te breken, dan zal
hij u wel iets mêe kunnen deelen. (_Hij geeft den brief af._)
LORENZO:
Ik ken de hand: ja, 't is een mooie hand;
En witter dan 't papier waarop het schreef,
Is 't handje dat dit schreef.
GRATIANO:
Een minnebrief!
LANCELOT:
Vergun me, Meneer.
LORENZO:
Waar gaat ge heen?
LANCELOT:
Wel, Meneer, mijn ouden meester den Jood uitnoodigen
om van avond bij mijn nieuwen meester den Christen te soupeeren.
LORENZO:
Hier, neem dit:[33]--zeg de schoone Jessica
Dat ik er zijn zal; zeg het in 't geheim. (LANCELOT _af._)
Mijnheeren,
Maakt voor de maskerade u straks gereed,
'k Ben van een fakkeldrager reeds voorzien.
SALARINO:
Goed, 'k zal onmiddellijk het nood'ge doen.
SOLANIO:
Dat zal ik ook.
LORENZO:
En in Gratiano's huis
Treft gij mij na een uurtje met hem aan.
SALARINO:
't Is goed, wij zullen 't doen. (SALARINO _en_ SOLANIO _af._)
GRATIANO:
Zond u de schoone Jessica dien brief?
LORENZO:
'k Vertel u alles:--zij heeft mij bericht,
Hoe 'k haar moet halen uit haar vaders huis,
Het goud en de juweelen die zij heeft,
Welk page-kleed zij in gereedheid houdt.
Komt ooit de Jood haar vader in den hemel,
't Zal zijn om zijner lieve dochter wil;
Nooit zette 't ongeluk den voet haar dwars,
Tenzij het dit om deze reden doet,
Dat zij het kind is van een slechten Jood.
Ga nu met mij, en lees dit onder 't gaan.
De schoone Jessica draagt mijne toorts. (BEIDEN _af._)