JESSICA:
Het spijt me dat je vader zoo verlaat:
't Is hier een hel, jij, opgeruimde duivel,
Beroofde 't huis soms van zijn aak'ligheid.
Vaarwel dan; hier is een dukaat voor jou.
En, Lancelot, spoedig zie je aan 't souper
Lorenzo, als uw nieuwen meesters gast;
Geef dezen brief aan hem, maar in 't geheim.
Vaarwel dan; 'k zou niet willen dat mijn vader
Mij met je spreken zag.
LANCELOT:
Vaarwel! tranen betoonen[32] mijn tong. Prachtstuk van een
heidin,--allerliefste Jodendochter! Als een Christen geen listige
streek uithaalt om u te krijgen, dan bedrieg ik me sterk: maar
vaarwel! Deze malle droppels verdrinken mijn mannelijke flinkheid
min of meer: vaarwel! (_Af._)
JESSICA:
Vaarwel, mijn beste Lancelot.
Ach, wat een booze zonde is 't toch van mij,
Beschaamd te zijn mijn vaders kind te zijn!
Maar ben ik al een dochter van zijn bloed
'k Ben 't niet van zijn karakter. O Lorenzo!
Als gij uw woord houdt, is mijn tweestrijd uit,
Ik word Christin en uw geliefde bruid. (_Af._)