BASSANIO _komt met_ LEONARDO _en ander_ GEVOLG _op._

BASSANIO:

Dat kun je wel doen:--maar laat er zóó'n haast achter gezet worden,

dat 't souper op z'n laatst om vijf uur klaar is. Laat deze brieven

bezorgen; laat de livreien maken, en vraag of Gratiano dadelijk bij

me aan huis komt.

(_Een_ BEDIENDE _af._)

LANCELOT:

Naar hem toe, vader!

GOBBO:

God zegen UEdele!

BASSANIO:

Dank je zeer. Wou je wat van me hebben?

GOBBO:

Dat is mijn zoon, Meneer, een arme jongen--

LANCELOT:

Géén arme jongen, Meneer, maar de bediende van den rijken Jood; en

ik wou wel graag, Meneer, zooals mijn vader 't u zal expliceeren--

GOBBO:

Hij heeft, on zoo te zeggen, Meneer, heel veel senie om bediende te

zijn bij--

LANCELOT:

Ja, om het nu maar eens in één woord te zeggen, ik ben bediende bij

den Jood, en ik verlang, zooals mijn vader 't u zal expliceeren--

GOBBO:

Zijn meester en hij zijn met UWEdele's welnemen lang geen

koek-en-ei met elkaar--

LANCELOT:

Om kort te gaan, het is de heuzelijke waarheid dat de Jood, omdat-i

me gemeen heeft behandeld, mij dwingt, zooals mijn vader, die een

oud man is, naar ik hoop u zal parlementeeren--

GOBBO:

Ik heb hier een schoteltje duiven, dat ik UEdele wel zou willen

cadeau doen; en mijn verzoek is--

LANCELOT:

Kort en goed, het verzoek comprommeteert[29] mezelf, zooals UEdele

zult te weten komen van dezen braven ouwen man; en, al zeg ik het

zelf, al is-i 'n ouwe man, toch mijn vader, de arme man.

BASSANIO:

Laat één voor allebei spreken.--Wat wil je?

LANCELOT:

U dienen, Meneer.

GOBBO:

Dat is juist het defectieve[30] van de zaak, Meneer.

BASSANIO:

Ik ken je goed: 't verzoek is toegestaan.

Je meester Shylock sprak mij nog vandaag,

Je aanbevelend; als 't een aanbeveling

Mag heeten weg te gaan bij 'n rijken Jood

Om knecht te zijn van zoo'n arm edelman.

LANCELOT:

Het oude spreekwoord[31] is net mooi verdeeld tusschen mijn meester

Shylock en u, Meneer: u hebt Gods genade, Meneer, en hij heeft

genoeg.

BASSANIO:

Heel goed gezegd.--Ga, vader, met je zoon:--

Neem afscheid van je vroeg'ren heer, en zoek

Mijn woning;--geeft hem een livrei (_tot zijn_ GEVOLG)

Met meer garneersel dan zijn kameraads.

LANCELOT:

Kom, vader.--Ik kan geen dienst krijgen, o nee! En ik heb heelemaal

geen tong in mijn mond!--Ziezoo; (_zijn handpalm bekijkend_) als er

nu toch één mensch in Italië is die een mooiere palm heeft! Ze zou

op den Bijbel durven zweren dat ik goed geluk zal hebben!--Kijk

ereis aan; is me dat een levenslijntje! Daar zit me een bagatelletje

vrouwen in: ach! vijftien vrouwen is zoo goed als niets: elf weduwen

en negen maagden is maar 'n eenvoudig vooruitzicht voor één man; en

dan, driemaal van 't verdrinken gered te worden, en in levensgevaar

te zijn aan den rand van bedje van veeren:--dat zijn geen kleine

buitenkansjes! Nu, als de fortuin een vrouw is, dan is 't op zoo'n

manier een beste meid.--Kom, vader. Ik zal als een haas van den Jood

afscheid nemen.

(LANCELOT _en de oude_ GOBBO _af._)

BASSANIO:

Ik bid u, vriend Leonardo, denk hierom:

Als alles is gekocht, en goed bezorgd,

Kom snel dan weer, want ik onthaal van nacht

Mijn meest geachte vrienden: haast u, ga.

LEONARDO:

'k Zal alles naar mijn beste krachten doen.

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 32 / 79 题