ANTONIO _komt op._

BASSANIO:

Dat is signor Antonio.

SHYLOCK (_ter zijde_):

Hoe lijkt hij op een slaafschen tollenaar!

Ik haat hem, omdat hij een Christen is;

Maar meer, omdat in lagen eenvoud hij

Geld gratis uitleent, en den rentestand

Hier bij ons in Venetië dalen doet.

Als ik hem eens het beentje lichten kan,

Dan mest ik zoo mijn oude veete vet.

Hij haat ons heilig volk; en hij geeft af,

Juist daar waar 't meest de hand'laars samenzijn,

Op mij, mijn zaak en wel-verdiende winst,

Haar woeker noemend. Zij mijn stam vervloekt,

Als 'k hem vergeef!

BASSANIO:

Zeg, Shylock, luistert gij?

SHYLOCK:

Ik schat wat ik op 't oogenblik bezit,

En naar 't geheugen vrij nauwkeurig gis,

Breng ik zoo dadelijk de volle som

Van drie duizend dukaten niet bijeen

Wat zou 't? Tubal, een rijke van mijn stam,

Zal mij wel helpen. Stil! Voor hoeveel maand

Verlangt gij 't?--(_tot_ ANTONIO) Vrede zij met u, Mijnheer;

Wij spraken nog daareven over u.

ANTONIO:

Shylock, schoon 'k nooit te leen geef of ontvang,

Om meer terug te krijgen of te geven,

Toch breek ik die gewoonte voor den nood,

Die dringt, van eenen vriend.--(_tot_ BASSANIO) Weet hij nu al

Hoeveel gij wenscht?

SHYLOCK:

Ja, drie duizend dukaten.

ANTONIO:

En voor drie maand.

SHYLOCK:

'k Vergat het nog;--drie maand; dat zeidet gij.

Goed, uw kontrakt;--laat zien.--Maar luister eens;

Me dunkt, gij zeidet dat ge op int'rest nooit

Aan of van iemand leendet.

ANTONIO:

'k Doe het nooit.

SHYLOCK:

Toen Jakob Labans schapen grazen liet,--

Hij was na onzen heil'gen Abraham

(Zoo kreeg zijn moeder 't slim voor hem gedaan)

De derde der bezitters; ja de derde,--[15]

ANTONIO:

Wat moet dat nu? Nam hij ook interest?

SHYLOCK:

Hij nam die niet in letterlijken zin,

Neen niet rechtstreeks: let op wat Jakob deed.

Toen Laban met hem afgesproken had,

Dat al de lammeren gestreept en bont

Als loon aan Jakob zouden komen, zocht

Het bronstige ooienvolkje in laten herfst

De rammen op; en toen het telingswerk

Door deze woll'ge fokkers werd verricht,

Schilde de list'ge scheper twijgen af,

En bij 't vervullen van de paringsdaad,

Stak hij hen voor de tochtige ooien op,

Die, toen ontvangend, in den lammertijd

Gevlekte lamm'ren wierpen, Jakobs deel.[16]

Hij werd gezegend op zijn weg tot winst,

En winst is zegen, als men haar niet steelt.

ANTONIO:

Zoo diende Jakob voor een kans van 't lot;

Niet hij had dezen uitslag in zijn macht,

Maar 't werd beschikt, bestuurd door 's Hemels hand.

Prijst deze plaats der Schrift den woeker aan?

Of is uw goud en zilver ooi en ram?

SHYLOCK:

'k Weet niet: maar 't fokt bij me even spoedig aan.

Maar luister, Signor.

ANTONIO:

Merkt ge 't wel, Bassanio,

De duivel haalt de Schrift aan voor zijn doel.[17]

Een booze ziel, bij 't heilige getuigend,

Gelijkt een schurk, den glimlach op 't gelaat,

Een mooien appel met ontstoken hart.

Wat zet de valschheid toch een mooi gelaat!

SHYLOCK:

Drie duizend--en dukaten!--'t is een som!

Drie maanden van de twaalf; hoeveel percent?

ANTONIO:

Nu, Shylock, mogen wij u dankbaar zijn?

SHYLOCK:

Signor Antonio, menig menig maal

Hebt gij op den Rialto mij beschimpt

Om 't woek'ren dat ik met mijn gelden deed:

Steeds droeg 'k het lijdzaam, trok mijn schouders op,

Want lijden is het kenmerk van ons ras:

Gij noemt mij "ongeloov'ge," "moord'naarshond,"

En spuwt op mijnen Joodschen tabbaard mij,

En dat, wijl ik mijn eigen goed gebruik.

Nu blijkt het dan dat gij mijn hulp behoeft,

Vooruit maar; gij komt bij mij, en gij zegt,

"Shylock, wij willen geld," en dat zegt gij,

Gij die uw speeksel spuwdet op mijn baard,

Mij traptet, als ge een vreemden hond verschopt

Van uwen drempel: nu vraagt gij om geld.

Wat moet ik u nu zeggen? Moet 't niet zijn:

"Heeft een hond duiten? Is het moog'lijk dat

Zoo'n mormel drie duizend dukaten leent?"

Of zal 'k diep buigend, op een slaventoon

Met ingehouden adem need'rig fluist'rend,

Zóó spreken:

"Mijnheer, verleden Woensdag spoogt ge op mij;

Gij traptet me op een and'ren dag; dan weer

Heette ik een hond; en voor die hof'lijkheid

Leen ik u zooveel geld?"

ANTONIO:

't Is mogelijk dat ik u weer zoo noem,

En weder op u spuw en u vertrap.

Zoo gij dit geld wilt leenen, leen dan niet

Als aan uw vriend; wanneer nam vriendschap toch

Winst van onvruchtbaar zilver van een vriend?[18]

Maar leen het liever aan uw vijand uit;

Want doet hij zijn belofte niet gestand,

Dan kunt ge met te meer vrijmoedigheid

De boete vergen.

SHYLOCK:

Kijk nu hoe ge raast:

Ik wensch uw vriendschap en genegenheid,

Den smaad vergetend waar 'k meê werd besmet,

Ik wil u helpen in uw nood, geen duit

Als int'rest nemen, en ge luistert niet.

Dit is een vriend'lijk aanbod.

ANTONIO:

Ja, dat is 't.

SHYLOCK:

Welnu, 'k bewijs u deze vriend'lijkheid.

Ga meê naar een notaris, zegel daar

Uw overeenkomst zonder meer,[19] en als

Gij niet op een bepaalden dag en plaats

De som of sommen in 't kontrakt genoemd

Terugbetaalt, moet gij voor de aardigheid

Een pond, daarmêe gelijkstaand, van uw vleesch

Mij netjes laten snijden uit dàt deel

Van uw mooi lichaam waar het mij behaagt.

ANTONIO:

Dat neem ik aan: ik zegel zoo'n kontrakt;

'k Moet zeggen dat de Jood zeer vriend'lijk is.

BASSANIO:

Dat moogt gij niet on mijnentwille doen:

Veel liever blijf 'k in ongelegenheid.

ANTONIO:

Kom, vrees niet, man; 'k verbeur de boete niet:

Binnen twee maanden, dat 's een maand aleer

't Kontrakt verloopt, verwacht ik driemaal meer

Terug dan heel de waarde van 't kontrakt.

SHYLOCK:

O, vader Abram! Zie die Christ'nen toch,

Wier eigen hardheid and'rer denkwijs hen

Wantrouwen leert! Ik bid u, zeg mij dit;

Kwam hij 't kontrakt niet na, wat won 'k dan nog

Door 't eischen van wat door hem werd verbeurd?

Een pond van 't vleesch gesneden uit een mensch

Heeft minder waarde, wordt ook min geschat

Dan schapen-, rund-, of geitenvleesch. 'k Herzeg,

Door deze groote vriendschap koop 'k zijn gunst;

Wil hij haar hebben, goed; zoo niet, vaarwel;

En krenkt mij niet voor al mijn vriend'lijkheid.

ANTONIO:

Ja, Shylock, ik bezegel dit kontrakt.

SHYLOCK:

Vind mij dan snel bij den notaris weêr.

Maak hem bekend met 't grappige kontrakt.

Ik steek onmiddellijk het geld bij mij,

Neem thuis een kijkje, waar een spilziek mensch

Het toezicht houdt (en dat maakt mij bezorgd,)

En ik zal aanstonds komen. (_Af._)

ANTONIO:

Haast u wat,

Beminnelijke Jood.--Hij zal bepaald

Een Christen worden, want hij wordt zoo lief.

BASSANIO:

De liefde staat mij tegen in een dief.

ANTONIO:

Kom, wees niet bang; een maand vóór den termijn,

Zal heel mijn vloot weer in de haven zijn. (BEIDEN _af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 27 / 79 题