PORTIA _en_ NERISSA _komen op._

PORTIA:

Heusch, Nerissa, mijn klein persoontje is deze groote wereld moe.

NERISSA:

Dat zoudt u zijn, lieve mevrouw, als uw ellenden even overvloedig

waren als uw goed geluk; en toch, voor zoover ik zien kan, zijn zij

die zich met te veel volproppen even ziek als zij die van niets

hongerlijden: daarom is het geen gering geluk den middenweg te

bewandelen; overmaat komt spoediger aan witte haren, maar genoeg

hebben leeft langer.

PORTIA:

Mooie stelregels, en goed gezegd ook.

NERISSA:

Ze zouden beter zijn, als ze goed werden opgevolgd.

PORTIA:

Als het doen even gemakkelijk was als te weten wat goed is om te

doen, dan moesten kapellen nu kerken zijn, en armelui's hutjes

koningspaleizen. _Hij_ is een goed preeker die zijn eigen

voorschriften nakomt: ik kan gemakkelijker twintig leeren wat goed

is om te doen dan één van de twintig zijn om mijn eigen lessen na

te komen. De hersenen kunnen wel wetten uitdenken voor het bloed;

maar een vurige natuur springt over een koel gebod: zóó'n haas is

de jongeling heethoofdigheid, dat hij hipt over het mazennet van

goeden raad, den kreupele. Maar dit redeneeren is nu niet precies

de weg om een man te kiezen:--O wee, dat woord _kiezen_! Ik mag

niet kiezen wien ik wil en evenmin weigeren wien ik niet kan

uitstaan; zoo wordt de wil van een levende dochter bedwongen door

de wilsbeschikking van een dooden vader.--Is het niet hard,

Nerissa, dat ik er niet één kan kiezen en evenmin geen kan afslaan?

NERISSA:

Uw vader is altijd een braaf man geweest; en vrome menschen hebben

bij hun dood goede ingevingen; daarom zal in de loterij die hij met

die drie kistjes van goud, zilver en lood bedacht heeft, (en hij

die daaruit naar _zijn_ zin kiest, kiest u,) zonder twijfel door

niemand goed gekozen worden dan door hem die u goed liefheeft. Maar

welke warmte voelt uw gemoed jegens den een of ander van de

vorstelijke pretendenten die reeds gekomen zijn?

PORTIA:

Noem ze asjeblieft nog eens op; en naar je ze opnoemt zal ik ze

beschrijven; en volgens mijn beschrijving laten raden naar de

stemming van mijn gemoed.

NERISSA:

Vooreerst dan hebben wij den Napolitaanschen prins.

PORTIA:

Nu, dat is een echt veulen, 'n echt jong spring-in't-veldje, want

hij doet niets dan over zijn paard praten; en hij beschouwt het als

een grooten bijslag voor zijn bizondere talenten dat hij het zelf

kan beslaan: ik ben erg bang dat zijn moeder het met een smid heeft

gehouden.

NERISSA:

Dan hebben we den Paltsgraaf.

PORTIA:

Hij doet niets dan boos kijken, alsof hij zeggen wou: "Als je mij

niet wilt hebben, kies dan maar een ander;" hij hoort vroolijke

verhalen aan, en glimlacht niet eens,--ik vrees dat hij de weenende

wijsgeer zal worden als hij oud wordt, nu hij in zijn jeugd al zoo

onbehoorlijk somber is. Ik zou liever trouwen met een doodshoofd

met een bot in zijn mond dan met een van die twee. God beware me

voor die twee!

NERISSA:

Maar wat zegt u van den Franschen heer, Monsieur le Bon?

PORTIA:

God heeft hem geschapen, en laat hem daarom voor een man doorgaan.

Heusch, ik weet wel dat het zondig is te spotten.[8] Maar _hij_ dan

ook! Wel, hij heeft een paard dat beter is dan dat van den

Napolitaan, nog mooiere onhebbelijkheid on boos te kijken dan de

Paltsgraaf: hij is iedereen in niemand; als een lijster aan 't

fluiten slaat, begint hij dadelijk rond te springen; hij schermt

met zijn eigen schaduw: als ik hem trouwde zou ik twintig mannen

trouwen: als hij mij verachtte zou ik 't hem vergeven; want als hij

dol verliefd op me was, zou ik het hem nooit vergelden.

NERISSA:

Weet u misschien iets te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen

Engelschen baron?

PORTIA:

Ik weet niets tegen hem te zeggen, want hij verstaat me niet,

evenmin als ik hem; hij kent geen Latijn, geen Fransch en geen

Italiaansch, en je kunt er gerust voor het gerecht op zweren, dat

ik maar een armzalig beetje van het Engelsch afweet. Hij is anders

een knap stel van een man; maar helaas! wie kan omgaan met een

figurant? En wat is hij vreemd gekleed! Ik geloof dat hij zijn

wambuis in Italië, zijn pofbroek in Frankrijk, zijn muts in

Duitschland, en zijn manieren overal gekocht heeft.

NERISSA:

Wat denkt u van zijn naasten buurman, den Schotschen lord?

PORTIA:

Dat hij liefde tot zijn naaste bezit; want hij leende een oorvijg

van den Engelschman, en zwoer dat hij hem terug zou betalen, als

hij kon: ik geloof dat de Franschman hem borg bleef, en er zijn

zegel onder zette[9] dat hij er een bij zou doen.

NERISSA:

Hoe vindt u den jongen Duitscher, den neef van den hertog van

Saksen?

PORTIA:

Zeer verachtelijk in den morgen, als hij nuchter is; en

allerverachtelijkst in den middag, als hij dronken is; als hij zich

op zijn best vertoont, dan is hij een beetje minder dan een mensch;

en als hij op zijn slechtst is, dan is hij weinig beter dan een

beest. Mocht het ergste gebeuren wat ooit gebeuren _kon_, dan hoop

ik dat het me zal gelukken het zonder hem te stellen.

NERISSA:

Als hij besloot te kiezen, en hij koos het goede kistje, dan zoudt

u weigeren uw vaders wensch te vervullen, als u weigerde hem aan te

nemen.

PORTIA:

Zet daarom, wat ik je bidden mag, uit vrees voor het ergste, een vol

glas Rijnwijn op het verkeerde kistje, want al is de duivel er

binnen in, maar die verleiding er boven op, dan weet ik dat hij ze

kiezen zal. Ik zal liever ik weet niet wàt doen, Nerissa, dan met

een spons trouwen.

NERISSA:

U behoeft niet bang te zijn, Mevrouw, dat u een van deze heeren tot

man zult krijgen: zij hebben mij hun besluit meegedeeld, namelijk om

naar huis terug te keeren, en u niet met verdere aanzoeken lastig te

vallen, of ge moest u op een andere manier laten winnen dan door uw

vaders bepaling betreffende de kistjes.

PORTIA:

Al word ik zoo oud als de Sibylle[10], toch zal ik zoo maagdelijk

als Diana sterven, als ik niet verkregen word op de manier die door

het testament van mijn vader is aangewezen. Ik ben blij dat dit

partijtje aanzoekers zoo redelijk is; want er is er niet één onder

hen of ik snak naar niets zóózeer als naar zijn afwezigheid, en ik

bid God dat hij hun een goede reis geeft.

NERISSA:

Herinnert ge u niet, Mevrouw, uit uw vaders tijd een Venetiaan, een

geletterde en officier, die hier kwam in gezelschap van den Markies

van Montferrat?

PORTIA:

Ja, ja; het was Bassanio; ten minste ik geloof dat hij zoo heette.

NERISSA:

Zeker, Mevrouw, en van alle mannen die mijn dwaze oogen ooit

aanschouwden, verdiende _hij_ het meest een mooie jonkvrouw.

PORTIA:

Ik herinner mij hem best, en ook dat hij uw lof verdiende.--

_Een_ BEDIENDE _komt op._

Wat nu? Is er wat nieuws?

BEDIENDE:

De vier[11] vreemdelingen vragen naar u, Mevrouw, om afscheid van u

te nemen; en er is een koerier gekomen van een vijfden, den Prins

van Marokko, die bericht dat zijn meester, de Prins, van avond hier

zal zijn.

PORTIA:

Als ik den vijfden even hartelijk welkom kon heeten als ik de

andere vier vaarwel kan zeggen, dan zou ik mij verheugen over zijn

aankomst: als hij het innerlijk heeft van een heilige en het

uiterlijk van een duivel, dan had ik hem liever tot bid- dan tot

bedgenoot.--Kom, Nerissa.--Vrindschap, ga voor.--Terwijl we de

poort achter den eenen minnaar sluiten, klopt de andere op de deur.

(_Allen af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 24 / 79 题