Geef aan iemand, die onze teekening niet gezien heeft, een bezemsteel
of een langen stok; verzoek hem, een der uiteinden daarvan op den vloer
en tegen den muur te zetten en dan geheel onder den stok door te gaan,
en wel onder het gedeelte dat begrepen is tusschen zijne handen en
den vloer. Iemand, die dezen toer niet kent, zal zich met het gelaat
naar den muur wenden en onvermijdelijk vallen bij zijne pogingen,
om onder den stok door te komen. Als de proefnemer zich evenwel met
den rug naar den muur heeft gekeerd en zich zoodanig heeft geplaatst,
dat zijne beide voeten en het uiteinde van den stok een gelijkbeenigen
driehoek vormen, is de zaak zeer gemakkelijk. Inderdaad, als hij
onder den stok is doorgegaan, zal hij zich aan den anderen kant weder
oprichten en dáár een even vasten stand hebben als eerst.