Plaats twee kaarsen voor een wit scherm, en zet een ondoorschijnend
voorwerp, bijv. een duiveltje van karton, tusschen het scherm en de
kaarsen, waardoor zich natuurlijk twee schaduwen op het scherm zullen
vertoonen. Als ge nu voor de rechterkaars een stuk rood glas, of nog
eenvoudiger, een drinkglas met water en wijn houdt, op de wijze als
op de teekening, zult ge zien, dat de rechter schim rood gekleurd
is, terwijl de linker verdwenen is; als ge echter goed kijkt, dan
bemerkt ge, dat deze laatste vervangen is door een duiveltje, dat
bleekgroen is: de complementaire kleur van het roode licht dat het
scherm beschijnt. Vervang het roode vocht door bier, en het duiveltje
zal u violet schijnen, daar dit de complementaire kleur van geel is;
als ge het glas vult met water, dat zwak blauw is gekleurd door middel
van een weinig blauwsel, dan zal het duiveltje oranje schijnen.
Als we de proef omkeeren, en het glas dus vullen met absinth, met
zeer verdunden violetten inkt of curaçao, zal het linker duiveltje
achtereenvolgens rood, geel en blauw schijnen.
Het rechter duiveltje zal altijd dezelfde kleur hebben als de vloeistof
in het glas.