Rozemondt, hoor di spelen noch zingen?
Ziet den dageraad op komen dringen,
Dartele duiven, en zwanen en musschen,
Zouden den vaak uit uw' oogen wel kussen;
Zoo 't u lustte de doode te ruimen
Om den lust van levende pluimen.[L]
Alle weiden, en duinen, en dalen
Hunnen aêm met verheugen ophalen,
't Jeugdelijk jaar, met zijn vroolijke tijen,
Is rechtevoort op zijn kwikste te vrijen.
Kruijen, bloemen, en boomen veroov'ren,
En zich pronken met levende loov'ren.
't Weligh vee, op de grazige zoden,
O m'n min, ons te bruilofte nooden.
Al hun gezicht, hun gebaar en hun spreeken
Loopen op 't lest van de minlijke treeken.[M]
Op, op, op, eer de zon in den dauw schijn:
Laat ons alle gedierte te gauw zijn.
[L] d. i. als je om de levende pluimen der vogels het met doode pluimen
gevulde bed zoudt willen ontruimen.
[M] ~Minlyke~, die tot de min behooren. ~Treken~ = driften.
* * * * *