Wijze: _Gisteravond spae sloot ik mijn deur, etc._

~Minnaer~ Galathea, ziet, de dag komt aan.

~Galathea~ Neen mijn lief, wilt nog wat marren,

't Zijn de starren.

Neen mijn lief, wilt nog wat marren; 't is de maan.

~Minn.~ Galathea, 't is geen maneschijn.

~Gal.~ Hoe? 't Is nog geen één geslagen;

Wat zoud' 't dagen?

Hoe? 't Is nog geen één, 't en kan de dag niet zijn.

~Minn.~ Galathea, aanschouwt den hemel wel.

~Gal.~ Laas! ik zie den dagerade,

t' onzer schade;

Laas, ik zie de dageraad. De tijd is snel.

~Minn.~ Waarom duurt de nacht tot d'avond niet?—

Vreest ze dat wij, met ons beien,

Zonder scheien

Blijven zouden totdat ons de dood verried?

~Minn.~ Nu, adieu, mijn troost, en blijf gezond!

~Gal.~ Wil mij noch een kusje geven,

Och, mijn leven!

Jont mij nog een kusje van uw blijen mond!

~Minn.~ Galathea! Kom ik t' avond weer?

~Gal.~ Och, mijn moeder mocht het hooren

En haar storen[K]

Och, zij mocht het hooren—maar komt evenzeer!

~Minn.~ Galathea, hoe raak ik van uw hals?

~Gal.~ Laas, de dag en wil niet lijen

Langer vrijen;

Dank hebt van uw zachte kuskens, en van all's—

[K] Zich boos maken.

* * * * *

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen · 第 35 / 62 题