Laat mij thans met mijn verhaal terugkeeren naar vriend Sam, die door
de Kiowa’s gevangen was.
Men kan zich voorstellen dat Winnetou’s smart over het verlies van zijn
vader en zijn zuster groot was. Gedurende de begrafenis mocht hij zich
vrij overgeven aan zijn droefheid, daarna evenwel moest hij alles in
zijn binnenste verkroppen. Dit werd hem geboden, deels door de
Indiaansche gewoonten, deels doordat hij al zijn aandacht moest
schenken aan de vermoedelijke komst der Kiowa’s. Hij was thans niet
meer de door het droevige verlies bijna verpletterde zoon en broeder,
maar de aanvoerder van een schare krijgers, waarmede hij den aanval der
vijanden had af te wachten en den moordenaar wilde vangen. Hij scheen
met zijn plannen gereed te zijn, want dadelijk na de begrafenis beval
hij den Apachen de paarden die in het dal graasden te halen.
—Waarom geeft mijn broeder daartoe het bevel?—vroeg ik.—Het terrein is
zoo moeilijk, dat het bijna niet mogelijk is de dieren daarheen te
brengen.
—Dat weet ik—antwoordde hij,—maar toch moet het gebeuren. Ik wil de
Kiowa’s overrompelen, zij hebben den moordenaar in hun midden opgenomen
en moeten allen sterven,—allen zonder uitzondering!
Zijn gezicht had op dit oogenblik een uitdrukking van vastberadenheid
en indien hij zijn voornemen ten uitvoer bracht, waren de Kiowa’s
verloren. Ik dacht er anders over dan hij. Zij waren wel is waar onze
vijanden, maar droegen toch geen schuld aan den dood van Intschu
Tschuna en van zijn dochter. Zou ik wagen hem tot andere gedachten te
brengen? Misschien haalde ik mij daardoor zijn ongenoegen op den hals,
maar de gelegenheid tot zulk een verzoek was gunstig, daar wij geheel
alleen waren. De Apachen hadden zijn bevel dadelijk opgevolgd en zich
verwijderd en Stone en Parker waren met hen meegegaan. Niemand kon ons
dus hooren, wanneer hij mij in toorn een antwoord gaf, dat mij in
tegenwoordigheid van anderen zou hebben kunnen krenken. Ik deelde hem
dus mijn zienswijze over een en ander mede en tot mijn verbazing was de
uitwerking mijner woorden een geheele andere dan ik verwacht had. Hij
zag mij wel is waar met groote sombere oogen aan, maar antwoordde op
kalmen toon:
—Ik moest dit wel van mijn broeder verwachten, hij vindt het geen
zwakheid den vijand uit den weg te gaan.
—Zoo bedoel ik het niet, van uit den weg te gaan is geen sprake, ik heb
er zelfs aan gedacht hoe wij ze allen te zamen gevangen kunnen nemen.
Maar zij dragen geen schuld aan wat gebeurd is, en het zou
onrechtvaardig zijn hen daarvoor te straffen.
—Zij hebben den moordenaar in bescherming genomen en komen hier om ons
te overvallen. Is dat geen reden genoeg voor ons om hen niet te
ontzien?
—Neen, voor mij althans is dit geen reden. Het doet mij leed te hooren
dat mijn broeder Winnetou wil vervallen in de fout, welke de ondergang
is van de geheele roode natie.
—Welke fout bedoelt mijn blanke broeder?
—Deze, dat de Indianen elkaar wederzijds bevechten in plaats van zich
gezamenlijk tegen den gemeenschappelijken vijand te verdedigen. Sta mij
toe, oprecht met u te spreken. Wie denkt gij dat in het algemeen
verstandiger en listiger is, de roode man of het bleekgezicht?
—Het bleekgezicht. Ik zeg dit, omdat het de waarheid is. De
bleekgezichten hebben meer kennis en meer bekwaamheden dan wij, zij
staan bijna in alles boven ons.
—Dat is juist, wij staan boven u. Maar gij zijt geen gewoon Indiaan. De
Groote Geest heeft u gaven verleend, welke ook zelfs onder de blanken
zelden worden gevonden en daarom had ik gehoopt, dat gij ook anders
zoudt denken dan een gewone roode man. Uw verstand is scherp en uw blik
reikt ver, veel verder dan het lichamelijk en geestelijk oog van een
gewoon krijgsman! Hoe dikwijls wordt de krijgsbijl niet onder u
opgegraven. Gij moest dunkt mij inzien dat dit een voortdurende
gruwelijke zelfmoord is, die de roode man aan zichzelf begaat, en wie
zoo handelt, neemt aan dien zelfmoord deel. Intschu Tschuna en
Nscho-Tschi zijn vermoord geworden, niet door roode maar door blanke
mannen, een der moordenaars is naar de Kiowa’s gevlucht en heeft hen
overgehaald u te overvallen, dit is wel een reden om hen hier op te
wachten en met hen te vechten, maar rechtvaardigt niet hen als dolle
honden neer te schieten. Zij zijn uw roode broeders, bedenk het wel.
Op deze wijze ging ik nog eenigen tijd voort. Hij hoorde mij kalm aan,
gaf mij de hand toen ik het laatste woord gezegd had en antwoordde:
—Old-Shatterhand is werkelijk een oprecht vriend van de roode mannen en
hij heeft gelijk, als hij van zelfmoord spreekt. Ik zal doen wat hij
wenscht, ik zal de Kiowa’s gevangennemen, maar ze dan weer vrijgeven en
alleen den moordenaar houden.
—Gevangennemen? Dat zal moeilijk gaan, want zij zullen in grooten
getale komen. Of hebt gij misschien hetzelfde plan als ik?
—Welk plan?
—De Kiowa’s naar een plaats te lokken, waar zij zich niet kunnen
verweren?
—Ja, dat is mijn plan.
—Het mijne ook. Gij kent deze streek en ik zou u dus kunnen vragen of
er hier in de buurt zulk een plaats is.
—Er is er een en wel niet ver van hier, een nauwe kloof, welke op een
canon gelijkt, daarheen wil ik den vijand lokken.
—En hoopt gij dat u dit zal gelukken?
—Ja, wanneer zij zich in deze kloof bevinden, welke aan weerszijden
zeer steil is, zullen wij hen van voren en ook van achteren aanvallen
en zij moeten zich overgeven, willen zij zich niet weerloos laten
neerschieten. Ik zal hun het leven schenken en tevreden zijn als ik
Santer mag behouden.
—Ik dank u. Mijn broeder Winnetou heeft een open oor voor een goed
woord. Misschien denkt hij over een ander onderwerp even zacht.
—Wat bedoelt mijn broeder Old-Shatterhand?
—Gij wildet wraak zweren aan alle blanken, en ik verzocht u, dit niet
te doen, maar te wachten tot na de begrafenis. Mag ik nu weten, wat gij
besloten hebt?
Hij sloeg de oogen een oogenblik neer, zag mij toen diep in de oogen en
sprak met de hand wijzend naar de hut waar de beide dooden lagen:
—Ik heb den afgeloopen nacht bij de dooden doorgebracht en met mij zelf
strijd gevoerd. De wraak gaf mij een grootsche gedachte in. Ik wilde
alle roode naties bijeenroepen en met hen tegen de bleekgezichten
optrekken. Ik zou overwonnen zijn geworden. Maar in den strijd met mij
zelf, dien ik dezen nacht voerde, ben ik overwinnaar gebleven.
—En hebt gij deze grootsche gedachte weer laten varen?
—Ja. Ik heb drie personen, die ik liefheb, gevraagd, twee dooden en een
levende. Zij rieden mij alle drie, dit plan te laten varen en ik
besloot hun raad op te volgen.
Ik zag hem een oogenblik zwijgend aan, maar hij begreep, wat ik wilde
vragen en ging voort:
—Mijn broeder weet niet, van welke personen ik spreek? Ik spreek van
Kleki-Petra, van Nscho-Tschi en van u. U drieën heb ik in gedachten
gevraagd en een drievoudig, maar gelijkluidend antwoord ontvangen.
—Ja, wanneer beiden nog leefden en gij hun kondet vragen, zouden zij
zeker hetzelfde zeggen wat ik u heb gezegd. Het plan dat gij
koesterdet, was grootsch, gij waart de man geweest om het uit te voeren
maar toch....
—Mijn broeder overschat mijn krachten,—viel hij mij in de rede,—mocht
het al een rooden krijgsman gelukken, de krijgers van alle stammen
onder zich te vereenigen, dan zou het toch niet zoo snel in zijn werk
gaan als ik het wenschte, want er zou een geheele menschenleeftijd
noodig zijn, om tot dit doel te geraken. Een man alleen, zij hij ook
nog zoo groot en beroemd, kan deze taak niet volbrengen en na zijn dood
zou het wellicht ontbreken aan een opvolger die zijn werk kon
voortzetten en voltooien.
—Het verheugt mij dat mijn broeder Winnetou, tot dit inzicht is
gekomen, het is zooals hij heeft gezegd. Eén menschenleven is niet
voldoende en een opvolger zou moeilijk te vinden zijn. Maar zelfs al
mocht dit gelukken dan nog zou de strijd tusschen de blanken en de
roodhuiden voor u ongelukkig eindigen.
—Ik weet het, hij zou onzen ondergang slechts verhaasten. Al mochten
wij uit elken strijd als overwinnaar te voorschijn treden, dan zijn de
bleekgezichten toch zoo talrijk, dat zij telkens nieuwe scharen kunnen
laten aanrukken, terwijl het ons onmogelijk zou zijn onze verliezen aan
te vullen. De overwinningen zouden ons langzamer, maar toch even zeker
ten gronde richten. Dit alles heb ik overlegd, terwijl ik vannacht bij
mijn dooden waakte en ik ben besloten, af te zien van het volvoeren van
mijn plan. Ik wilde tevreden zijn, wanneer ik den moordenaar gevat en
mij zou hebben gewroken op degenen, die hem behulpzaam zijn geweest.
Maar ook dit heeft mijn broeder Old-Shatterhand mij uit het hoofd
gepraat en zoo zal dus mijn wraak slechts hierin bestaan, dat ik Santer
vat en hem bestraf. De Kiowa’s zullen wij laten loopen!
—Uw woorden maken mij trotsch op de vriendschap, welke ons verbindt, ik
zal ze nooit vergeten. Wij beiden zijn, ofschoon wij het niet met
zekerheid kunnen beweren, toch overtuigd dat de Kiowa’s zullen komen.
Als wij nu maar wisten wanneer.
—Zij komen vandaag,—beweerde hij op beslisten toon.
—Hoe is het u mogelijk dit zoo beslist te zeggen?
—Ik maak het op, uit hetgeen gij omtrent uw laatsten rit hebt verteld.
De Kiowa’s zijn schijnbaar naar hun dorp getrokken, om u achter zich
aan te lokken, maar willen eigenlijk hier naar toe; zij hebben dus een
omweg gemaakt, anders hadden zij gisteren reeds hier moeten zijn. Zij
hebben ook ander oponthoud gehad, waardoor hun aankomst hier is
vertraagd.
—Ander oponthoud.... wat zou dat kunnen zijn?
—Sam Hawkins. Dien brengen zij natuurlijk niet hier, maar zij hebben
hem naar hun dorp gebracht, daarvoor moeten zij evenwel den geschikten
tijd afwachten. Bovendien was het noodzakelijk een bode te zenden, die
uw komst had te melden.
—Gij meent dat de krijgers uit het dorp ons tegemoet zullen rijden?
—Ja. De krijgers met wie gij daar bij de rivier te doen hebt gehad,
hebben u achter zich willen lokken, maar hadden daar zij van plan waren
hierheen te rijden, geen tijd met u te vechten. Zij hebben dus in ieder
geval een of eenige boden naar hun dorp gezonden, opdat men u van daar
tegemoet kon trekken. Sam Hawkins is aan deze boden meegegeven. Toen
nadat dit gebeurd was, hebben de Kiowa’s een andere richting ingeslagen
en zijn naar de Nuggetsbergen gegaan. Dit mocht gij echter niet weten
en daarom moesten zij omkeeren op een plaats, waar het moeilijk was
sporen te vinden. Dergelijke plaatsen zijn echter zeldzaam, zij liggen
meestal niet aan den weg, maar moeten opgezocht worden. Ook hiermede
gaat tijd verloren. Daarom konden de Kiowa’s onmogelijk reeds gisteren
hier aankomen, maar vandaag konden wij hen stellig verwachten.
—Hoe weet gij dat zij er nu nog niet zijn?
Hij wees met den vinger naar den naastbijzijnden bergkam. In het bosch,
dat tegen de hoogte lag, was een boom welk ver boven de andere uitstak.
Wie op dien boom zat en een goed oog had, kon gemakkelijk de
aangrenzende prairie overzien.
—Mijn broeder weet niet,—zeide hij,—dat ik een krijger daarheen heb
gezonden, die moet oppassen en ons de komst der Kiowa’s melden. Hij
heeft de oogen van een valk. Zoodra hij ze ziet aankomen, daalt hij
naar beneden om het mij te melden.
—Dat is goed. Dit bericht is nog niet gekomen, dus zijn zij er nog
niet. En gij houdt vol dat zij bepaald vandaag zullen komen?
—Ja, want langer mogen zij niet aarzelen, als zij ons hier willen
treffen.
—Zij waren evenwel niet van plan tot aan de Nuggetsbergen te gaan, maar
wilden u in de nabijheid daarvan een hinderlaag leggen, om u op uw
terugkeer te overvallen.
—Dit zou hun misschien zijn gelukt, wanneer gij hen niet hadt
beluisterd; nu ik het evenwel weet, komt van die hinderlaag niets,
integendeel, ik lok hen hierheen. Wanneer ik naar huis was
teruggekeerd, zou ik in zuidelijke richting zijn gegaan en zij hadden
zich dus ook daar moeten legeren, nu doe ik echter alsof ik in
noordelijke richting ben gereden en lok hen achter mij aan.
—Als zij u nu maar volgen!
—Dat zullen zij zeker doen. Zij moeten in elk geval een spion zenden om
te weten te komen of wij nog hier zijn. Dezen verkenner laten wij
natuurlijk stil zijn gang gaan en wij laten hem ongehinderd
terugkeeren. Om zijnentwil heb ik bevel gegeven de paarden hier naar
boven te brengen. Er zijn er meer dan dertig en ondanks den harden
bodem en het steengruis moeten zij de sporen wel zien en zullen zij die
volgen. Wij zoeken van hieruit de kloof op, welke de val zal zijn,
waarin wij hen willen vangen. Natuurlijk zal de spion ons niet geheel
volgen maar zich enkel overtuigen dat wij werkelijk vertrokken zijn en
dan spoedig omkeeren om aan de zijnen te melden, dat wij niet in de
zuidelijke, maar in noordelijke richting zijn vertrokken. Begrijpt mijn
broeder dit goed?
—Ja. Zij worden daardoor gedwongen van hun voorgenomen plan om ons in
een hinderlaag te lokken af te zien en het is vrijwel zeker dat zij dan
hierheen zullen komen en ons van hier na zullen rijden.
—Dat zullen zij, ik ben er vast van overtuigd. Santer, dien ik moet
hebben, zal nog vandaag in mijn handen vallen.
—Wat wilt gij met hem doen?
—Ik verzoek mijn broeder mij niet daar naar te vragen. Hij zal sterven,
laat u dat genoeg zijn.
—Waar? Hier? Of brengt gij hem naar het Pueblo?
—Dat weet ik nog niet. Ik hoop dat hij niet zulk een lafaard is als
Rattler, dien wij een snellen dood moesten laten sterven. Luister! Ik
hoor de hoefslagen van onze paarden. Wij zullen deze plaats verlaten om
hier ter gelegener tijd met onze gevangenen weer terug te keeren.
De paarden werden gebracht, ook het mijne en Sam’s Mary. Opstijgen
konden wij evenwel niet; de weg was te ongemakkelijk, ieder moest zijn
paard bij den teugel leiden.
Winnetou ging voorop. Hij bracht ons van de open plek naar het dichte
bosch, dat met een vrij steile helling naar beneden liep. Daar was een
open weide en hier bestegen wij de paarden om naar een bergwand te
rijden, welke als een hooge loodrechte rotsmuur voor ons lag.
—Dat is de val van welke ik sprak; wij rijden er nu doorheen.
De naam „val” paste volkomen op den nauwen weg dien wij nu door reden.
De wanden stegen aan beide zijden loodrecht omhoog en er was geen
enkele plaats waar zij beklommen konden worden. Wanneer de Kiowa’s zoo
dom waren hier in te rijden en wij hielden de uitgangen bezet, dan zou
het onzin zijn zich te verweren.
De weg liep niet geheel recht maar slingerde eenigszins en het duurde
wel een kwartier, vóór wij den uitgang bereikten. Hier maakten wij halt
en stegen af. Nauwelijks was dit gebeurd of wij zagen den Apache komen
die van den top van den boom naar de Kiowa’s had uitgezien.
—Zij zijn gekomen,—meldde hij.—Ik wilde ze tellen, maar dit gelukte mij
niet, omdat zij in de troepen reden en nog te ver af waren.
—Hebben zij de richting naar het dal ingeslagen?—vroeg Winnetou.
—Neen. Zij maakten halt op de prairie en legerden zich daar tusschen
het kreupelhout. Maar daar zonderde zich een enkele krijger van hen af
en ik zag hem naar het dal gaan.
—Dat is de verkenner. Wij hebben nog juist tijd de val te openen om ze
dan te sluiten. Mijn broeder Old-Shatterhand mag Stone, Parker en nog
twaalf van mijn krijgers meenemen en links om den berg trekken. Zoodra
hij een zeer sterken, hoogen berk ziet, dringt hij in het woud dat
eerst langzaam omhoog stijgt maar dan weer daalt. Is mijn broeder daar
aangekomen, dan bevindt hij zich in het verlengde van het dal, van waar
uit wij naar de Nuggetsbergen zijn getrokken. Gaat hij dit dal door,
dan bereikt hij weldra de plaats waar wij onze paarden achterlieten; de
verdere weg is hem bekend. Hij mag echter niet in het open dal gaan,
maar moet aan den kant in het bosch blijven. Old-Shatterhand zit dan in
het bosch tegenover de kloof, welke naar boven voert. Hij zal den
vijandelijken verkenner zien, maar hem niets in den weg leggen. Dan zal
hij den vijand zien komen en hen de kloof laten binnentreden.
—Dit is dus uw plan,—antwoordde ik.—Gij blijft hier om den uitgang van
de val bezet te houden en ik keer langs den omweg, dien gij mij zooeven
hebt beschreven naar den voet van den Nuggets-Hill terug om den vijand
op te wachten en hem heimelijk te volgen, tot hij in de val is
gedrongen.
—Ja, dat is mijn bedoeling. Als mijn broeder Old-Shatterhand geen fout
begaat, zal ons plan zeker gelukken.
—Ik zal zoo voorzichtig mogelijk zijn. Heeft Winnetou mij nog meer
wenken te geven?
—Neen, het overige laat ik aan u over.
—Wie zal met de Kiowa’s onderhandelen, als het ons mocht gelukken, hen
in te sluiten?
—Ik. Old-Shatterhand heeft niets anders te doen dan te zorgen, dat zij
niet uit de kloof komen, wanneer zij mij en mijn krijgers bemerken en
om willen keeren. Maar haast u! De middag is bijna ten einde en de
Kiowa’s zullen niet tot morgen wachten, maar ons nog heden, voordat de
duisternis invalt, volgen.
De zon had haar loop bijna volbracht en binnen een uur zou de avond
zijn gevallen. Ik begaf mij dus met Dick, Will en de mij toegewezen
Apachen op weg, natuurlijk te voet.
Na een kwartier zagen wij den berk voor ons en drongen nu het bosch in.
Wij vonden alles geheel zooals Winnetou ons had beschreven en bereikten
aan den anderen kant het dal op dezelfde plaats waar onze paarden
hadden geweid. Tegenover ons lag de kloof, welke naar de open plek en
de beide graven voerde.
Hier onder de boomen, konden wij de Kiowa’s zien komen.... als zij
althans kwamen, terwijl wij niet bevreesd behoefden te zijn, door hen
te worden opgemerkt.
De Apachen waren zeer zwijgzaam, Stone en Parker spraken zachtjes met
elkander. Naar ik hoorde waren zij vast overtuigd, dat de Kiowa’s en
met hen, Santer in onze handen zouden vallen. Ik was niet zoo zeker van
deze zaak. Nog maar twintig minuten voor het donker zou zijn en nog
zagen wij geen Kiowa’s. Ik veronderstelde dus eerder, dat de volgende
morgen de beslissing zou brengen, vooral nu ook niets te zien was van
den verkenner, dien de vijanden naar het dal hadden gezonden.
Onder de boomen was het reeds donker. Het fluisteren tusschen Stone en
Parker had opgehouden, een windje streek over de toppen en veroorzaakte
dat eentonig geruisch, dat eerder bij een onafgebroken zuchten te
vergelijken is en dat men duidelijk kan onderscheiden van elk ander
geluid.
Zoo was het ook nu. Het was, alsof ik iets achter mij op den zachten
bodem hoorde schuifelen. Wat was het? Ik luisterde beter. Een
viervoetig dier zou zich niet zoo dicht bij ons hebben gewaagd. Een
kruipend dier? Neen, ook niet. Ik keerde mij snel om en ging liggen om
van onderop beter te kunnen zien. Nu werd ik een donker voorwerp
gewaar, dat waarschijnlijk achter mijn rug had gelegen en nu tusschen
de boomen voortsloop. Ik sprong op en snelde het na. Als een donkere
schaduw zag ik een man voor mij, greep hem, maar hield alleen een stuk
doek in mijn hand.
—Away!—schreeuwde hij en meteen rukte hij mij het doek uit de vingers.
In een oogwenk was niets meer van hem te zien en ik bleef staan en
luisterde om althans iets van hem te hooren. Mijn metgezellen evenwel
hadden mijn bewegingen gezien en den uitroep gehoord. Zij sprongen op
en vroegen wat er gebeurd was.
—Stil, weest stil!—antwoordde ik en luisterde opnieuw. Er was niets te
hooren.
Blijkbaar was er dus iemand geweest om ons te beluisteren en wel een
blanke, zooals de Engelsche uitroep bewees, misschien Santer zelf, daar
er buiten hem geen andere blanke bij de Kiowa’s was. Ik moest hem na,
ondanks de duisternis.
—Gaat weer zitten en wacht tot ik terugkom!—gebood ik en haastig liep
ik weg. Welke richting ik in moest slaan was duidelijk genoeg,
natuurlijk naar de prairie, waar zich de Kiowa’s bevonden, de
luisteraar zou naar hen toe gaan.
Ik moest zien, den vluchteling angstig te maken, ik riep hem dus toe.
—Halt, blijf staan of ik schiet!
Eenige seconden later, loste ik, ter bevestiging van mijn woorden, twee
revolverschoten. Dit was geen fout, daar onze aanwezigheid nu toch
eenmaal bekend was geworden. Nu mocht ik aannemen, dat de vluchteling
uit angst voor mij in het bosch was gegaan, waar hij niet zoo snel
vooruit kon komen. Ik evenwel bleef aan den zoom, waar het nog niet zoo
donker was. Op deze wijze wilde ik het geheele dal afloopen tot daar
waar het op de prairie uitkwam en mij dan daar verschuilen. Verliet de
vluchteling dan het bosch, dan moest hij mij voorbij en ik had kans hem
te vangen.
Dit plan was tamelijk goed bedacht, maar kwam niet tot uitvoering, want
juist toen ik een kromming van het dal wilde volgen en om een
kreupelboschje wilde heenloopen, zag ik menschen en paarden voor mij.
Ik had nog nauwelijks tijd achteruit te gaan en onder de boomen te
kruipen.
De Kiowa’s hadden hier onder de boomen hun legerplaats opgeslagen,
waarom, dat was gemakkelijk te raden.
Eerst hadden zij buiten op de prairie halt gehouden en een verkenner
uitgezonden. Deze had naar ik spoedig vernam geen moeilijke taak gehad.
Santer was namelijk daar hij de streek goed kende, den Indianen een
eind vooruitgereden om den omtrek nog eens te doorzoeken, hij was
echter, toen zij aankwamen nog niet terug en daarom zonden zij een
roode verkenner uit, die slechts zijn spoor had te volgen en geen
gevaar te duchten had, daar Santer in dat geval terug zou zijn gereden
om de Indianen te waarschuwen. De verkenner ging dus het dal in, zoover
hem dit goed dacht, vond geen vijand en ging weer terug om dit te
melden. Daar het dal een betere legerplaats aanbood dan het open veld,
besloten de Kiowa’s dit laatste te verlaten en het eerste op te zoeken.
Santer kon hen niet misloopen, maar moest hen vinden, zoodra hij
voorbijkwam, hoewel zij uit voorzichtigheid geen vuren hadden durven
aanmaken.
Nu was het zeker dat wij hen heden niet in onze handen kregen,
waarschijnlijk ook morgen niet, wanneer Santer zoo verstandig was
geweest ons plan te raden. Wat nu te doen? Zou ik naar mijn post
terugkeeren en wachten of de Kiowa’s morgen vroeg toch nog in den val
zouden loopen. Of zou ik Winnetou opzoeken, hem mijn ontdekking
meedeelen en om andere bevelen vragen? Er was nog iets anders, dat ik
kon probeeren, maar dit was gevaarlijk voor mij zelf, ik kon namelijk
hier blijven. Het was voor ons van groot belang te weten wat de
roodhuiden zouden beslissen, nadat zij van Santer hadden vernomen, wat
hij had gezien. Als ik ze eens kon beluisteren! Maar ik waagde veel,
zeer veel! Santer zou natuurlijk vertellen dat ik hem achtervolgde en
dat kon, ja moest haast, tot mijn ontdekking leiden. Toch besloot ik
het te wagen, indien ik er eenigszins kans toe zag. Zij brandden geen
vuur, om niet opgemerkt te worden, dit maakte het voor mij ook
gemakkelijker te blijven.
Onder de boomen lagen hooge steenblokken, met mos begroeid en omgeven
door varenkruiden, misschien kon ik mij achter een van die steenen
verbergen.
Het meerendeel der roodhuiden was nog met de paarden bezig, die aan
pennen werden gebonden, opdat zij niet zouden wegloopen en zoodoende de
legerplaats konden verraden, de anderen lagen of zaten aan den zoom van
het bosch. Ik hoorde een bevelende stem, zeker die van den aanvoerder
en ik moest dus zien, dicht bij hem te komen.
Op den grond liggend, kroop ik verder. Het was gelukkig overal donker
en de roodhuiden bevonden zich juist aan den tegenovergestelden kant
van dien welke ik wilde bereiken.—Ik kon alleen ontdekt worden, wanneer
een van hen ook dezen kant uit wilde en over mij struikelde. Gelukkig
gebeurde dit niet en bereikte ik mijn doel. Hier lagen twee rotsblokken
naast elkander, het een lang en hoog, het ander lager. Daar bovenop
zocht men zeker geen luisteraar; ik klom dus van het laagste op ’t
hoogste en ging languit daarop liggen. Zoo lag ik twee meter hoog, vrij
veilig en er was geen reden om te denken, dat een van de roodhuiden mij
na zou klimmen.
De Indianen, die tot nu toe met de paarden bezig waren geweest, kwamen
nu ook naderbij en gingen eveneens liggen of zitten. De aanvoerder gaf
op halfluiden toon eenige bevelen, welke ik evenwel niet verstond,
omdat ik de taal der Kiowa’s niet kende. Hierop verwijderden zich
eenige roodhuiden. Waarschijnlijk waren het de wachtposten die werden
uitgezet. Ik bemerkte dat zij de legerplaats naar den kant van het dal
afzetten en niet naar den boschkant en dit was voor mij zeer gelukkig,
daar ik mij dan later kon verwijderen, zonder op voorposten te stuiten.
De Indianen spraken met elkander, wel is waar op gedempten toon, maar
toch zoo, dat ik ieder woord kon hooren. Helaas verstond ik het niet.
Van welk belang zou het zijn geweest wanneer ik had kunnen verstaan wat
zij zeiden! Hoe dikwijls moet ik vertellen dat ik op mijn zwerftochten
in het Westen legerplaatsen heb beslopen en de zich daar bevindende
Indianen heb beluisterd. Wie dat leest, denkt er niet aan of heeft er
geen begrip van hoe moeilijk en gevaarlijk zulk besluipen is. En deze
moeilijkheid betreft niet alleen lichamelijke geschiktheid, kracht en
volhardingsvermogen, maar ook en dat vooral, de oefening van den geest,
de noodzakelijke intelligentie en de kennis, welke men moet bezitten.
Wat geeft het mij of ik een Indianen-, Bedouinen- of
Koerden-legerplaats of een Zuid-Amerikaansche Gauchoplaats kan
besluipen, maar de taal niet machtig ben en dus niet kan verstaan wat
er gesproken wordt! En de inhoud van de gesprekken is juist het
voornaamste! Daarom is het altijd mijn streven geweest de taal der
menschen, met wie ik te doen had, te leeren kennen. Winnetou kende
zestien Indiaansche dialecten en is ook hierin mijn voornaamste
leermeester geweest! Het is mij later dan ook nooit weer overkomen, dat
ik een legerplaats besloop, zonder te verstaan wat er werd gesproken.
Ik mocht ongeveer tien minuten op den steen hebben gelegen toen ik een
schildwacht hoorde roepen, daarop volgde het mij zeer welkome antwoord:
—Ik ben het, Santer. Gij zijt dus naar het dal gegaan?
—Ja. Mijn blanke broeder kan verder gaan, hij zal zoo meteen de roode
krijgers zien.
Deze woorden kon ik verstaan, daar er met Santer in een uit Indiaansche
en Engelsche woorden samengesteld dialect werd gesproken.
De aanvoerder riep hem reeds tegemoet:
—Mijn blanke broeder is veel langer weg geweest dan vooraf bepaald was.
Hij heeft daarvoor zeker gewichtige redenen?
—Gewichtiger dan gij vermoedt. Sedert wanneer zijt gij hier?
—Sedert den tijd dien de bleekgezichten een half uur noemen.
—Hebt gij mijn paard gevonden?
—Ja, want wij zijn uw spoor gevolgd. Wij maakten halt op de plaats waar
gij het hadt vastgebonden en toen wij hierheen reden, hebben wij het
meegenomen.
—Gij hadt beter gedaan, buiten op de prairie te blijven, het is hier
niet pluis.
—Wij zijn daar niet gebleven, omdat het hier een betere legerplaats is
en omdat wij meenden dat er geen gevaar te duchten is, anders zoudt gij
wel terug zijn gekomen om ons te waarschuwen!
—Het omgekeerde is het geval. Ik bleef zoolang weg, omdat wij ons hier
in groot gevaar bevinden en ik langen tijd noodig had om te ontdekken,
waarin dit bestond. Old-Shatterhand is hier.
—Dat dacht ik wel. Heeft mijn broeder hem gezien?
—Ja.
—Wij zullen hem vangen en aan onzen aanvoerder brengen, wiens knieën
hij verpletterd heeft. Hem wacht de dood aan den martelpaal. Waar is
hij?
De Kiowa’s hadden ons dus niet naar hun dorp willen lokken, maar
aangenomen dat wij naar Winnetou zouden terugkeeren.
—Of gij hem zult vangen is nog zoo zeker niet,—antwoordde Santer.
—Daaraan behoeft gij niet te twijfelen, want deze honden hebben slechts
dertig krijgers bij zich en wij vijfmaal zooveel, bovendien weten zij
niet dat wij hier zijn, wij kunnen hen dus overrompelen.
—Gij vergist u zeer. Zij weten dat wij zullen komen, zij weten zelfs
reeds dat gij hier zijt, want zij hebben verkenners uitgezonden.
—Oef! Weten zij dat?
—Ja.
—Dan kunnen wij hen natuurlijk niet overrompelen!
—Neen, dat gaat niet.
—Het moet dus, wanneer wij hen aangrijpen tot een gevecht komen, dat
bloed zal kosten, want Winnetou en Old-Shatterhand zijn ieder voor geen
tien krijgers vervaard.
—Ja, dat is waar, de dood van Intschu Tschuna en diens dochter heeft
hen met woede vervuld, zij dorsten naar wraak en zullen zich als
woedende roofdieren verdedigen. Maar wij moeten ze hebben. Winnetou
moet ik in elk geval zien te krijgen.
—Waarom hem in de eerste plaats?
—Om de nuggets. Hij is nu waarschijnlijk de eenigste, die de plaats
weet, waar die te vinden zijn.
—Hij zal die aan niemand verraden.
—Ook niet, wanneer wij hem gevangennemen?
—Neen.
—Ik zal hem zoolang pijnigen, tot hij mij het geheim mededeelt.
—Hij zal blijven zwijgen. Deze jonge hond der Apachen geeft niets om
pijn. En wanneer hij weet dat wij komen, zal hij wel oppassen, niet in
onze handen te vallen.
—O, ik weet wel, hoe wij het aan moeten leggen, hem in onze macht te
krijgen.
—Als gij dat weet, moet gij het ons zeggen.
—Wij behoeven alleen gebruik te maken van de val, die zij ons hebben
gesteld.
—Een val, welke?
—Zij willen ons in een nauwe kloof lokken, in welke wij ons niet zouden
kunnen verdedigen en ons dan zoo gevangennemen.
—Oef! Weet mijn broeder Santer dit wel goed?
—Ja!
—Kent hij die kloof?
—Ik ben er in geweest.
—Vertel mij, wat gij er nog meer van weet.
—Ik heb veel, zeer veel gewaagd. Als men mij had opgemerkt, zou ik
stellig en zeker den vreeselijksten marteldood hebben moeten sterven en
ik ben wat blij dat alles zoo gelukkig is afgeloopen. Dit heb ik alleen
te danken aan het feit, dat ik den weg naar den Nuggets-Hill reeds eens
heb afgelegd en de plaats daarboven, waar de graven zijn, ken.
—De graven? Winnetou heeft dus zijn dooden daarginds begraven?
—Ja. Dat was mijn geluk, want daardoor werd de aandacht der Apachen
afgeleid. Ik begreep natuurlijk dat zij boven op die open plek waren en
was voorzichtig. Ik heb reeds veel doorgemaakt en kan er mij op
beroemen een ervaren prairiejager te zijn, maar zoo voorzichtig als nu,
ben ik nog nooit geweest. Natuurlijk ging ik niet naar het open dal,
maar bleef aan den zoom van het woud. Daar, waar dit recht in de kloof
opgaat, hadden de kerels hun paarden. Het was geen kleinigheid naar
boven te komen, zonder in de kloof te gaan, maar het gelukte mij toch.
Boven aangekomen, moest ik nog dubbel zoo voorzichtig zijn. Ik dacht
niet, dat het mogelijk zou zijn, onopgemerkt tot aan de open plek te
komen, maar de Apachen hadden slechts oor en oog voor de begrafenis en
zoo waagde ik het vooruit te dringen tot aan een rotsblok, dat geheel
aan den rand van het bosch ligt. Van achter dit steenblok kon ik alles
zien.
—Mijn blanke broeder is zeer overmoedig geweest en dat hij nog leeft,
heeft hij alleen aan de begrafenis te danken.
—Dat zeide ik u immers reeds! Toen de graven waren gesloten zond
Winnetou zijn lieden heen om de paarden te halen.
—Wilde hij ze daarboven hebben? Ging dat niet moeilijk?
—Ja, zeer moeilijk.
—Dan moet hij daarvoor een bijzondere reden hebben gehad.
—Die had hij ook. Wij moesten, wanneer wij zouden zien dat zij met de
paarden naar boven zijn geklommen hen met de onze naklauteren, hun
spoor verder volgen en zoo in de val loopen.
—Vermoedt gij dat?
—Ik vermoed het niet alleen, ik weet het, ik heb het gehoord.
—Van wien?
—Van Winnetou. Toen bij zijn lieden had weggezonden om de paarden te
halen, bleef hij alleen met Old-Shatterhand, zij stonden niet ver van
mijn schuilplaats en ik heb gehoord wat zij met elkander bespraken.
—Oef! Dan is er een wonder gebeurd. Winnetou beluisterd! Dat komt,
omdat zijn gedachten niet bij ons waren, maar bij zijn vader en zijn
zuster!
—Ja, zij waren toch ook bij ons. Hij had een verkenner geplaatst op den
hoogsten bergtop en deze moest hem onze komst melden.
—Heeft hij ons gezien?
—Neen, dat denk ik niet. Gij ziet dus, hoe goed het geweest is, dat ik
alleen ben vooruitgereden. Daar ik alleen was, ben ik aan het oog van
dezen verkenner ontsnapt.
—Ja, gij hebt zeer wijs gehandeld. Vertel verder!
—Toen de roodhuiden de paarden hadden weggebracht, werd er niet lang
meer getalmd, zij verlieten de open plek en daalden aan den anderen
kant in het dal af. Is men dit dal door, dan komt men in een zeer
smalle en lange kloof, welker wanden niet te beklimmen zijn; wij
moesten in deze kloof worden gelokt.
—Had Winnetou dus plan, den in- en uitgang te bezetten?
—Ja, maar natuurlijk eerst dan, wanneer wij er in waren.
—Dan moet hij zijn lieden verdeelen. De eene helft rijdt door de kloof
en wacht ons op, terwijl de andere helft achterblijft en zich verbergt,
om ons later te volgen.
—Juist, dat heb ik ook bedacht.
—Is de bodem daar rotsachtig of niet?
—In de kloof wel, maar daarvoor groeit gras.
—Dan moet de tweede afdeeling der Apachen, wanneer zij zich verbergt,
sporen nalaten welke wij kunnen zien. Wij zouden dus in geen geval in
deze val zijn geloopen.
—Ja, maar deze kerels zijn slimmer dan gij denkt. De tweede afdeeling
is namelijk niet achtergebleven, maar mee door de kloof gereden.
—Oef! Hoe konden zij ons dan voor en achter insluiten?
—Dat vroeg ik mij zelf ook af. Er is maar een mogelijkheid, namelijk
deze, dat deze tweede afdeeling langs een omweg weer uit de kloof wil
komen en ons in den rug wil aanvallen.
—Heeft mijn broeder dezen omweg gevonden?
—Ja. Ik ben ook in de kloof gegaan, hoewel dit zeer gevaarlijk was,
maar ik moest haar toch leeren kennen. Natuurlijk kon ik niet tot aan
het einde gaan, want dan zou ik op de Apachen zijn gestuit, die den
uitgang bezetten. Ik keerde dus spoedig weer om en ik had nog
nauwelijks de kloof verlaten of ik hoorde voetstappen achter mij.
Gelukkig lagen verscheidene hooge steenen aan den kant, achter welke ik
mij kon verbergen. Een Apache kwam voorbij, maar zag mij niet,
—Zou dat misschien de verkenner zijn geweest, die boven in den boom had
gezeten?
—Waarschijnlijk.
—Dus heeft hij ons zien komen en haastte hij zich nu, dat aan Winnetou
te melden.
—Het kan ook zijn dat Winnetou, toen hij zijn legerplaats bij de graven
verliet, hem heeft laten zeggen terug te komen.
—Neen, want dan zou er iemand anders bij hem zijn geweest en hij was
alleen. Het zal dus wel zijn zooals ik u heb verteld. Hij heeft onze
komst gezien en dit Winnetou willen berichten. Hoe goed, dat gij tijd
hadt u te verbergen. Wat deedt gij toen?
—Ik dacht een oogenblik na. Als de vijand ons in den rug wilde
aanvallen, ging dit het gemakkelijkst door ons op te wachten op een
plaats waar wij voorbij moesten. Welke plaats zou daarvoor het meest
geschikt zijn? In elk geval het dal, in hetwelk wij ons nu bevinden en
wel het achterste gedeelte, daar, waar de kloof omhoog gaat. Wanneer de
Apachen zich daar onder de boomen verschuilen, moeten zij ons zien
aankomen en kunnen ons onopgemerkt tot aan de val achtervolgen en deze
dan achter ons sluiten. Dat overlegde ik bij mij zelf en daarom keerde
ik naar hier terug en sloop naar de plaats, waar ik dacht hen te zullen
vinden, indien mijn berekening juist was.
—En vondt gij hen?
—Niet dadelijk, want ik was er voor hen, maar het duurde niet lang of
ik zag hen komen.
—Wie waren het? Hebt gij ze duidelijk gezien en geteld?
—Het waren Old-Shatterhand met de beide andere blanken en een tiental
Indianen.
—Dus heeft Winnetou het bevel over de afdeeling welke den uitgang van
de kloof bezet houdt, op zich genomen?
—Zoo is het. De kerels gingen zitten. Ik had vandaag al zooveel gewaagd
en alles was mij gelukt, ik waagde het dus ook nu weer om zeer dicht
bij te sluipen, om te hooren wat zij tot elkander zeiden.
—Wat zeiden zij?
—Niets. Toen ik nog niet zoo heel dicht bij hen was, spraken de beide
andere blanken met elkander, maar niet luid genoeg voor mij en toen ik
dicht bij was, hielden zij zich stil. De Apachen zeiden niets en ook
Old-Shatterhand zweeg. Ik lag zoo dicht bij hem, dat ik hem bijna met
de hand kon aanraken. Hoe zou hij zich ergeren als hij dat wist!
Santer had gelijk. Ik ergerde mij niet weinig! Deze man was werkelijk
even listig als moedig. Winnetou en mij te beluisteren, terwijl wij
daarginds bij de graven met elkander spraken. Ons dan in de kloof te
volgen, ons plan te raden en eindelijk ons op te wachten op de plaats,
naar welke ik door Winnetou was gezonden. Hij had achter mij gelegen,
ja ik had zelfs een tip van zijn jas beet gehad.
Een kleine voldoening was het voor mij dat ik nu hier weer zooveel
hoorde, terwijl Santer bij ons niets had gehoord.
—Zijt gij zoo dicht bij dezen hond geweest?—riep de Kiowa.—Waarom hebt
gij hem uw mes niet tusschen de ribben gestoken?
—Ik zou er wel voor oppassen!
—Waarom?
—Omdat ik daardoor alles zou hebben bedorven. Wat zou dat een lawaai
hebben gegeven! De Apachen zouden naar Winnetou zijn geloopen en deze
zou hebben vernomen dat zijn plan verraden was. Dan zou het mij
onmogelijk zijn geweest hem te vangen en hoe zou ik dan aan de nuggets
komen, welke ik hebben moet?
—Gij zult die ook niet krijgen. Bevindt Old-Shatterhand zich nog daar,
waar gij hem hebt aangetroffen?
—Ik hoop het.
—Gij hoopt het slechts? Het is dus mogelijk dat hij weg is? Hij zal
toch wel op ons wachten.
—Dat was zijn plan, maar het kan zijn, dat hij dit nu heeft opgegeven.
—Welke reden zou hij daarvoor hebben?
—Hij weet dat hij gezien is geworden.
—Oef! hoe kon hij dat weten?
—Door een gat, door een vervloekt gat dat in den grond was, misschien
door een of ander dier gegraven.
—Kunnen gaten spreken?
—Onder zekere omstandigheden, ja. Ik wilde wegsluipen en keerde mij om.
Daarvoor moest ik mijn geheele lichaamsgewicht op de handen leggen en
viel met de rechterhand door den zachten bodem, in een zich daaronder
bevindend gat, wat een gedruisch maakte, dat door Old-Shatterhand
gehoord werd. Hij keerde zich oogenblikkelijk om en moet mij gezien
hebben, want toen ik opsprong en weg wilde, was hij ook achter mij.
Bijna had hij mij gepakt; ik scheurde mij echter los en vluchtte. Hij
riep wel dat ik moest blijven staan, dat hij anders wilde schieten,
maar natuurlijk deed ik dit niet. Ik drong integendeel nog dieper het
bosch in, waar het veiliger was en wachtte tot ik zonder gevaar verder
kon gaan.
—Wat deden zijn kameraden?
—Zij wilden waarschijnlijk met hem naar mij zoeken, maar hij verbood
dit. Hij beval hen, daar te blijven tot hij terug zou komen. Ik hoorde
nog enkele voetstappen, toen werd alles stil.
—Hij is dus weggegaan?
—Ja.
—Waarheen?
—Dat weet ik niet. Hij zal niet ver zijn geloopen en is, toen hij
inzag, dat ik niet te vinden was, stellig teruggekeerd.
—Heeft hij u herkend?
—Dat geloof ik niet, het was te donker.
—Misschien is hij wel hier gekomen en zit nu ergens om ons te
beluisteren?
—Onmogelijk! Hij kon niet zien waar ik heen wilde. Hij is zeker naar
zijn post teruggekeerd. Toen ik lang genoeg had gewacht, begaf ik mij
naar het open veld, waar ik vlugger vooruit kon komen. Daar hoorde ik
uw schildwacht roepen en ik vernam dus, dat gij u hier bevondt.
Er volgde een pauze. De aanvoerder had gehoord, wat hij wilde weten en
scheen nu daarover na te denken. Na eenigen tijd hoorde ik hem vragen:
—Wat denkt mijn blanke broeder nu te doen?
—Ik denk eerst te hooren, wat gij zult besluiten.
—De zaken zijn veranderd. Als het ons gelukt was de Apachen te
overrompelen, dan waren zij dood of levend in onze handen gevallen,
zonder dat het ons veel bloed had gekost. Nu echter wachten zij ons op.
Old-Shatterhand heeft u gezien, hij weet dus, dat zijn plan is verraden
en zal nu de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht nemen. Het zal
nu wel het beste zijn dat wij deze streek verlaten?
—Verlaten? Wilt gij weg? Wat valt u in? Zijt gij bang voor dat
handjevol Apachen?
—Mijn blanke broeder zal mij niet willen beleedigen. Ik ben niet bang,
maar als ik een vijand evengoed zonder als met bloedvergieten in mijn
macht kan krijgen, dan kies ik het eerste; dat doet ieder verstandig
krijgsman, ook al is hij nog zoo dapper.
—Meent gij misschien dat wij, door deze streek te verlaten deze blanken
en deze Apachen kunnen vangen?
—Ja.
—Oho! Ik zou wel eens willen weten, hoe?
—Zij zullen ons achtervolgen.
—Dat is nog zoo zeker niet.
—Dat is zeker. Winnetou wil zich op u wreken en hij weet, dat gij bij
ons zijt, hij zal ons spoor dus volgen. Wij zullen dit met opzet zeer
duidelijk maken en rijden naar ons dorp, waarheen ik het gevangene
bleekgezicht, Sam Hawkins, heb gezonden.
—En zijt gij van meening dat de Apachen ons tot daartoe zullen volgen?
—Ja, zij zullen zich haasten.
—Oho! Om mij te vangen? Ik zal mij dus weer door hen heen en weer laten
jagen, terwijl ik hier met weinig moeite mijn doel kan bereiken?
—Gij zult uw doel hier in het geheel niet bereiken en zijt althans
gedurende onzen rit naar huis, veilig.
—Maar als zij ons inhalen, is het gevaar des te grooter voor mij.
—Zij zullen ons echter niet inhalen, want wij zijn hen een heel eind
vooruit. Wij breken zoo dadelijk op en zij kunnen eerst dan volgen
wanneer zij bemerken, dat wij weg zijn en dit zal niet voor
morgenmiddag zijn.
—Nu weg, nu dadelijk? Dat wil ik niet. Wat zal uw opperhoofd zeggen als
hij verneemt, dat gij deze mooie gelegenheid om zijn vijanden te
vangen, voorbij laat gaan, zonder dat gij daartoe wordt gedwongen!
Bedenk dat!
De aanvoerder antwoordde niet op deze waarschuwing, zij maakte dus
blijkbaar indruk op hem.
—Ja, dit is zulk een mooie gelegenheid,—ging Santer voort,—wij hebben
niets anders te doen dan de zaak om te keeren en hen te lokken in de
val, die zij ons hebben gesteld.
—Oef! Hoe zullen wij dat doen?
—Wij vallen de beide afdeelingen, die ons in de kloof willen insluiten,
een voor een aan, zoodat wij in het geheel niet worden ingesloten!
—Dan zouden wij eerst Old-Shatterhand’s afdeeling moeten aanvallen. Was
dat uw bedoeling?
—Ja.
—Wij trekken haar dus morgen voorbij en doen, alsof wij niet weten, dat
zij ons volgen.
—Neen. Zoolang behoeven wij niet te wachten, wij vallen haar vandaag
nog aan.
—Oef! Mijn blanke broeder moet mij vertellen, hoe hij dat wil
aanleggen.
—Het is zoo eenvoudig, dat het eigenlijk onnoodig moest zijn, het u uit
te leggen. Ik weet de plaats, op welke Old-Shatterhand zich met zijn
krijgers bevindt en breng u daarheen. De oogen der Kiowa’s zijn gewend
aan de duisternis en hun bewegingen zijn zacht als die der slangen. Wij
omsingelen de blanken met hun Apachen en vallen hen op een gegeven
oogenblik aan. Er zal geen enkele van hen ontkomen, wij steken ze neer,
voor zij er aan kunnen denken zich te verweren.
—Oef, oef, oef!—riepen eenigen der toehoorders, zeer ingenomen met
Santers voorstel.
Hun aanvoerder was niet zoo snel met zijn oordeel gereed, maar na een
korte pauze zei hij toch:
—Het kan gelukken, als wij zeer voorzichtig zijn!
—Het kan en het moet gelukken! Het komt er maar op aan, dat wij hen
geheel onopgemerkt omsingelen en dat is toch zoo moeilijk niet. Dan nog
eenige zekere messteken en de zaak is afgeloopen. De buit, die wij den
kerels afnemen, behoort u, ik wil er niets van hebben. Dan maken wij
ons meester van Winnetou....
—Ook nog in den nacht?
—Neen, den volgenden morgen. Zijn persoon is voor mij zooveel waard,
dat ik hem goed wil zien; dit is echter des nachts te moeielijk. Wij
doen, zooals de Apachen hebben gedaan, wij verdeelen ons. De eene helft
van ons breng ik nog dezen nacht in de kloof, in welke wij gevangen
moesten worden. Zij blijft daar tot het aanbreken van den dag en dringt
dan verder vooruit, tot zij bij den uitgang door Winnetou wordt
aangevallen, want deze zal denken, dat Old-Shatterhand met zijn
kameraden achter hen is. De andere helft zoekt met mij bij de eerste
morgenschemering den weg op, langs welken Old-Shatterhand hier in het
dal is teruggekeerd, ik weet, dat ik dien zal vinden. Ik ben overtuigd
dat die weg eerst recht door het bosch leidt en dan om den voet van den
berg naar den uitgang van de kloof, waar Winnetou zich bevindt. Deze
zal al zijn opmerkzaamheid richten op de kloof zelf en onze eerste
afdeeling opmerken. Daardoor zal het hem ontgaan, dat wij hem van
achteren eveneens naderen. Hij wordt dus zóó ingesloten als hij ons
dacht in te sluiten en daar hij slechts vijftien man bij zich heeft,
moet hij zich wel overgeven, wil hij niet met al de zijnen gedood
worden. Dat is mijn plan.
—Als het uitgevoerd kan worden, zooals gij het hebt ontworpen, is het
goed.
—Gij geeft dus uw toestemming?
—Ja, ik wil Winnetou levend in handen hebben om hem aan het opperhoofd
uit te leveren en wanneer uw plan ten uitvoer kan worden gebracht,
behoeven wij niet langer te wachten.
—Laat ons dan niet talmen!
—Old-Shatterhand in de duisternis van het bosch te omsingelen is een
moeilijk ding. Ik zal dus krijgers kiezen die ook des nachts goede
oogen hebben en geoefend zijn in het sluipen.
Hij begon de namen te noemen van degenen, welken hij deze taak wilde
opdragen en het werd dus voor mij hoog tijd terug te keeren naar mijn
makkers, die ik anders niet zou kunnen waarschuwen. Ik liet mij dus van
den hoogsten steen op den laagsten en van dezen op den grond glijden en
sloop weg. Toen ik het vroeger genoemde kreupelboschje achter mij had,
ging ik uit het woud in het open veld en liep zoo hard ik kon, het dal
door, tot ik evenwijdig met mijn makkers was. Nu ging ik dwars door het
bosch en trof hen aan in spanning op mij wachtend.
—Wie komt daar aan?—vroeg Dick Stone, toen hij mijn voetstappen
hoorde.—Zijt gij het, sir?
—Ja,—antwoordde ik.
—Waar zijt gij zoolang geweest? Niet waar, het was een Kiowa, die ons
toevallig in den weg kwam?
—Neen, het is Santer geweest.
—Wel drommels! Hij? En wij hebben hem niet gesnapt? Daar komt me die
kerel in onze nabijheid en wij pakken hem niet! Hoe is ’t mogelijk!
—Er is nog veel meer gebeurd, dat eigenlijk niet mogelijk moest zijn.
Ik heb evenwel geen tijd, om u dat alles uit te leggen; wij moeten zoo
spoedig mogelijk van hier. Later zult gij alles hooren.
—Van hier? Waarom?
—De Kiowa’s komen zoo aanstonds om ons te overvallen.
—Spreekt gij in ernst, sir?
—Ja. Ik heb hen beluisterd. Zij willen ons hier eerst vermoorden en dan
morgen Winnetou aanvallen. Zij weten van onze plannen. Daarom moeten
wij zoo spoedig mogelijk van hier.
—Waarheen?
—Naar Winnetou.
—Midden door het donkere woud? Dat zal een moeilijke taak zijn.
—Dat komt er niet op aan. Voorwaarts dus!
Een tocht des nachts door het oerwoud, is niet zeer bevorderlijk voor
de schoonheid van eens menschen gelaat, daar er natuurlijk geen
begaande wegen zijn en men door takken en twijgen heen moet breken.
Zien kan men niet, men moet dus geheel op het gevoel vertrouwen. Twee
van ons tastten met de handen vooruit en de anderen volgden op deze
wijze, dat de achterste, den voorste steeds vasthield. Het duurde wel
een uur, vóór wij het bosch achter ons hadden, het moeielijkste was de
goede richting te houden. Toen wij eerst in het open veld waren, ging
het sneller. Wij liepen om den berg heen op de kloof toe, aan welks
uitgang Winnetou gelegerd was.
Deze had, althans van den kant van welken wij kwamen, geen onraad
verwacht, maar voorzichtigheidshalve toch een wachtpost uitgezet, die
ons nu met luider stem aanriep. Ik antwoordde even luid, de Apachen
herkenden deze stem en sprongen op.
—Komt mijn broeder Old-Shatterhand?—vroeg Winnetou op een toon van
verwondering—dan moet er iets gebeurd zijn. Wij hebben tevergeefs op de
Kiowa’s gewacht.
—Zij willen eerst morgen vroeg komen, maar niet alleen door de kloof,
maar ook van dezen kant, om u te overvallen.
—Oef! Dan zouden zij eerst u moeten overwinnen en bovendien weten, wat
onze plannen waren.
—Zij weten het.
—Onmogelijk.
—Zij weten het werkelijk. Santer is boven bij de graven geweest en
heeft alles gehoord, wat wij samen bespraken.
Ik kon het gezicht van Winnetou niet zien, maar hij antwoordde niet.
Dit zwijgen bewees mij, hoe groot zijn verbazing was. Toen ging hij
zitten, noodigde mij uit naast hem plaats te nemen en zeide:
—Als gij dat weet, moet gij hem evengoed beluisterd hebben, als hij
ons.
—Dat is ook zoo.
—Dus zijn al onze berekeningen van nul en geener waarde? Vertel mij
alles wat er gebeurd is.
Ik voldeed aan zijn verzoek. De Apachen verdrongen zich om mij heen om
toch geen woord van het verhaal te verliezen. Zoo nu en dan lieten zij
een verbaasd „oef” hooren. Winnetou alleen zweeg tot ik geheel
geëindigd had, toen vroeg hij:
—Mijn broeder Old-Shatterhand vond het, onder deze omstandigheden, dus
maar het beste zijn post op te geven?
—Ja. Ik zou nog twee andere dingen hebben kunnen doen, maar geen van
beide voerde mij tot mijn doel.
—Wat had dat kunnen zijn?
—Ten eerste hadden wij, om niet overvallen te worden, slechts een klein
eindje verder behoeven te trekken, in plaats van ons geheel van het
terrein te verwijderen.
—Dat zou verkeerd zijn geweest, want den volgenden morgen hadt ge meer
dan vijftig vijanden tegen u gehad en ons plan zou toch verijdeld zijn
geweest. Wat hadt gij nog anders kunnen doen?
—Wij hadden op onzen post kunnen blijven. Dit plan leek mij eerst goed
toe. Santer wilde de Kiowa’s naar ons toe brengen, hij zou dus voorop
gaan en de eerste zijn die bij ons aankwam. Als ik goed oppaste, moest
ik hem hooren komen, kon hem door een vuistslag bewusteloos neervellen
en mij dan met hem uit de voeten maken.
—Mijn broeder is een moedig krijgsman, maar zulk een overmoed zou hem
slecht zijn bekomen. Met Santer op den arm, had gij u niet snel genoeg
kunnen verwijderen, waart ingehaald en gedood geworden.
—Dat was natuurlijk mogelijk geweest, bovendien het was niet zeker, dat
Santer de voorste zou zijn. Hij kon de Kiowa’s ook tot in onze
nabijheid brengen en zich dan terugtrekken om hen het werk te laten
doen. Daarom vond ik het maar het allerbeste u op te zoeken.
—Gij hebt goed gedaan. Mijn broeder handelt steeds zooals ik zou
handelen, ware ik in zijn plaats geweest.
—Ook vond ik het beter naar u toe te gaan, omdat wij dan samen konden
overleggen wat ons te doen staat.
—Wat ons te doen staat? Laat eens hooren, hoe mijn broeder
Old-Shatterhand hierover denkt.
—Wij kunnen geen plannen maken voor wij weten, wat de Kiowa’s hebben
gedaan, nadat zij hebben bemerkt dat wij er niet meer waren.
—Moeten wij dit eerst weten? Kunnen wij dit niet raden?
—Ja, raden kan men, maar dat geeft geen zekerheid. Men kan zich
vergissen.
—Hier kan men zich niet vergissen. De Kiowa’s zijn geen kleine
kinderen, maar volwassen krijgers; zij zullen doen wat het
verstandigste voor hen is.
—En dat is? Wegrijden? Naar hun dorp gaan?
—Ja. Nu ze u niet hebben aangetroffen, weten zij, dat Santer’s plan
onuitvoerbaar is en de aanvoerder zal zijn vroeger gemaakt plan
doorzetten. Ik ben overtuigd dat zij er van afzien, ons nog hier aan te
vallen.
—Santer zal toch zijn best doen, hen daartoe over te halen.
—Dat zal hij zeker doen, maar niemand zal naar hem hooren, zij gaan
weg.
—En wij? Wat zullen wij doen? Rijden wij hen achterna?
—Of voor hen uit!
—Ook goed! Dan zijn wij voor hen en kunnen hen overrompelen.
—Dat zouden wij kunnen doen, maar ik weet iets beters. Wij moeten
Santer hebben en wij willen Sam Hawkins bevrijden. Onze weg leidt ons
dus naar het dorp, waar Hawkins gevangen ligt, maar wij behoeven niet
denzelfden weg te volgen, welken deze Kiowa’s zullen inslaan.
—Kent mijn broeder Winnetou het dorp van het opperhoofd Tangua?
—Ja.
—Weet hij precies waar het ligt?
—Zoo precies, als ik de ligging van mijn eigen Pueblo ken. Het ligt aan
de Salt-Fork, den noordelijken arm van de Red-River.
—Dus zuid-oostelijk van hier?
—Ja.
—Wij worden uit het Noordwesten verwacht en moeten dus zien van het
Zuidoosten te komen.
—Dat is juist, wat ik wil. Mijn broeder Shatterhand heeft steeds
dezelfde gedachten als ik. Het is zooals Intschu Tschuna, mijn vader,
zeide, toen wij broederschap dronken: „de ziel leeft in het bloed. De
zielen dezer beide krijgers zullen in elkander overgaan. Wat
Old-Shatterhand denkt dat zijn ook Winnetou’s gedachten en wat Winnetou
wil, dat zij ook de wil van Old-Shatterhand.” Zoo is het ook geschied.
Zijn oog zag in onze harten en het zag onze toekomst open voor zich.
Het zal hem in de eeuwige jachtvelden genoegen doen en het zal zijn
zaligheid verhoogen, wanneer hij ziet dat zijn woorden bewaarheid zijn
geworden. Howgh!
Hij zweeg geroerd en allen die zich bij ons bevonden, eerbiedigden dit
zwijgen. Het was een stomme en toch zoo welsprekende hulde, die de zoon
aan den overleden vader bracht. Eerst na eenige minuten vervolgde hij,
eenigszins verlegen:
—Ja, wij zullen het dorp waar Tangua heerscht, opzoeken, maar niet
langs den kortsten weg, dien de Kiowa’s zullen inslaan. Wij zullen om
zijn gebied heenrijden en van den anderen kant naderen. Het is nu maar
de vraag, wanneer wij zullen opbreken. Hoe denkt Old-Shatterhand
daarover?
—Wij zouden wel dadelijk kunnen wegrijden, de weg is lang en hoe eerder
wij den tocht beginnen, des te eerder komen wij aan het doel. Maar ik
zou dit toch niet aanraden.
—Waarom niet?
—Omdat wij niet weten, wanneer de Kiowa’s deze streek verlaten.
—Waarschijnlijk reeds hedenavond.
—Dat acht ik ook waarschijnlijk, maar het is toch ook mogelijk dat zij
tot morgen wachten. Bovendien blijft de mogelijkheid niet uitgesloten,
dat zij toch weder op de gedachte komen ons nog aan te vallen. In elk
geval moeten wij, wanneer wij eerder vertrekken dan zij, zorgen dat zij
ons spoor niet zien. Zij zouden dan ons plan raden en dit verijdelen.
—Mijn broeder spreekt wederom mijn gedachten uit. Wij moeten hier
blijven tot zij weg zijn, dan zijn wij zeker dat zij ons geen schade
kunnen doen. Maar hier, waar wij ons nu bevinden, kunnen wij vannacht
niet blijven, want wij moeten rekening houden met de mogelijkheid dat
zij ons hier opzoeken.
—Het beste zou dan zijn dat wij een plaats zochten, van waar wij bij
het aanbreken van den dag den uitgang van de kloof kunnen overzien.
—Ik weet zulk een plaats. Mijn broeders mogen hun paarden bij den
teugel nemen en mij volgen!
Wij haalden onze paarden en volgden hem naar de prairie. Na eenige
honderden passen kwamen wij aan een groep boomen, onder welke wij halt
hielden. Hier konden wij legeren zonder door de Kiowa’s gevonden te
worden. En wanneer de morgen aanbrak, lag de kloof voor ons en was
gemakkelijk te zien wat daar voorviel. De nacht was even koud als de
vorige nachten, ik wachtte tot mijn paard ging liggen en nestelde mij
toen zoo dicht er tegen aan dat ik er door was verwarmd. Het dier bleef
rustig liggen, alsof het begreep welken dienst ik van hem verlangde en
ik werd slechts éénmaal in den geheelen nacht wakker. Toen het licht
werd, kwamen wij niet onder de boomen vandaan, maar hielden wel een uur
lang de oogen op de kloof gevestigd. Er bewoog zich niets. Daarom
achtten wij het nu geraden eens rond te zien waar de Kiowa’s bleven.
Voor het geval zij nog in de buurt waren, moesten wij voorzichtig zijn
en hen heimelijk trachten te naderen, dit nam echter veel tijd en
daarom stelde ik Winnetou voor:
—Zij zijn over de prairie naar den Nuggets-Hill gekomen en zullen den
berg ook weder langs dien weg verlaten. Waarom dus naar hen te zoeken!
Als wij om de bergen heenrijden, tot aan de plaats waar zij gisteren uw
verkenner ontdekten, moeten wij zien of zij weg zijn of niet.
—Mijn broeder heeft gelijk. Wij willen doen, wat hij zegt.
Wij stegen te paard en reden in een halven cirkel om de bergen heen.
Dit was dezelfde weg maar dan omgekeerd, dien de Apachen hadden
gevolgd, toen zij Santer’s spoor zochten. Toen wij aan de zuidelijk van
den Nuggets-Hill gelegen prairie kwamen, zagen wij twee groote diepe
sporen; dat van gisteren voerde naar het dal en dat van hedennacht kwam
uit het dal; de Kiowa’s waren weg, er was geen twijfel mogelijk. Om
geheel zeker te zijn, reden wij evenwel toch het dal binnen en zochten
dit geheel door, tot ook de daar zichtbare sporen ons bewezen dat de
Kiowa’s vertrokken waren.
Nu volgden wij het laatst gemaakte spoor, dat met het vorige samenviel
en met opzet zeer duidelijk was gemaakt. Zij wilden juist dat wij hen
zouden volgen en hadden zelfs op plaatsen waar anders geen spoor zou
zijn achtergebleven, moeite gedaan om duidelijke indrukken achter te
laten. Winnetou glimlachte even toen hij dat zag en zeide:
—Deze Kiowa’s moesten ons kennen en daarom hun spoor dat wij toch wel
zouden hebben gevonden, zoeken te verbergen. Zij moesten begrijpen dat
hun handelingen ons wantrouwen zouden opwekken. Zij wilden zeer
verstandig handelen, maar doen juist het tegendeel omdat zij geen
hersenen hebben.
Hij zeide dit zoo luid dat ook de gevangen Kiowa, dien wij nog steeds
bij ons hadden, het kon hooren. En zich rechtstreeks tot dezen wendend
ging hij voort:
—Gij zult waarschijnlijk moeten sterven, want wanneer wij Sam Hawkins
niet terugkrijgen of wanneer wij hooren dat hij gekweld is geworden,
zullen wij u dooden; maar indien dit niet geschiedt en wij u de
vrijheid kunnen teruggeven, zeg dan aan uw krijgers dat zij handelen
als kleine kinderen, die nog niets hebben geleerd en uitgelachen moeten
worden. Wij denken er geen oogenblik aan hun spoor verder te volgen.
Bij deze woorden verliet hij het spoor en wendde zich naar het zuiden.
Wij bevonden ons tusschen het brongebied van de zuidelijke Canadian en
dat van den noordelijken arm der Red-River en het was Winnetou’s doel,
deze laatste op te zoeken.
De paarden van de Apachen, die met mij Santer hadden achtervolgd, waren
vrij vermoeid, daarom konden wij niet zoo snel rijden als wij
wenschten. Daarbij kwam dat de voorraad proviand welke wij mede hadden
genomen niet groot meer was. Zoodra deze geheel op was, moesten wij van
de jacht leven en dit was een groot nadeel, daar het ten eerste onzen
tijd dien wij haast niet konden missen in beslag nam en ten tweede,
konden wij wanneer wij op jacht waren, niet zoo voorzichtig zijn als in
de gegeven omstandigheden noodzakelijk was.
Gelukkig stuitten wij laat in den namiddag op een kleinen troep bisons.
Het waren de achterblijvers van de groote kudden buffels, die hun trek
naar het zuiden reeds hadden volbracht. Wij schoten twee koeien en
kregen daardoor zooveel vleesch, dat wij voor een geheele week waren
voorzien en nu aan niets anders meer behoefden te denken dan aan het
doel van onzen tocht.
Den volgenden morgen bereikten wij den noordelijken arm van de
Red-River, dien wij stroomopwaarts volgden. Er was weinig water in,
maar de oevers waren groen, terwijl wij tot nog toe verdord buffelgras
onder onze voeten hadden gehad. Hier vonden wij dus voedsel voor onze
paarden.
De Salt-Fork komt uit westelijke richting en mondt dus rechts in de
Red-River. In den hoek, welke daardoor wordt gevormd, lag destijds het
dorp, waarvan Tangua het hoofd was. Wij bevonden ons op den anderen dat
wil zeggen, den linkeroever van de rivier en mochten daarom hopen, niet
gezien te worden. Toch reden wij, toen wij de monding van de Salt-Fork
bereikten, een eind om, om op een lager gelegen plaats aan de Red-River
te komen. Wij deden dit uit voorzichtigheid bij nacht en het was vroeg
in den morgen dat wij de rivier voor ons zagen. Wij bevonden ons nu,
zooals ook ons doel was, juist in de tegenovergestelde richting, van
welke wij door de Kiowa’s werden verwacht en zochten een verborgen
plekje op, om daar van onzen nachtelijken rit uit te rusten. Alleen aan
Winnetou en mij was geen rust beschoren, want mijn vriend wilde op
verkenning uitgaan en noodigde mij uit hem te vergezellen.
Terwijl onze rit tot nu toe stroomopwaarts was gegaan, moesten wij om
het terrein te verkennen weer stroomopwaarts en wel naar den anderen
oever. Wij moesten dus over de rivier, wat ons ook zelfs wanneer deze
meer water bevatte, niet moeilijk zou zijn gevallen.
Natuurlijk konden wij niet in de nabijheid van onze legerplaats door de
rivier waden, daar dit licht ontdekt kon worden, wanneer iemand later
eens ons spoor zou treffen en dit wilde volgen. Wij reden dus nog een
stuk stroomopwaarts, tot wij aan een beekje kwamen, dat zich eveneens
in de Red-River uitstortte. Hier voerden wij onze paarden in het water
en reden tegen den stroom op, zoodat onze sporen verloren gingen. Na
een half uur verlieten wij dat beekje en stuurden onze paarden naar de
prairie, om nu naar de Red-River terugkeerend, deze te bereiken op een
plaats, eenige Engelsche mijlen boven onze legerplaats gelegen.
Deze omweg en het verbergen der sporen had tijd gekost, maar de moeite
welke wij ons hadden gegeven, werd spoediger beloond, dan wij gedacht
hadden. Wij hadden namelijk de rivier nog niet bereikt en bevonden ons
nog op de prairie, toen wij twee ruiters zagen aankomen die wel een
dozijn lastdieren bij zich hadden. Zij kwamen ons niet tegemoet, maar
reden rechts aan ons voorbij. De eene ruiter voor, de andere achter de
welbeladen muildieren en hoewel wij hun gezichten niet duidelijk konden
zien, vermoedden wij aan hun kleeding, dat het blanken waren.
Toen zij ons zagen, hielden zij even stil. Het zou hoogst onbeleefd
zijn geweest, wanneer wij zoo voorbij waren gereden, bovendien wij
konden veel van hen gewaar worden, daar zij uit het dorp der Kiowa’s
schenen te komen. Daarom vroeg ik Winnetou:
—Zullen wij hen aanspreken?
—Ja,—antwoordde hij,—het zijn bleekgezichten, handelaars, die met de
Kiowa’s ruilhandel hebben gedreven. Zij mogen echter niet weten wie wij
zijn.
—Goed. Ik ben de beambte van een factory en moet in deze kwaliteit naar
de Kiowa’s, versta echter hun taal niet en heb u daarom meegenomen. Gij
zijt een Pawnee-Indiaan.
—Uitstekend. Mijn broeder mag met deze beide bleekgezichten spreken.
Wij reden op hen toe. Zij hadden, zooals men bij onverwachte
ontmoetingen in het wilde Westen pleegt te doen, hun geweren ter hand
genomen en zagen ons vol verwachting tegemoet.
—Laat uw geweren maar rusten, heeren,—zoo sprak ik hen aan, toen wij
dichtbij waren, wij hebben geen plan u te bijten.
—Het zou u ook slecht bekomen,—antwoordde een van hen,—wij kunnen van
ons afbijten. Wij hebben onze geweren ter hand genomen, niet uit angst
maar omdat het nu eenmaal zoo de gewoonte is en omdat gij ons wat
verdacht voorkomt.
—Verdacht? Hoezoo?
—Welnu, wanneer twee gentlemen, van wie de een een blanke en de ander
een roodhuid is, zoo alleen in de prairie rondrijden, zijn het
gewoonlijk spitsboeven. Daarbij komt dat uw kleeding Indiaansch is. Het
zou mij verwonderen, als gij eerlijke kerels waart!
—Dank u zeer voor uw oprechtheid. Het is altijd nuttig te weten, wat de
een van den ander denkt. Wij kunnen u echter verzekeren dat gij u
vergist.
—Het is mogelijk. Galgentronies hebt gij niet, dat moet ik eerlijk
bekennen. Het kan mij eigenlijk ook weinig schelen of gij vroeger of
later hier of daar wordt opgeknoopt, want dan krijgt gij het touw om uw
hals en ik niet. Misschien zijt gij wel zoo beleefd te zeggen van waar
gij komt?
—Zeker, wij hebben niet de minste reden, om dit te verbergen, wij komen
van Washita.
—Zoo! En waar wilt gij naar toe?
—Naar de Kiowa’s.
—Naar welken?
—Naar den stam waarvan Tangua het opperhoofd is.
—Dat is niet ver van hier.
—Dat weet ik, het dorp ligt tusschen de Red-River en de Salt-Fork.
—Juist, maar wanneer ik u een goeden raad schuldig ben, keert dan snel
terug en laat u niet zien.
—Waarom niet?
—Omdat het een slechte gewoonte is, zich door de roodhuiden te laten
ombrengen.
—Kom, wij zijn daarvoor nooit bang geweest en zullen dit nu ook niet
zijn!
—Niemand kan vooruit weten, wat er later nog zal gebeuren. Mijn
waarschuwing is goed gemeend. Wij komen van Tangua. Hij heeft het
prijzenswaardig plan om elken blanke en ook elken roodhuid, die geen
Kiowa is om hals te brengen.
—Een prachtig plan. Heeft hij u dit zelf meegedeeld?
—Ja zeker, herhaalde malen.
—Die spotvogel!
—Neen, het was hem volkomen ernst!
—Ernst? Werkelijk? Hoe heb ik dan nu het genoegen u zoo gezond en wel
voor mij te zien? Hij wil iederen blanke ombrengen en ook iederen
roodhuid, zooals gij beweert. Ik heb u ook voor blanken aangezien, of
zijt gij misschien negers?
—Geen gekheid sir! Ons doet hij niets, voor ons heeft hij een
uitzondering gemaakt, omdat wij oude, goede bekenden van hem zijn en
reeds herhaalde malen in zijn dorp zijn geweest. Wij zijn namelijk
kooplieden zooals gij wel zult hebben geraden en wel eerlijke
handelaars, niet zulke schelmen, die de roodhuiden met hun waren
bedriegen en dan niet weer terugkomen. Daarom zijn wij overal welkom.
De roodhuiden hebben onze waren noodig en zullen dus niet zoo dom zijn
een eerlijken kerel, van wien zij voordeel kunnen hebben om hals te
brengen. U echter zullen zij vermoorden, weest er van verzekerd.
—Maar ik meen het ook goed met hen en zoek hen juist op om hun voordeel
aan te brengen.
—Zoo? Vertel ons dan eens, wie gij zijt en wat gij bij hen wilt doen.
—Ik behoor tot een agentschap.
—Agentschap? dat is het ergste, wat er is. Neem mij niet kwalijk maar
ik wil u wel in uw eigen belang zeggen, dat de roodhuiden het juist
hebben begrepen op de agenten, omdat.... omdat....
Hij aarzelde en daarom vervolgde ik in zijn plaats:
—Omdat zij zoo dikwijls door hen bedrogen zijn, meent gij. Dat stem ik
u toe.
—Het verheugt mij zeer, uit uw eigen mond te hooren, dat gij agenten,
spitsboeven zijt!—lachte hij.—De Kiowa’s zijn bij de laatste leveringen
geducht beetgenomen. Als gij lust hebt dood gemarteld te worden, gaat
er dan maar gerust heen, er zal direct aan uw verzoek worden voldaan.
—Ik dank u wel, sir. Ik weet wel dat de Kiowa’s ons eerst niet
vriendelijk zullen ontvangen, maar ik verzeker u dat zij wel spoedig
van gedachte zullen veranderen, als ik hun vertel, wat ik bij hen kom
doen. Ik wil namelijk weer goedmaken, wat anderen hebben misdreven, zij
kunnen krijgen, wat hun te weinig is geleverd en ik kom hun vertellen,
waar zij de waren in ontvangst kunnen nemen.
—Voor den drommel, dat is ook een witte raaf!—riep hij verbaasd.—In dat
geval zullen zij u natuurlijk niets doen. Maar waarom hebt gij dan een
roodhuid bij u?
—Omdat ik het dialect van de Kiowa’s niet versta, hij is mijn tolk een
Pawnee, dien Tangua wel kent.
—Zoo! Dan komt alles in orde en is mijn waarschuwing overbodig. Maar ik
deed het voor uw bestwil, want Tangua is letterlijk woedend op alles,
wat niet Kiowa heet.
—Waarom dat?
—Omdat hij in den laatsten tijd zulke slechte ervaringen heeft
opgedaan. De Apachen zijn in zijn gebied gevallen en hebben hem meer
dan honderd stuks paarden ontstolen. Hij heeft hen natuurlijk
achtervolgd, maar aangezien zij drie- of viermaal meer krijgers hadden
dan hij, is hij verslagen geworden. Dit zou evenwel, ondanks hun
overmacht, niet geschied zijn als niet een gezelschap blanke mannen de
Apachen had geholpen. Een van dezen, heeft den aanvoerder lam
geschoten. Deze man heet Old-Shatterhand, een kerel, die den sterksten
man met de vuist neerslaat. Het zal hem echter wel niet goed bekomen.
—Niet? Willen de roodhuiden zich wreken?
—Natuurlijk, Tangua is door beide knieën geschoten geworden, een
vreeselijk lot voor een opperhoofd! Hij schuimt letterlijk van woede en
zal niet rusten voor hij dezen Old-Shatterhand en Winnetou in zijn
macht heeft.
—Winnetou? Wie is dat?
—Een jong Apachen-opperhoofd, die met een kleine schare krijgers,
ongeveer twee dagritten van hier gelegerd is. De blanken zijn bij hem
en een aantal Kiowa’s zijn uitgereden om deze kerels naar het dorp te
lokken.
—Hm! Zouden deze blanken en deze Apachen zoo dom zijn, in de val te
loopen?
—Waarschijnlijk wel. Tangua althans is er van overtuigd en heeft de
streek door welke zij moeten komen laten afzetten. Deze lieden zijn
bepaald verloren. Het gaat mij wel niets aan, maar daar er blanken bij
zijn heb ik mij maar uit de voeten gemaakt. Ik zou anders nog eenige
dagen bij Tangua zijn gebleven, maar nu toe te zien, dat blanken dood
worden gemarteld, daarin had ik toch geen lust.
—Zou het u niet mogelijk zijn geweest hen te redden?
—Neen, al had ik het gewild. Maar waarom zal ik mijn handen in eens
anders vuil steken? Ik ben, om zoo te zeggen, de handelsvriend der
Kiowa’s en ik wil mij zelf niet benadeelen door partij te trekken voor
hun vijanden. Ik heb een kleine poging gewaagd, maar Tangua werd zóó
woedend, dat ik mij dadelijk heb teruggetrokken.
—Nu ja, het was ook nog geen tijd om voor de gevangenen in de bres te
springen, zij waren nog niet eens gevangen, gij hadt moeten wachten.
—O, er was reeds een gevangen, een blanke, een van de metgezellen van
Old-Shatterhand. Een zonderling kereltje, die maar steeds lachte en
volstrekt niet deed, als iemand die den dood voor oogen heeft.
—Hebt gij hem gezien?
—Ik zag, dat men hem bracht en zag hem wel een uur lang, gebonden op
den grond liggen. Toen werd hij naar het eiland gebracht.
—Naar een eiland? dat dienst doet als gevangenis?
—Ja. Het ligt in de Salt-Fork, eenige schreden van het dorp en wordt
goed bewaakt.
—Hebt gij met den gevangene gesproken?
—Slechts enkele woorden. Ik vroeg hem of ik soms iets voor hem kon
doen. Hij lachte mij vriendelijk toe en zeide, dat hij zulk een zin had
in een glas room, of ik niet naar Cincinnati wou rijden om het te
halen. Die gekke kerel! Ik zeide dat er met zijn toestand niet viel te
spotten, toen lachte hij weer en meende dat ik mij maar niet bezorgd
over hem moest maken, want dat er wel andere menschen waren die voor
hem zouden zorgen. Toch deed ik een goed woord voor hem bij het
opperhoofd, maar dat hielp mij niet veel. Trouwens, slecht behandeld
wordt hij niet, want Old-Shatterhand heeft een gevangen Kiowa als
gijzelaar bij zich. Alleen Santer doet zijn best, hem het eindje leven
dat hij nog heeft, moeilijk te maken.
—Santer? Dat lijkt, volgens den naam wel een blanke. Waren er dan
buiten u nog andere blanken bij de Kiowa’s?
—Neen, alleen deze eene, die Santer heet.—Ik mocht dien kerel niet. Hij
kwam gisteren in het dorp met de roodhuiden die Winnetou hierheen
hadden gelokt en begon dadelijk den gevangene te plagen. Gij zult hem
wel leeren kennen als gij in het dorp komt.
—Weet gij ook, wat hij eigenlijk bij Tangua doet?
—Neen. Ik heb hem gegroet, maar mij verder niet met hem bemoeid, omdat
mijn gezelschap hem niet aangenaam scheen te zijn. Ik had het misschien
van de roodhuiden te weten kunnen komen, maar ik heb er niet naar
gevraagd. Wat mij niet aangaat, daar bemoei ik mij niet mee, dat is zoo
mijn stelregel.
—Is deze Santer de gast van den aanvoerder of heeft hij een eigen tent?
—Er is hem een tent aangewezen; niet een dadelijk naast het opperhoofd,
maar een oude leeren hut, bijna aan het eind van het dorp. Hij schijnt
bij het opperhoofd niet bijzonder in de gunst te staan.
—Weet gij misschien, hoe de blanke gevangene heet?
—Sam Hawkins, een beroemd prairiejager, ondanks zijn eigenaardigheden.
Het spijt mij, dat hij gedood zal worden, maar ik kon hem niet helpen.
Misschien luistert het opperhoofd meer naar u dan naar mij, doe gij dus
een goed woordje voor hem.
—Ik zal het doen. Kunt gij mij de ligging van de tent, in welke Santer
woont, niet nauwkeurig omschrijven?
—Waarvoor? Gij zult haar zien, zoodra gij het dorp binnenkomt. Het is
de vierde of vijfde, van de rivier af gerekend. Ik geloof niet, dat de
man u zal bevallen, hij heeft een boevengezicht. Wacht u voor hem! Gij
zijt, ondanks uw ambt, nog zeer jong en zult mij een goeden raad niet
kwalijk nemen. Ik moet nu verder. Vaarwel en kom behouden terug!
Zou ik hem hier houden om hem nog meer te vragen? Dan had ik hem
oprecht moeten zeggen, wie wij waren en dat scheen mij toch te gewaagd.
Winnetou was van dezelfde meening, want hij reed verder en zeide op
halfluiden toon:
—Het is genoeg, mijn broeder moet niet meer vragen, want dit zou
achterdocht wekken.
—Ik geloof ook, dat wij nu genoeg weten, wij weten tamelijk nauwkeurig,
waar Hawkins is en ook, waar Santer woont en zullen beiden wel vinden.
Hoe ver zullen wij nu rijden?
—Zoo ver tot deze handelaars uit het gezicht zijn, dan keeren wij terug
naar onze legerplaats. Wij hebben zeer veel nut gehad van deze
ontmoeting. Om alles te weten te komen, wat wij nu hebben ervaren,
hadden wij ons in groot gevaar moeten begeven. Nu weten wij waar wij
aan toe zijn en zullen hedenavond samen het dorp der Kiowa’s besluipen.
De beide handelaars verdwenen langzamerhand uit ons gezicht. Zij
moesten langzaam rijden, daar zij zoovele lastdieren bij zich hadden.
Ik heb later vernomen, hoe noodlottig dit voor hen is geweest. Evenzoo
vernam ik, dat ze bij de Kiowa’s vellen van verschillende pelsdieren in
ruil hadden ontvangen. Degene, die met ons gesproken had, was de
eigenlijke koopman, de andere was slechts zijn bediende geweest. Toen
zij weg waren en ons niet meer konden zien, keerden wij langs
denzelfden weg, langs welken wij gekomen waren, naar onze legerplaats
terug, onderweg alle moeite doende, om onze sporen uit te wisschen.
Dick Stone en Will Parker waren met den uitslag van onzen
verkenningstocht zeer ingenomen. Vooral verheugden zij er zich over,
dat hun vriend Sam zich naar omstandigheden wel bevond en zijn
onverstoorbaar goed humeur had behouden. Zij verzochten ons dringend,
hen toch dezen avond mee te nemen, maar Winnetou wees dit verzoek af,
door te zeggen:
—Mijn beide blanke broeders moeten vandaag nog hier blijven, want wij
zullen op dezen tocht Sam Hawkins toch niet kunnen bevrijden. Dat kan
waarschijnlijk eerst morgen gebeuren en dan kunt gij er bij zijn.
Onze schuilplaats was tamelijk veilig, maar wij bevonden ons op
vijandelijk gebied en het toeval kon licht een of eenige Kiowa’s naar
den oever voeren, waar wij legerden. Daarom stelde Winnetou voor:
—Ik ken een eiland, dat een klein eindje stroomopwaarts, midden in de
rivier ligt. Op dit eiland staan boomen en struiken, achter welke wij
ons kunnen verbergen. Niemand zal daar komen. Mijn broeders moeten mij
naar dit eiland volgen.
Wij verlieten dus onze legerplaats en reden langs den oever der rivier
tot wij het eiland zagen. Het water was hier diep en had hier tamelijk
veel verval, maar wij kwamen met onze paarden behouden over en het
bleek, dat Winnetou gelijk had. Het eiland was groot en genoeg begroeid
om ons en onze paarden een veilige schuilplaats aan te bieden.
Ik maakte tusschen de struiken mijn leger gereed en ging slapen, want
het was vooruit te zien, dat in den volgenden nacht van slapen geen
sprake zou zijn, niet dat wij daartoe geen tijd of gelegenheid zouden
hebben, maar om een andere reden.
Sam Hawkins werd namelijk op een klein eiland gevangen gehouden, dat ik
wilde besluipen. Om dit te doen, moest ik natuurlijk door het water.
Ja, reeds dadelijk, wanneer we opbraken, moest ik met Winnetou van ons
eiland naar den oever zwemmen, waarbij wij geheel nat zouden worden.
Het was midden in December en het water was koud, wie zou dus met
doornatte kleeren hebben kunnen slapen.
Toen het duister was geworden, werden wij gewekt, want ook Winnetou had
geslapen. Het was tijd, naar het dorp te gaan. Wij trokken de niet
volstrekt noodige kleedingstukken uit en lieten ook alles, wat wij in
de zakken hadden, achter. Van onze wapens namen wij alleen het mes mee.
Toen sprongen wij in de rivier en zwommen naar den rechteroever, omdat
wij van dezen uit, de Salt-Fork konden bereiken.
Nadat wij een klein uur lang, langs dezen oever waren geloopen, kwamen
wij aan de plaats, waar de Salt-Fork in de Red-River uitmondt en een
honderd pas verder, zagen wij reeds de vuren van het dorp. Het lag
onmiddellijk aan den linkeroever van de Salt-Fork, terwijl wij ons op
den rechter bevonden. Wij moesten dus naar den overkant. Dit deden wij
evenwel niet dadelijk, maar wij slopen langzaam de geheele lengte van
het dorp verder.
Zulk een Indiaansch dorp is natuurlijk niet te vergelijken met een
Europeesch dorp, een verzameling van huizen, bij welke en om welke
tuinen en velden liggen. Er was hier geen spoor van tuinen of velden en
de woningen bestonden uit dikke lederen tenten, welke in den zomer door
linnen werden vervangen.
Bijna voor elke tent brandde een vuur, waaromheen de bewoners zaten, om
zich te verwarmen of om het avondeten te gebruiken. De grootste tent
stond ongeveer in het midden van het dorp. De ingang was versierd met
lansen, waaraan adelaarsveeren hingen en allerlei ander zonderling
tuig. Bij het vuur zat Tangua, het opperhoofd met een jongen, misschien
achttienjarige Indiaan en twee knapen, van ongeveer twaalf en veertien
jaar.
—Dat zijn zijn drie zonen,—zeide Winnetou.—De oudste is zijn lieveling
en belooft een dapper krijgsman te worden. Hij loopt zoo snel, dat hij
den naam van Pida (hert) heeft gekregen.
Ook vrouwen liepen af en aan, maar het is bij de Indianen aan de
vrouwen en kinderen niet geoorloofd met de mannen te eten. Zij eten
later en moeten tevreden zijn met wat overblijft, terwijl zij verplicht
zijn zelfs den zwaarsten arbeid te verrichten.
Ik zocht naar het eiland. De hemel was donker en bewolkt, geen ster was
te zien, maar de vuren maakten het ons mogelijk drie eilanden te
onderscheiden, welke op geringen afstand van elkander lagen
—Op welk eiland zou Sam zich bevinden?—vroeg ik.
—Als mijn broeder dit wil weten, moet hij er aan denken, wat de koopman
heeft gezegd,—antwoordde Winnetou.
—Dat het eiland dicht aan den oever ligt, meent gij? Het eerste en het
derde liggen het verst hier naar dezen kant, het moet dus het tweede,
het middelste zijn.
—Waarschijnlijk. En rechts is het benedeneinde van het dorp waar in de
vierde of vijfde tent Santer woont. Wij zullen niet bij elkander
blijven, maar ieder zijn eigen weg gaan. Ik heb het voorzien op den
moordenaar van mijn vader en van mijn zuster en zal dus te weten zien
te komen, waar deze woont. Sam is meer uw makker dan de mijne, gij moet
dus naar hem zoeken.
—En waar vinden wij elkander weer?
—Hier, op deze plaats.
—Als er niets bijzonders gebeurt, zal dat wel gaan, maar wanneer
toevallig één van ons wordt opgemerkt, zal er een groot tumult volgen,
daarom moeten wij nog een andere plaats bepalen, wat verder van het
dorp gelegen.
—Ons plan is niet gemakkelijk uit te voeren, uw taak is echter nog
moeielijker dan de mijne, want gij moet naar het eiland zwemmen en kunt
licht door de wachters worden gezien. Mocht men u grijpen, dan zal ik u
te hulp komen, wordt gij niet gevat, dan keert gij naar ons eiland
terug, maar langs een omweg, opdat men de richting, in welke gij
vlucht, niet ontdekt.
—Maar morgen vroeg zal men toch de sporen zien?
—Neen, want wij krijgen spoedig regen en de sporen zullen worden
uitgewischt.
—Goed! En als gij een ongeluk mocht krijgen, kom ik u te hulp.
—Dat zal niet gebeuren. Zie eens naar den overkant. Ginds voor de
vijfde hut brandt geen vuur, daar zal Santer wonen, hij zal binnen zijn
en slapen. Het is dus heel gemakkelijk te weten te komen, hoe het met
hem staat!
Na deze woorden ging hij heen, een eind langs den oever, om dan buiten
het bereik van het dorp over de rivier te zwemmen en heimelijk naar de
tenten terug te keeren.
Ik moest het heel anders aanleggen. Mijn doel lag binnen het bereik van
den gloed van het legervuur, ik mocht dus niet aan de oppervlakte van
het water komen, maar moest het eiland al duikende zien te bereiken.
Onder water door te zwemmen was zoo moeilijk niet, maar hoe, wanneer ik
juist opdook vóór een der schildwachten. Neen, ik moest eerst naar een
der nabijgelegen eilanden, waar zich waarschijnlijk niemand bevond. Het
eerste lag ongeveer twintig meter van het tweede, het middelste. Ik kon
dus van daar uit waarschijnlijk zien, hoe het er op het tweede uitzag.
Ik ging dus een eind stroomopwaarts en hield mijn oog voortdurend
gevestigd op het eerste eiland. Er was daar niet de geringste beweging
te bespeuren, waarschijnlijk was daar niemand. Toen gleed ik langzaam
in het water, dook onder en zwom naar den oeverkant. Ik kwam zonder
ongelukken aan en waagde het, het hoofd boven water te steken, om adem
te halen. Ik bevond mij aan het boveneinde voor het eerste eiland en
zag nu, dat er nog een beter middel was, om tot mijn doel te geraken.
Het eiland, aan welks rand ik nu stond, was ook ongeveer twintig meter
van den oever verwijderd, waar een lange rij van kano’s lag
vastgemeerd. Deze kano’s konden mij een voortreffelijke dekking bieden.
Ik dook dus weer onder, zwom naar de eerste kano, van daar naar de
tweede, derde en zoo verder, tot ik achter de zesde, zoo nabij het
middelste eiland was, dat ik dit geheel kon overzien.
Het lag dichter bij het land dan de beide andere eilanden en was
begroeid met laag kreupelhout, waaruit twee boomen omhoog staken. Van
den gevangene en zijn bewakers kon ik niets zien. Juist wilde ik weer
onderduiken, om terug te zwemmen, toen ik boven mij, op den hoogen
oever, eenig gedruisch hoorde. Ik zag op. Een Indiaan daalde den oever
af. Het was Pida, het „hert” de zoon van het opperhoofd. Gelukkig ging
hij naar een verder stroomafwaarts liggende boot, zoodat hij mij niet
zag. Hij maakte deze los en roeide naar het middelste eiland. Ik moest
dus wachten. Weldra hoorde ik stemmen en herkende ik die van mijn
kleinen Sam. Ik moest hooren, wat er werd gesproken en zwom dus onder
water naar een verder gelegen kano. Er waren er zooveel, dat wel ieder
dorpsbewoner er een voor zich scheen te hebben. Toen ik weer opdook en
achter deze kano verborgen, naar het gesprek luisterde, hoorde ik den
zoon van het opperhoofd zeggen:
—Tangua, mijn vader, wil het weten!
—Ik denk er niet aan, het u te zeggen!—antwoordde Sam.
—Dan zult gij tienvoudig worden gepijnigd.
—Laat u niet uitlachen! Sam Hawkins en die gepijnigd worden! hihihihi!
Uw vader heeft mij reeds eenmaal willen laten martelen, daarginds, bij
den Rio Pecos, bij de Apachen. Wat is het gevolg daarvan geweest?
Herinnert gij u dat nog?
—Dat Old-Shatterhand, die hond, hem lam heeft geschoten.
—Welnu, zoo zou het ook nu weer gaan. Gij zult u wel wachten, mij eenig
leed te doen.
—Als gij dat in ernst meent, is de waanzin in uw hoofd geslagen. Gij
zijt gebonden en kunt niet ontkomen. Bedenk, dat uw geheele lichaam met
riemen is omwonden, zoodat gij geen lid kunt verroeren.
—Ja, dat heb ik aan dien braven Santer te danken en ik bevind er mij
zeer goed bij.
—Gij lijdt pijn, dat weet ik, maar gij wilt dit niet laten bemerken.
Bovendien zijt gij nog vastgebonden en hier zitten dag en nacht vier
krijgers om u te bewaken. Hoe wilt gij dus ontkomen?
—Dat is mijn zaak, beste jongen! Tot nu toe bevalt het mij hier goed,
wacht dus maar tot ik weg wil.
—Wij zouden u vrijlaten, als gij ons wildet zeggen, waarheen gij gaan
zult.
—Maar ik zeg het niet. Ik weet wel, hoe het dan gaat. De brave Santer
is zoo vriendelijk geweest, mij de geheele geschiedenis te vertellen,
om mij vrees aan te jagen, wat hem echter niet gelukt is. Gij zijt naar
de Nuggets-Hills geweest, om Old-Shatterhand en Winnetou te vangen.
Belachelijk! Old-Shatterhand te vangen, die mijn leerling is....
hihihihi!
—Waarom zijt gij dan hier gekomen?
—Om den tijd te verdrijven. Ik wilde wel graag eens een paar dagen bij
u zijn, omdat ik zooveel van u houd, als ik mij niet vergis. Dus hebt
gij een vergeefschen rit gemaakt en verbeeldt u nu, dat Winnetou met
zijn Apachen en Old-Shatterhand u na zullen loopen. Zoo iets dwaas heb
ik nu nog nooit gehoord. Nu ziet gij evenwel in, dat gij u vergist
hebt. Zij zijn niet hier gekomen en gij weet niet, waar zij zijn. Nu
wilt gij van mij weten waar Old-Shatterhand kan zijn. Gij denkt, dat ik
dat weten moet. En ik wil u ook wel oprecht zeggen, dat ik het weet.
—Waar is hij dan?
—Gij zult het spoedig vernemen, zonder dat ik het u zeg, want....
Hij hield op, want plotseling weerklonk een luid geschreeuw. Ik
verstond de woorden niet, maar naar den toon te oordeelen, was het,
alsof men een vluchteling nazette, onder een geroep, dat zooveel
beteekende als: „houdt hem, houdt hem.” Daarbij hoorde ik duidelijk den
naam van Winnetou.
—Hoort gij, waar zij zijn!—riep Sam verheugd.—Waar Winnetou is, daar is
ook Old-Shatterhand. Zij komen, zij komen!
Het gebrul werd nog luider en ik hoorde de Indianen loopen. Zij hadden
Winnetou gezien, maar niet gevat. Dat was voor mij een streep door de
rekening. Ik zag, dat de zoon van het opperhoofd zich oprichtte en naar
den oever zag. Toen sprong hij in zijn kano en riep de vier wachters
toe:
—Neemt de geweren in de hand en schiet dit bleekgezicht dadelijk neer,
zoodra er iemand mocht komen, om hem te bevrijden.
Daarop roeide hij naar den oever. Ik had Sam, indien het eenigszins
mogelijk was geweest, nog vandaag willen redden, nu zag ik, dat dit
niet ging. Als ik het had willen wagen alleen met het mes gewapend, de
vier roodhuiden aan te vallen, dan zou Sam oogenblikkelijk vermoord
zijn geworden.
Daar schoot mij echter een gedachte te binnen. Pida was de
lievelingszoon van het opperhoofd. Als ik mij van hem meester kon
maken, zou ik hem tegen Sam kunnen uitwisselen.
Een enkele blik overtuigde mij, dat dit plan, hoe dwaas het ook scheen,
toch uitvoerbaar was. De gelegenheid was gunstig. Winnetou was gevlucht
in de richting van de Red-River, terwijl onze legerplaats zich rechts
van het eiland bevond. Hij had dit natuurlijk gedaan om zijn vervolgers
van het spoor te brengen. Het geschreeuw weerklonk van dien kant en ook
de vier wachters stonden met het gezicht daarheen. Zij keerden mij
bijna den rug toe en verder was er niemand te zien. Pida had intusschen
met zijn kano den oever bereikt, wilde haar vastmaken en bukte zich.
Toen dook ik op, een vuistslag velde hem neer, ik wierp hem in de boot,
sprong er zelf in en roeide tegen den stroom in, dicht langs den oever
voort. De dolle streek was gelukt.
Ik roeide uit al mijn macht, om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik
van het dorp te komen en toen het schijnsel van het vuur mij niet
langer hinderde, legde ik aan den rechteroever van de Salt-Fork aan,
waar ik den onmachtigen Indianenzoon in het gras legde. Daarop sneed ik
den riem, waarmee ik de kano aan den oever had vastgebonden los, om
daarmee den gevangene te binden en gaf de kano een stoot, dat zij
verder gleed. Toen ik Pida’s armen aan zijn lichaam had vastgebonden,
nam ik hem op mijn arm en ving den terugtocht naar ons eiland aan.
Dit was een geduchte toer, niet omdat de last welke ik droeg, mij te
zwaar werd, maar omdat Pida, toen hij weer tot bewustzijn was gekomen,
zich heftig verzette. Herhaalde malen moest ik hem met het mes dreigen.
Zijn wapens had ik hem natuurlijk afgenomen.
—Wie zijt gij?—vroeg hij eindelijk woedend,—een bleekgezicht dien
Tangua, mijn vader, morgen zal straffen.
—Uw vader zal mij niet in handen krijgen, hij kan immers niet
loopen,—antwoordde ik.
—Maar hij heeft tal van krijgers, die hij zal uitzenden om mij te
zoeken!
—Ik lach om uw krijgers. Het kan hen gaan, zooals het uw vader is
gegaan, toen hij met mij wilde vechten.
—Oef! Hebt gij met hem gevochten?
—Ja.
—Waar?
—Daar, waar hij mijn kogels in zijn beenen kreeg.
—Oef, oef! Zijt gij dan Old-Shatterhand, vroeg hij verschrikt.
—Hoe kunt gij dit nu eerst vragen? Ik heb u immers met de vuist ter
neergeslagen. Wie anders, dan Winnetou en Old-Shatterhand zouden het
wagen, in uw dorp te dringen en er den zoon van het opperhoofd weg te
halen!
—Oef! Dus moet ik sterven! Gij zult evenwel geen kreet van pijn van
mijn lippen hooren.
—Wij dooden u niet. Wij zijn niet zulke moordenaars als gij zijt. Als
uw vader de beide bleekgezichten uitlevert, die zich bij u bevinden,
laten wij u weer vrij.
—Santer en Hawkins?
—Ja.
—Hij zal hen uitleveren, want zijn zoon is hem meer waard, dan tien
Hawkins en om Santer geeft hij niets.
Van nu af aan, weigerde hij niet langer met mij mede te gaan.
Winnetou’s voorspelling werd vervuld, het begon te regenen en wel zoo
hevig, dat het mij onmogelijk werd den oever te bereiken, die tegenover
ons eiland lag. Ik zocht dus een dicht bebladerden boom op om onder
dezen het einde van den regen of het aanbreken van den dag af te
wachten. Dit was een geduldsproef. De regen wilde niet ophouden en de
morgen niet komen. Ik troostte mij evenwel met de gedachte, dat ik niet
natter kon worden dan ik reeds was, maar ik werd daarbij zoo koud, dat
ik allerlei gymnastische beweging moest maken om mij te verwarmen.
Eindelijk werden mijn beide wenschen terzelfder tijd vervuld, de regen
hield op en de dag brak aan, maar een dichte nevel bedekte alles. Toch
viel het mij niet moeilijk, den oever te vinden. Ik riep een luid:
hallo!
—Hallo!—antwoordde Winnetou.—Is het mijn broeder Shatterhand?
—Ja.
—Kom dan over! Waarom roept gij eerst? Dat is niet voorzichtig!
—Ik heb een gevangene bij mij. Zend een goed zwemmer en eenige riemen
over!
—Ik zal zelf komen.
Hoe verheugde ik mij, dat hij niet in de handen der Kiowa’s was
gevallen! Weldra zag ik zijn hoofd boven het water verschijnen. Toen
hij aan wal stapte en den Indiaan zag liggen, zeide hij verbaasd:
—Oef! Pida, de zoon van het opperhoofd! Waar heeft mijn broeder hem
gevat?
—Niet ver van Hawkins’ eiland.
—Hebt gij Hawkins gezien?
—Neen, maar ik hoorde hem met dezen Pida redeneeren. Ik had nog met
mijn vriend willen spreken en hem willen bevrijden, maar toen werd gij
ontdekt en moest ik wel maken dat ik weg kwam.
—Ja, mijn verkenningstocht is ongelukkig afgeloopen, maar ik kon er
niets aan doen. Ik had bijna Santer’s tent bereikt, toen eenige Kiowa’s
voorbijkwamen. Ik durfde niet opstaan, maar kroop een weinig ter zijde.
Zij bleven staan en spraken met elkander en zoo viel het oog van den
een op mij. Ik moest mij dus wel uit de voeten maken. Bij het schijnsel
van het vuur herkenden zij mij. Ik vluchtte stroomopwaarts, in plaats
van stroomafwaarts om hen op een dwaalspoor te brengen. Santer heb ik
evenwel niet gezien.
—Gij zult hem spoedig zien, want deze jonge krijgsman heeft er in
toegestemd, zich tegen Santer en Sam Hawkins te laten uitleveren en ik
ben overtuigd, dat het opperhoofd daarmede genoegen zal nemen.
—Oef! Dat is zeer goed. Mijn broeder Old-Shatterhand heeft dapper, ja,
bijna overmoedig gehandeld, maar het was het beste wat hij doen kon.
Ik zeide, dat hij Santer weldra zou zien en dit gebeurde nog eerder,
dan ik had gedacht. Wij bonden den gevangene zoo tusschen ons vast, dat
zijn schouders de onzen raakten en zijn hoofd dus, ofschoon de armen
gebonden waren, boven water moest blijven, hij kon ons met zijn beenen
bij het zwemmen helpen. Zoo gingen wij in het water; Pida verzette zich
niet, maar sloeg toen wij den grond onder de voeten hadden verloren, de
beenen flink uit.
De nevel lag zóó dicht over het water, dat wij geen zes meter voor ons
uit konden zien, maar, zooals bekend is, hoort men in den nevel alle
geluiden duidelijk. Wij waren nog niet ver van den oever of Winnetou
zeide:
—Zachtjes! Ik heb iets gehoord.
—Wat dan?
—Een geluid, als van roeiriemen, die in het water worden gedreven.
—Laat ons dan even wachten.
—Ja, luister.
Wij maakten nu alleen die bewegingen, welke noodzakelijk waren, om ons
boven water te houden en maakten dus weinig gedruisch. Het bleek dat
Winnetou goed had gehoord, er kwam iemand de rivier afroeien. Hij moest
haast hebben, daar hij, ondanks het verval, dat de rivier hier had, de
riemen gebruikte.
Het kwam snel nader. Zouden wij ons laten zien of niet? Het kon een
vijandelijk verkenner zijn, misschien echter was het beter voor ons te
weten, wie hij was. Ik wierp een vragenden blik op Winnetou, hij
verstond dien en antwoordde zachtjes:
—Niet terug! Ik wil weten, wie hij is! Hij zal ons wel niet zien, daar
wij zoo stil op het water liggen.
Het was te verwachten, dat wij onopgemerkt zouden blijven, want alleen
onze hoofden waren boven water. Pida was evenzeer in spanning als wij,
hij had ons door een enkelen kreet om hulp kunnen verraden, maar hij
deed het niet, daar hij wist dat hij op een andere wijze vrij zou
komen.
Nu hoorde men de slagen van de roeiriemen onmiddellijk in de nabijheid
en een Indiaansche kano dook uit den nevel op. In deze zat.... wie? Wij
hadden stil moeten blijven, maar toen Winnetou den man zag, riep hij
luide:
—Santer! hij vlucht!
Mijn anders zoo kalme vriend werd door het plotseling verschijnen van
zijn doodsvijand zoo opgewonden, dat hij de armen en beenen uitsloeg om
op de kano toe te zwemmen, maar daar hij aan ons, of liever aan Pida
was vastgebonden, ging dat niet.
—Oef! Ik moet los! ik moet hem hebben!—riep hij, terwijl hij zijn mes
trok en den riem doorsneed, welke hem aan Pida verbond.
Santer had natuurlijk Winnetou’s uitroep gehoord en dadelijk wendde hij
de oogen naar onzen kant.
—Thousand devils!—riep hij verschrikt,—daar zijn die....
Hij hield even op. De uitdrukking van schrik op zijn gelaat, maakte
plaats voor die van vreugde; hij had onze positie bemerkt, wierp de
roeiriemen in de kano, greep naar zijn geweer richtte het op ons en
riep:
—Uw laatste waterpartij, honden!
Hij trok gelukkig juist den haan over op het oogenblik dat Winnetou
zich van ons had losgemaakt en met geweldige slagen op de boot
toeschoot; daardoor kreeg ik met Pida een stoot, welke ons verwijderde
van het punt, waarop Santer had gemikt.
Dat wat ik nu van Winnetou zag, was geen zwemmen, maar eerder een
vliegen over het water. Hij had zijn mes tusschen de tanden en vloog in
groote sprongen op den vijand toe. Santer had nog een kogel in den
loop, mikte op den Apache en riep hoonend:
—Kom hier vervloekte roodhuid! Ik zal u naar den duivel helpen!
Hij meende slechts den haan te kunnen overhalen, maar hij had zich in
Winnetou vergist, want deze dook naar beneden, om onder de kano te
komen en deze om te werpen. Gelukte hem dit, dan kon Santer zijn geweer
niet gebruiken en het moest tot een tweegevecht komen, waarbij de
handige Apache overwinnaar zou blijven. Santer zag dit in en snel legde
hij de buks neer en greep weer naar de riemen. Het was hoog tijd, want
juist had hij de boot in beweging, of Winnetou dook op, op de plek,
waar zooeven de kano had gelegen. Santer deed eenige krachtige
riemslagen en schreeuwde zijn woedende vijand toe:
—Hebt gij mij, hond? Ik bewaar den kogel voor een volgende gelegenheid!
Winnetou deed alle moeite om hem in te halen, maar tevergeefs. Geen
zwemmer, zelfs niet de beste, kan een boot inhalen, welke door een
roeier met den stroom wordt voortgedreven.
Dit geheele tooneel had zich in den tijd van nauwelijks een halve
minuut afgespeeld en toch verschenen reeds, juist toen Santer weer in
den nevel verdween, eenige Apachen, die de luide kreten en het schot
hadden gehoord en van het eiland waren gekomen om ons hulp te
verleenen. Ik riep hen toe, mij te helpen om Pida naar het eiland te
brengen. Toen wij dit hadden bereikt en de Kiowa in het gras lag,
gebood Winnetou:
—Mijn roode broeders moeten zich onmiddellijk gereedmaken! Santer is
zooeven in een kano de rivier afgeroeid, wij moeten hem achterna.
Hij was zóó opgewonden, als ik hem nog nooit had gezien.
—Ja, wij moeten hem achterna, onmiddellijk achterna,—stemde ik hem
toe.—Maar wat zal er dan gebeuren, met Sam Hawkins en met onze beide
gevangenen?
—Die laat ik aan u over.
—Moet ik dus hier blijven?
—Ja. Ik moet Santer, den moordenaar van mijn vader en van mijn zuster
hebben, gij echter zijt verplicht Sam Hawkins, die uw makker is, te
bevrijden, wij moeten dus scheiden.
—Voor hoelang?
Hij dacht een oogenblik na en zeide toen:
—Wanneer wij elkander zullen weerzien, dat weet ik niet. Des menschen
wil is ondergeschikt aan dien van den Grooten Geest. Ik meende langer
bij mijn broeder Shatterhand te kunnen blijven, maar Manitou heeft het
anders beschikt. Weet gij, waarom Santer is weggegaan?
—Ik vermoed het. Wij zijn niet in de ons gestelde val geloopen en men
heeft u gisteren gezien. Men weet dus, dat wij hier zijn en niet zullen
rusten voor wij Santer hebben gevat en Hawkins hebben bevrijd. Nu is
Santer bang geworden en heeft hij zich uit de voeten gemaakt.
—Ja, maar het kan ook anders zijn. De zoon van het opperhoofd is
verdwenen en dit brengen de Kiowa’s natuurlijk is verband met ons
verschijnen, zij zullen wel vermoeden dat hij in onze handen is
gevallen. Tangua is daarover zeer vertoornd en heeft zijn woede willen
koelen aan Santer, die aan alles schuld is en heeft dezen daarom
weggejaagd.
—Dat kan ook zijn, Santer heeft vermoedelijk moeten hooren, dat de
Kiowa’s hem niet langer in hun midden dulden.
—Maar waarom is hij te water gevlucht en heeft hij zijn paard in den
steek gelaten?
—Uit vrees voor ons. Hij vreesde ons hier te zullen ontmoeten, en
wanneer dit niet geschiedde, konden wij zijn spoor ontdekken en volgen.
Daarom zal hij zijn paard wel voor een kano hebben verruild. Hij kon
niet vermoeden dat wij ons hier op dit eiland bevonden en hem zouden
zien. Nu hij ons heeft gezien, begrijpt hij dat wij hem zullen
achtervolgen en hij zal vlug oproeien om ons te ontkomen. Denkt gij,
dat gij hem te paard kunt inhalen?
—Het zal moeilijk zijn, maar niet onmogelijk, wij moeten de krommingen
van de rivier zien af te snijden.
—Dat gaat niet. Ik moet mijn broeder Winnetou wel opmerkzaam maken, dat
dit een groote fout zou zijn.
—Waarom?
—Omdat Santer licht op de gedachte kan komen, zijn vlucht te land voort
te zetten, aangezien voor hem de kans om te ontkomen dan grooter is.
Daar gij evenwel niet kunt weten, aan welken kant van de rivier hij in
dit geval wil landen, zal het wel het beste zijn, uw krijgers te
verdeelen en langs de beide oevers van de Red-River te rijden.
—Mijn broeder heeft gelijk, wij zullen doen wat hij gezegd heeft.
—Gij moet evenwel nauwkeurig opletten, opdat de plaats, waar hij aan
wal stapt u niet ontga. Ook moet gij de krommingen niet afsnijden, want
daar de rivier slangvormig loopt, zou, terwijl de eene afdeeling van u
een bocht afsneed, de andere een des te grooteren omweg moeten maken.
Op deze wijze zoudt gij te veel van elkander afkomen.
—Het is zooals mijn broeder zegt en wij zijn dus gedwongen alle
krommingen van de rivier te volgen. Wij mogen nu geen minuut meer
verliezen.
—Hoe gaarne zou ik met u gaan, maar het is mijn plicht voor Sam Hawkins
te zorgen, ik mag hem hier niet alleen laten.
—Ik zal nooit iets van u verlangen, dat in strijd is met uw plicht. Gij
moogt niet meegaan, maar wanneer de Groote Geest het wil, zullen wij
elkander binnen enkele dagen weerzien.
—Waar?
—Wanneer gij van hier rijdt, wend u dan naar de plaats waar de rivier
samenvloeit met den Rio Bosco de Natchitoches. Aan den linkeroever van
deze vereenigde rivieren zult gij een mijner krijgers vinden, indien
een ontmoeting tusschen ons mogelijk is.
—En als ik geen krijger aantref?
—Dan ben ik nog achter Santer aan en weet niet, waarheen hij gevlucht
is. Ik kan u dus dan ook niet laten weten, waar gij mij kunt vinden.
Reis in dit geval met uw drie kameraden naar St. Louis naar de
bleekgezichten, die een weg willen bouwen voor het ijzeren ros. Ik
verzoek u echter tot ons terug te keeren, zoodra de goede Manitou het u
veroorlooft. Gij zijt steeds welkom in het Pueblo aan den Rio-Pecos en
mocht ik er niet zijn, dan zult gij daar vernemen, waar ik ben [6].
Gedurende dit gesprek hadden de Apachen zich gereedgemaakt voor den
tocht. Winnetou gaf Dick Stone en Will Parker de hand, toen wendde hij
zich weer tot mij:
—Mijn broeder weet, hoe welgemoed wij waren, toen wij onzen rit
begonnen, den rit, dien Intschu Tschuna en Nscho-Tschi het leven heeft
gekost. Als gij eenmaal tot ons terugkeert, zult gij niet meer de stem
hooren van de schoonste dochter der Apachen, die in plaats van naar de
steden der bleekgezichten, naar het land der afgestorvenen is gegaan.
Ik hoop, dat ik u daar beneden aan den mond van den Rio-Posco, tijding
kan geven, mocht dit evenwel niet het geval zijn, blijf dan niet al te
lang in de steden van het oosten, maar keer spoedig tot mij terug. Gij
weet, wie gij mij moet vergoeden. Wilt gij mij beloven, spoedig te
komen, mijn beste, beste broeder Charley?
—Ik beloof het u. Mijn hart gaat met u. Gij weet welke beloften ik den
stervenden Kleki-Petra heb gegeven en ik zal die belofte houden.
—Dan leide de goede Manitou uw schreden en bescherme u op al uw wegen.
Howgh!
Hij omarmde mij, gaf zijn lieden een kort bevel en besteeg zijn paard.
De Apachen verdeelden zich, de eene helft bleef op den rechteroever, de
andere helft zwom naar den linker onder aanvoering van Winnetou, die
stellig niet rusten zou, alvorens hij Santer voor zijn misdaden had
doen boeten.
Stone en Parker zagen, dat ik weemoedig gestemd was. De eerste zeide
daarom, op zijn gewonen trouwhartigen toon:
—Trek het u niet te zeer aan, sir! Wij zullen de Apachen spoedig
terugzien. Wij kunnen hem immers narijden, zoodra wij Sam hebben
bevrijd. Laat ons daarom niet te lang wachten, met de uitlevering der
gevangenen. Hoe denkt gij dat aan te leggen?
—Laat mij eerst eens hooren, wat gij er van denkt, beste Dick. Gij hebt
meer ervaring dan ik.
Hij streelde, gevleid door deze woorden, zijn baard en antwoordde:
—Ik houd het voor het eenvoudigste, den gevangenen Kiowa nu dadelijk
naar Tangua te zenden en hem de boodschap mee te geven, waar zich de
zoon van het opperhoofd bevindt en onder welke voorwaarden hij vrij zal
zijn. Wat zegt gij er van, Will?
—Hm!—bromde Parker,—nog nooit hebt gij zoo iets doms gezegd.
—Dom? Voor den drommel, waarom dom?
—Wel, als wij zeggen, waar wij zijn, stuurt Tangua zijn krijgers
hierheen en deze nemen ons Pida af, zonder dat wij Sam ervoor
terugkrijgen. Ik zou het anders aanleggen.
—En hoe dan?
—Wij verlaten dit eiland en begeven ons naar de prairie, waar wij vrij
om ons heen kunnen zien. Dan zenden wij den Kiowa naar het dorp en
stellen de voorwaarde, dat er slechts twee krijgers mogen komen, om ons
Sam te brengen, waarvoor zij dan Pida mogen meenemen. Komen er meer,
dan zien wij hen van verre aankomen en kunnen hen met onze geweren
opwachten. Vindt ge niet, dat dit het beste zal zijn, sir?
—Ik zou nog liever in het geheel geen bode zenden,—antwoordde ik.
—Geen bode? Maar hoe zal Tangua dan te weten komen, dat zijn zoon....
—Hij komt het te weten,—viel ik hem in de rede.
—Door wien?
—Door mij.
—Door u? Wilt gij dan zelf naar het dorp gaan?
—Ja.
—Doe dat niet, sir! Dat is te gevaarlijk, men zou u dadelijk
gevangennemen.
—Dat geloof ik niet.
—Zeker, zeker.
—Dan zou Pida immers verloren zijn. Ik heb geen lust mijn gevangene als
bode weg te zenden en daardoor mijn gijzelaar te verliezen.
—Dat is wel waar, maar waarom wilt gij nu juist naar het dorp; ik kan
het toch ook doen.
—Ik wil gaarne gelooven, dat gij er wel den moed toe hebt, maar ik acht
het beter, zelf met Tangua te spreken.
—Bedenk echter, hoe woedend hij op u is. Als ik bij hem kom, neemt hij
onze voorwaarden misschien eerder aan, dan wanneer hij zich ergert aan
uw tegenwoordigheid.
—Juist daarom wil ik zelf gaan. Hij moet zich ergeren, hij moet woedend
worden, omdat ik het durf wagen tot hem te komen, zonder dat hij mij
iets durft te doen. Als ik iemand anders zend, denkt hij misschien dat
ik bang voor hem ben en zulk een verdenking wil ik niet op mij laden.
—Ga dan uw gang maar, sir! Waar zullen wij intusschen blijven? Hier op
het eiland? Of zullen wij een andere, betere plaats opzoeken?
—Er is geen betere.
—Goed dan. Maar wee onzen gevangene, als u iets overkomt. Wij zouden in
dit geval geen medelijden met hem hebben. Wanneer wilt gij gaan?
—Vanavond.
—Eerst vanavond? Is dat niet te laat? Als alles goed gaat, kon de
uitwisseling reeds vanmiddag gebeurd zijn en wij konden dan Winnetou
achterna rijden.
—Dan zullen de Kiowa’s ons allen te zamen achtervolgen en vermoorden.
—Denkt gij dat?
—Ja, Tangua zal ons gaarne Sam willen geven, als hij daarvoor zijn zoon
terugkrijgt, maar wanneer hij dezen eenmaal heeft, zal hij alle moeite
doen, om zich op ons te wreken. De uitwisseling der gevangenen moet des
avonds geschieden, dan rijden wij weg, om gedurende den nacht een eind
vooruit te komen. Het is bovendien beter tot aan den avond te wachten,
opdat de angst voor het leven van zijn zoon, des te grooter zal zijn.
—Dat is waar. Maar als men ons voor dien tijd hier ontdekt, Mr.
Shatterhand?
—Dan is het nog niet zoo erg.
—Er zal natuurlijk naar Pida gezocht worden en zoo zullen de roodhuiden
misschien ook op het eiland komen.
—Op het eiland niet, maar waarschijnlijk zult gij hen wel aan den oever
zien. Zij moeten dan Winnetou’s spoor ontdekken en zullen meenen dat
wij met Pida weggetrokken zijn. Dat zal Tangua nog meer zorg geven.
Luister!
Men vernam den klank van menschelijke stemmen. De nevel begon op te
trekken en wij konden den oever zien. Daar stonden verscheidene
Kiowa’s, die elkander luide hun verwondering te kennen gaven, voor de
paardesporen, welke zij zooeven hadden ontdekt, toen evenwel verdwenen
zij haastig, zonder een blik naar het eiland te hebben geworpen.
—Zij zijn weg, zij schijnen haast te hebben—zeide Dick Stone.
—Zij zijn natuurlijk naar het dorp om Tangua hun ontdekking mede te
deelen. Hij zal wel dadelijk een troep ruiters zenden, om dit spoor te
volgen.
Deze voorspelling bevestigde zich ongeveer twee uur later. Een troep
ruiters verscheen aan den oever, zocht het spoor en volgde dit in
galop. Dat deze Kiowa’s Winnetou zouden inhalen, was niet wel mogelijk,
daar deze minstens even snel zouden rijden. Het spreekt vanzelf, dat
wij drieën zacht hadden gesproken; de gevangenen hoefden niet te
hooren, wat wij tot elkander zeiden. Zij hadden ook niet gezien, wat
aan den oever was voorgevallen, want zij lagen gebonden achter de
struiken in het gras.
Den geheelen voormiddag scheen de zon en terwijl wij door haar warme
stralen onze natte kleederen wat lieten opdrogen, strekten wij ons
behaaglijk in het gras uit, om tot aan den avond kalm uit te rusten.
Tegen den middag zagen wij een voorwerp de rivier komen afdrijven. Het
was een kano en wel die, met welke ik Pida had ontvoerd, zij was dus
uit de Salt-Fork in de Red-River gedreven en kwam waarschijnlijk nu pas
voorbij het eiland, omdat zij nu en dan aan de overhangende struiken
was blijven hangen. Toen zij binnen mijn bereik was, haalde ik haar op
het eiland, om er ’s avonds gebruik van te kunnen maken, wanneer ik
naar het dorp zou gaan.
Zoodra het donker was geworden, schoof ik de boot weer in het water en
roeide den stroom op, Stone en Parker gaven mij hun beste wenschen
mede. Ik zeide hun, dat zij zich niet over mij ongerust behoefden te
maken, wanneer ik den volgenden morgen nog niet teruggekeerd zou zijn.
Het roeien tegen den stroom ging zeer langzaam, zoodat ik eerst na
verloop van een uur uit de Red-River in de Salt-Fork kwam. Toen ik
dicht bij het dorp was, roeide ik naar den oever en bond de kano aan
een boom vast.
Ik zag weder zooals gisteren de vuren branden, de mannen er omheen
zitten, de vrouwen af en aan loopen. Ik had gedacht, dat het dorp
vandaag scherp zou zijn bewaakt, maar ik zag, dat dit niet het geval
was. De Kiowa’s hadden de sporen der Apachen gevonden, hen krijgers
nagezonden en waanden zich dus veilig.
Tangua zat ook heden voor zijn tent, maar had nu alleen zijn beide
jongste zonen bij zich. Hij hield het hoofd gebogen en staarde somber
in het vuur.
Ik bevond mij nu op den linkeroever van de Salt-Fork, op welken het
dorp lag en sloop achter de andere tenten om, tot ik voor die van het
opperhoofd kwam. Er was geen mensch in de nabijheid die mij kon zien.
Nu ging ik op den grond liggen en kroop naar de achterzijde van de
tent. Daar aangekomen, hoorde ik den diepen, eentonigen klaagzang van
het opperhoofd, hij treurde op Indiaansche wijze over het verlies van
zijn lievelingszoon. Nu kroop ik om de tent heen, naar de andere zijde,
richtte mij op en stond plotseling naast hem.
—Waarom zingt Tangua klaagliederen? Een dapper krijgsman mag nooit een
klacht laten hooren, het jammeren is goed voor oude vrouwen.
Het is onmogelijk te zeggen, hoe mijn verschijnen hem deed schrikken.
Hij wilde spreken, maar kon geen woorden vinden, hij wilde opstaan,
maar moest wegens zijn verbrijzelde knieën blijven zitten. Met wijd
opengespalkte oogen zag hij mij aan, als een spook en stamelde
eindelijk:
—Old.... Old.... Shat.... Shat.... oef, oef, oef!.... hoe komt.... waar
zijt.... gij zijt nog hier.... nog niet weg?
—Zooals gij ziet, ben ik nog hier. Ik ben gekomen om met u te spreken.
—Old-Shatterhand!—bracht hij eindelijk met moeite uit.
Toen zijn beide knapen dit woord hoorden, vluchtten zij in de tent.
—Old-Shatterhand!—herhaalde het opperhoofd nog steeds onder den indruk
van den eersten schrik, toen evenwel nam zijn gezicht een uitdrukking
van woede aan en hij schreeuwde het een of andere bevel dat ik evenwel
niet kon verstaan, omdat hij zich van zijn dialect bediende.
Een oogenblik daarna verhief zich in het dorp een gehuil van woede,
alsof de aarde onder mijn voeten beefde en alle krijgers, die in het
dorp waren, kwamen met messen zwaaiend op ons toegeloopen. Nu trok ik
ook mijn mes en schreeuwde Tangua in het oor:
—Moet Pida worden doodgestoken? Hij zendt mij tot u!
Ondanks het gehuil verstond hij mijn woorden en onmiddellijk hief hij
de hand op. Er volgde een stilte, de Kiowa’s vormden een kring rondom
ons. Naar de blikken te oordeelen, met welke zij mij schenen te willen
verslinden, kwam ik niet levend uit dezen kring. Ik zette mij naast
Tangua neer, zag hem kalm in het strakke gezicht en zeide:
—Er heerscht een doodelijke vijandschap tusschen mij en Tangua; dat is
niet mijn schuld, maar het laat mij ook geheel koud, want het is mij
onverschillig of ik met mijn vrienden, één der krijgers of zijn
geheelen stam ten verderve breng. Dat ik niet bang voor hem ben, bewijs
ik door mij geheel alleen te midden in zijn dorp te begeven. Ik wil
evenwel kort zijn: Pida bevindt zich in onze handen en wordt aan een
boom opgehangen, wanneer ik niet op een bepaalden tijd terug ben.
Geen woord, geen beweging der om ons heen staande roodhuiden verried
den indruk, welken deze woorden maakten. De oogen van het opperhoofd
fonkelden van woede, dat hij mij niets kon doen, zonder het leven van
zijn zoon in gevaar te brengen.
Knarsetandend stamelde hij:
—Hoe.... hoe.... hoe is hij in uw handen geraakt?
—Ik was gisteren daarginds op het eiland, toen hij met Sam Hawkins
sprak en heb hem neergeveld en meegenomen.
—Oef! Old-Shatterhand is de lieveling van den boozen geest, die hem ook
wederom heeft beschermd. Waar is mijn zoon?
—Op een veilige plaats, die gij nu nog niet moogt weten, maar die hij u
later zelf wel zal zeggen. Uit deze mijn laatste woorden, ziet ge wel,
dat het niet mijn plan is, Pida te dooden. Wij hebben ook nog een
anderen Kiowa bij ons, die wij gevangen namen, ik haalde hem uit een
doornstruik, waarin hij zat om ons te beluisteren. Hij zal met uw zoon
vrij zijn, als gij mij Sam Hawkins daarvoor in de plaats geeft.
—Oef! Dien kunt gij krijgen. Breng mij maar eerst Pida en den anderen
Kiowa.
—Brengen? Ik denk er niet aan! Ik ken Tangua en weet, dat hij niet te
vertrouwen is. Ik geef twee voor een, dat is ten minste billijk genoeg.
Daarom eisch ik evenwel, dat gij mij niets in den weg legt.
—Bewijs mij eerst, dat Pida werkelijk bij u is!
—Bewijzen? Hoe komt gij er bij? Old-Shatterhand is geen Tangua! Laat
mij eerst Sam Hawkins zien. Hij zal niet meer op het eiland zijn, daar
acht gij hem niet meer veilig. Ik moet hem spreken.
—Wat wilt gij met hem bespreken?
—Ik moet uit zijn eigen mond hooren, hoe hij het hier bij u heeft
gehad. Daarna zullen wij het overige regelen.
—Ik moet eerst met mijn oudste krijgers overleggen. Ga naar de volgende
tent, zoo aanstonds zult gij hooren wat wij denken te doen.
—Goed! Maak het echter kort, want wanneer ik niet op den bepaalden tijd
terug ben, wordt Pida opgehangen.
Opgehangen te worden is de smadelijkste dood voor een roodhuid! Men kan
zich dus voorstellen, hoe woedend Tangua was! Ik ging naar de volgende
tent en zette mij neer, natuurlijk hier eveneens door krijgers omgeven.
Tangua riep zijn raadslieden bijeen en overlegde met hen.
Na eenigen tijd zond het opperhoofd een bode weg, deze verdween in een
tent en haalde daaruit mijn kleine Sam. Ik sprong op en liep hem
tegemoet. Toen hij mij zag, riep hij jubelend:
—Heigh-day, Old-Shatterhand! Ik heb altijd wel gezegd, dat gij zoudt
komen! Wilt gij uw ouden Sam wel weer terug hebben, beste kameraad?
Hij stak mij zijn gebonden handen toe, om mij te begroeten.
—Ja,—antwoordde ik,—de greenhorn is gekomen, om u te bewijzen, dat gij
de grootste meester in het besluipen zijt. Men mag zeggen wat men wil,
gij loopt altijd den verkeerden kant uit!
—Spaar die verwijten voor later, mijn teergeliefde sir en vertel mij
liever of mijn Mary nog bestaat.
—Zij is bij ons.
—En Liddy?
—Dat geweer? Ja, dat hebben wij ook gered.
—Dan is alles in orde, als ik mij niet vergis; kom laat ons maken, dat
wij wegkomen, het wordt hier werkelijk vervelend.
—Geduld, beste Sam. Gij doet alsof het slechts kinderspel is, hier te
komen en u te bevrijden!
—Dat is het ook, kinderspel, voor u natuurlijk. Ik zou wel eens willen
weten, wat gij niet voor elkaar kreeg. Gij zoudt mij van de maan
afhalen als ik het in mijn hoofd kreeg naar boven te loopen, hihihihi!
—Lach maar! Het is een bewijs, dat gij het hier niet al te slecht hebt
gehad.
—Slecht? Goed heb ik het gehad, buitengewoon goed! Iedere Kiowa had mij
op zijn eigen manier lief, zij hebben mij geliefkoosd en gevoed en als
ik wilde gaan slapen, behoefde ik niet eens te gaan liggen, want ik lag
altijd op mijn rug.
—Heeft men u alles afgenomen?
—Zeker. Mijn zakken zijn leeg.
—Gij krijgt alles terug, als het er althans nog is.
Ik liet nu het opperhoofd weten dat ik niet langer durfde blijven,
wilde het leven van zijn zoon geen gevaar loopen en nu volgde een kort
gesprek, waarvan het gevolg was, dat ik mijn zin kreeg. Vier gewapende
krijgers zouden Sam en mij begeleiden en onze beide gevangenen mee
terugnemen. Mochten ons heimelijk meer Kiowa’s volgen dan dreigde ik
met Pida’s dood.
Eigenlijk was het van hun kant een weinig gewaagd mij Sam mee te geven;
ik had immers den vier, ons begeleidenden krijgers een poets kunnen
bakken, maar men sloeg geloof aan mijn woorden en men heeft
Old-Shatterhand naderhand ook steeds geloofd. Waar wij naar toe wilden
roeien, zeide ik natuurlijk niet. Toen Sam zijn handen weer vrij had,
zwaaide hij met zijn korte armen in de lucht en riep:
—Vrij, weer vrij! Dat kan ik nooit vergeten, sir! En nooit zal ik weer
naar links loopen, als uw beenen naar rechts willen gaan!
Toen wij gereed waren, heen te gaan, hoorden wij hier en daar een
gemompel van toorn en woede. De Indianen ergerden zich, dat zij den
gevangene en vooral mij, moesten laten gaan en Tangua wierp mij nog
toe:
—Gij zijt veilig, tot aan de terugkomst van mijn zoon, maar dan zal de
geheele stam u achtervolgen, wij zullen uw spoor wel vinden en u vatten
al zoudt gij ook door de lucht wegrijden!
Ik achtte het onnoodig een antwoord te geven op deze bedreiging en
bracht Sam en de vier Kiowa’s naar de rivier, waar wij twee aan twee,
ik natuurlijk met Sam, in een kano stapten. De Indianen huilden en
brulden, totdat wij geheel uit het gezicht waren.
Terwijl ik stuurde, moest ik Sam vertellen, wat er sedert zijn
gevangenneming was voorgevallen. Hij betreurde het, dat Winnetou
afscheid van ons had moeten nemen, maar was wel eenigszins bevreesd
geweest, voor de verwijten, welke hem van Winnetou’s zijde wachtten.
Wij kwamen, ondanks de duisternis, gelukkig op het eiland aan en werden
door Dick en Will met luid gejubel ontvangen.
Wij leverden de beide gevangenen uit, die ons geen enkel woord tot
afscheid toevoegden en wachtten tot wij de riemslagen van de
terugkeerende kano’s niet meer koorden. Toen bestegen wij onze paarden
en reden naar den linkeroever der rivier. Wij moesten in dezen nacht
een eind vooruit zien te komen, het was dus maar goed, dat Sam de
streek tamelijk goed kende. Hij zat recht op in den zadel, balde
dreigend de vuist en zeide, wijzend naar den kant, waar de roodhuiden
gelegerd waren:
—Nu steken zij de hoofden weer bij elkaar om te beraadslagen hoe zij
ons weer in de handen zullen krijgen. Sam Hawkins is evenwel niet weer
zoo dom, in een gat te kruipen, waaruit een greenhorn hem moet halen.
Mij krijgt geen Kiowa weer, als ik mij niet vergis!
En nu het vervolg, lezers?
Natuurlijk wilt ge gaarne nog meer hooren van Winnetou en
Old-Shatterhand, van Dick en Will en van Sam Hawkins. Welnu, bijna al
onze vrienden die in dit boek voorkomen kunt gij terugvinden in het
volgende deel getiteld: