DE BLIZZARD.

De tweede gebeurtenis, waarop ik in het vorige hoofdstuk doelde, was

niet minder treffend.

Ik was met Winnetou, het fiere opperhoofd der Apachen, aan gindsche

zijde van het rotsgebergte bij de bevriende Indianen op de buffeljacht

geweest en daarna met hem, ondanks het late jaargetijde, dwars door

Wyoming naar fort Niobrara in Nebraska gereden, waar de winter ons

overviel. Daar op dit fort dikwijls Sioux kwamen, die ons ten onrechte

voor hun doodsvijanden hielden, was het geraden, onze namen niet bekend

te maken. Het was voor alle gevallen beter, dat niemand wist, dat

Winnetou en Old-Shatterhand hier aanwezig waren. Aangezien onze

jachtkleeren geheel versleten waren en wij naar het beschaafde Oosten

wilden gaan, kochten wij in het fort nette kleeren, uit warme wollen

stoffen vervaardigd en dikke paardedekens. In deze kleeding zag ik er

dan ook niet als een prairiejager uit en daar ik mij Mr. Beyer liet

noemen en Winnetou geen oogenblik van mijn zijde week, zoo waren wij

weldra niet anders bekend dan als Mr. Beyer en zijn Indiaan.

Nauwelijks waren wij in het fort Niobrara aangekomen of het begon zoo

hevig te sneeuwen, dat wij ons wel gedwongen zagen de geheele December-

en Januari-maanden daar te blijven vertoeven. Gezelschap hadden wij

niet anders dan enkele officieren, van wie ik ook niet kan zeggen dat

zij mij zoo erg sympathiek waren; met de overige soldaten bemoeiden wij

ons niet meer dan strikt noodzakelijk was en wat de anderen betreft,

die met ons op het fort waren ingesneeuwd, er waren er eigenlijk maar

twee, die wij zoo nu en dan eens spraken. Het waren de beide broeders

Burnings uit Moberly in Missouri, die in de Blackhills naar goud hadden

gezocht en zich nu met de opbrengst van hun zwaren arbeid op weg naar

huis bevonden. Beiden waren getrouwd, verlangden erg naar de hunnen en

vonden het daarom vreeselijk onaangenaam, door deze sneeuw zoolang te

worden opgehouden.

Behalve deze beiden, waren er nog enkele anderen, meest slecht

bekendstaande sujetten, met wie de Burnings zich niet bemoeiden.

Er werd veel kruit vermorst, veel gespeeld, veel gewed en nog veel meer

gedronken en er heerschte onder dit volkje een toon, welke mij zoo

tegenstond, dat ik de algemeene gezelschapskamer niet dan hoogst noodig

betrad. Het aller ruwste gedroegen zich twee kerels, die Grinder en

Slack heetten. Zij waren valsche spelers, dronkaards en woestelingen,

zonder dat zij evenwel werkelijk moed bezaten. Er had geen bijeenkomst

plaats, zonder dat zij een vechtpartij uitlokten; vooral hielden zij

van zoogenaamde Amerikaansche duels, maar altijd wisten zij het zoo te

leiden, dat niet zij, maar anderen de kastanjes uit het vuur moesten

halen. Het meest van alles hinderde het mij, dat beiden zich een

stopwoord hadden aangewend, dat men wel honderdmaal daags kreeg te

hooren. Grinder zeide, waar hij het maar te pas kon brengen: „Ik mag

dadelijk blind worden,” terwijl zijn kameraad: „God mag mij krankzinnig

maken,” vooraan in den mond had.

Met deze beide menschen kwam ik slechts een enkele maal in botsing. Zij

hadden vernomen dat ik een Duitscher was en wierpen mij, toen ik op hun

uitnoodiging om mee te spelen een weigerend antwoord gaf „verdomde mof”

naar het hoofd. Daarvoor kregen beiden zulk een geduchten oorvijg van

mij, dat zij van hun stoelen tuimelden. De anderen dachten natuurlijk

niet anders, of er zou een geweldige vechtpartij volgen, maar zij

vergisten zich, want de beide kerels bezaten feitelijk niet den moed

het tegen Mr. Beyer en zijn Indiaan op te nemen.

Er waren nog twee Indianen, die door den sneeuwstorm naar het fort

waren gedreven. Zij beweerden te behooren tot den stam der Caddos, maar

waren waarschijnlijk uitgestootenen van een anderen stam, arme kerels,

die nauwelijks hun naaktheid konden bedekken en niet eens wapenen

bezaten, daar zij kort geleden door de Sioux geheel waren

uitgeplunderd. Zij wilden naar Kansas gaan en sneden pijlen en bogen om

onderweg niet te moeten verhongeren. Wij gaven hun zooveel wij konden

missen, maar konden hen helaas geen paarden en geweren verschaffen,

daar deze niet te verkrijgen waren.

In het begin van Februari begon het weer zachter te worden en kregen

wij regen. De sneeuw verdween en wij konden er aan beginnen te denken,

onzen tocht te vervolgen. Eerst vertrokken de beide Indianen, te voet

natuurlijk, wij gaven hun een goeden voorraad levensmiddelen mede,

voldoende om tot fort Hillock te komen, waar zij opnieuw halt konden

houden. Twee dagen later reden de broeders Burnings weg en den

volgenden dag Grinder en Slack. Toen ze ons voorbijgingen, riep Slack

ons toe:

—Kom ons niet in den weg! God mag mij dadelijk krankzinnig maken, als

ik u de oorvijgen niet terugbetaal, welke gij ons hebt gegeven.

En Grinder voegde er woedend bij:

—Ja, onthoudt dat, schurken! Ik mag dadelijk blind worden, als wij bij

onze eerste ontmoeting uw levenslamp niet als een kaars uitblazen!

Wij deden natuurlijk alsof wij deze woorden niet gehoord hadden. Zulke

menschen maakten ons in het geheel niet bang.

Als ervaren prairiejagers wachtten wij nog een dag om te zien of het

zachte weer standhield; toen braken wij ook op. Men kan zich

voorstellen dat de weg door dit doorweekte land geen gemakkelijke was,

maar onze sterke hengsten hadden nu wekenlang uitgerust en overwonnen

alle hindernissen. Nebraska heeft bijna alleen prairieland, dat, door

hetwelk wij reden, was vlak en in den weeken bodem zagen wij duidelijk

de sporen van allen, die fort Niobrara hadden verlaten. Alleen de twee

Indianen, de Burnings, Grinder en Slack, schenen zonder uitzondering,

evenals wij, naar fort Hillock te willen gaan. Dat maakte mij een

weinig ongerust. Men had mij verteld dat Grinder en Slack in de laatste

dagen ongelukkig in het spel waren geweest en alles hadden verloren.

Zij wisten hoogst waarschijnlijk evengoed als wij dat de Burnings

stofgoud en Nuggets bij zich hadden en hoewel ik hen voor veel te laf

aanzag, om een openlijken strijd aan te durven, achtte ik hen laag

genoeg, om een sluipmoord te begaan. Toen ik mijn gedachten daaromtrent

aan Winnetou toevertrouwde, zeide hij niets, maar drukte zijn paard de

sporen in de zijde, wat voor mij even duidelijk was alsof hij tegen mij

gezegd had: gij hebt gelijk, wij moeten zien de kerels in te halen!

Over dezen verderen rit, welke meer dan drie dagen duurde, behoef ik

niet te spreken; de sporen bleven duidelijk zichtbaar en voerden over

de Loux Fork, waarvan het ijs hier en daar nog zoo dik was, dat het

gemakkelijk paard en ruiter kon dragen. Van hier kon men fort Hillock

in een dag bereiken. Daar het evenwel nu reeds laat in den namiddag

was, konden wij eerst den volgenden voormiddag daar aankomen.

De diep uitgetreden sporen lagen duidelijk voor ons. Winnetou kon zelfs

bepalen hoe oud zij waren. De twee Indianen hadden een voorsprong van

twee dagen op de Burnings, maar daar zij te voet waren, hadden de beide

broeders hen nu reeds ingehaald, Grinder en Slack waren een dag na de

Burnings van Niobrara vertrokken; zij hadden echter naar de sporen te

zien hun paarden zoo aangejaagd, dat zij dicht achter de Burnings

moesten zijn. Dit maakte mij nog ongeruster. Waarom hadden deze beide

menschen zoo vlug gereden? Om de Burnings in te halen en te overvallen,

of om des te eerder op fort Hillock aan te komen? Dit laatste was zeer

wel mogelijk maar ik kon er geen vrede mee hebben. De volgende uren

zouden ons zekerheid brengen. Zeiden ons die sporen, dat Grinder en

Slack de Burnings hadden ingehaald en leidden hun sporen verder, dan

waren mijn vermoedens ongegrond geweest.

Wij joegen dus in galop over de vlakte, steeds het oog houdend op de

drie sporen. Zoo verliepen twee uur, tot Winnetou eensklaps zijn paard

inhield en tot mij zeide:

—De beide blanke mannen, die Burnings heeten, zijn verloren, zij zullen

vannacht vermoord worden.

Ik knikte, want ik was geheel dezelfde meening toegedaan. Hij

vervolgde:

—Van deze beide sporen is het eene een uur ouder dan het andere, het is

gedurende een rit van acht mijl niet anders geworden. Grinder en Slack

willen dus de Burnings niet inhalen, maar hen, als het donker is

geworden, vermoorden.

—God in den hemel!—riep ik,—en het is ons onmogelijk hen te redden?

—Howgh!—stemde hij toe.—Het is ons onmogelijk hen zoo snel in te halen,

want binnen twee uur is het nacht en dan kunnen wij het spoor niet meer

lezen. Laat ons evenwel het nog volgen en laat ons intusschen bidden

tot den Grooten Manitou, dat hij de beide broeders bescherme!

Ik heb dien namiddag, dien avond en den daaropvolgenden nacht

doodsangsten uitgestaan. Verbeeld u, zeker te zijn dat er een moord zal

worden gepleegd en dat niet te kunnen verhoeden! Dezen nacht, dien wij

in het kreupelhout nabij een zijriviertje van de Loux-Fork

doorbrachten, zal ik nooit vergeten. Wanneer er sneeuw had gelegen, zou

zij geschitterd hebben, de sporen zouden te zien zijn geweest en wij

hadden de misdaad kunnen voorkomen, maar nu waren de sporen

onzichtbaar; wij moesten ondanks het ongeduld, dat ons verhinderde te

slapen, wachten tot eindelijk de dag aanbrak. Zoodra het in het Oosten

slechts eenigermate licht werd, stegen wij te paard en reden verder.

Wij hadden nog een flauwe hoop, dat de Burnings geen legervuur hadden

aangemaakt en daardoor door Grinder en Slack niet gezien en gevonden

waren geworden, maar deze hoop werd steeds zwakker en zwakker, toen wij

bemerkten dat de beide sporen langzamerhand dichter bij elkaar kwamen.

Grinder en Slack hadden dus gisteravond zoo dicht mogelijk de broeders

trachten te naderen. Ieder oogenblik kon ons dus nu de treurige

zekerheid brengen dat twee menschenlevens vernietigd waren geworden.

Wij reden, de sporen volgend, om een kreupelboschje heen. Plotseling

stonden onze paarden stil, voor hen lagen de beide Burnings, badende in

hun bloed. Wij sprongen van onze paarden om de lichamen te onderzoeken.

Er was geen leven meer in, de dood was reeds gisteravond ingetreden.

Een mensch te doorsteken, daartoe behoort meer moed dan hem op zekeren

afstand dood te schieten. Waren de moordenaars misschien niet zoo laf,

als ik had gedacht? Of hadden zij er een bepaalde bedoeling mede gehad,

het mes te gebruiken in plaats van het geweer?

Wat wij te doen hadden was gemakkelijk in te zien. Wij mochten niet bij

de lijken blijven treuren, maar moesten de moordenaars vervolgen, die

naar wij zagen, hun slachtoffers niet geheel hadden uitgeplunderd, maar

hun alleen het goud en de geweren hadden afgenomen en daarop met de

twee buitgemaakte paarden verder waren gereden. Wij galoppeerden dus

verder op hun spoor dat tot onze verbazing naar fort Hillock voerde. Na

ongeveer een half uur zagen wij dat de ruiters halt hadden gehouden.

Hier waren niet enkel hoefsporen, maar ook voetsporen en van deze

plaats af verdeelde zich het eene spoor van vier paarden, in twee van

twee paarden.

Wat moest dat beteekenen? Wij bleven even staan tot Winnetou riep:

—Oef, hier liepen de roode Caddo-mannen en waarschijnlijk hebben zij de

gestolen paarden ten geschenke gekregen.

Met welk een zekerheid raadde de onvergelijkelijke scherpzinnigheid van

Winnetou hier wederom het rechte. De moordenaars hadden de arme

roodhuiden hier ingehaald en hun de paarden geschonken, om de

verdenking van zich af te schuiven. Daarom ook hadden zij hun

slachtoffers niet doodgeschoten, maar doodgestoken, omdat de

Caddo-Indianen slechts pijl en boog en mes, maar geen geweren hadden.

De beklagenswaardige roodhuiden waren dus reeds gisteravond uitgekozen

geworden, om de schuld van anderen op zich te zien laden. Hoe weinig

erg-denkend zij in deze val geloopen waren, zagen wij hieruit dat de

sporen allen naar Hillock leidden met dat onderscheid, evenwel dat

Grinder en Slack een omweg hadden gemaakt, waarschijnlijk om hun buit

in veiligheid te brengen en om na de Indianen op het fort aan te komen

en ze daar te kunnen aanklagen.

Terwijl wij verder reden, schudde Winnetou zijn lange, blauw-zwarte

haren uit het gezicht en zeide toornig:

—Nu ziet mijn broeder Charley weer, wie beter zijn, de blanken of de

rooden. En toch des ondanks is het geluk aan de zijde der

bleekgezichten en wij moeten ondergaan! Oef, oef, oef!

Wat moest, wat kon ik hem antwoorden? Niets! Bovendien, wij zouden nu

ook geen tijd hebben gehad, deze kwestie te bespreken, want wij zagen

voor ons een schare ruiters, die ons tegemoet reden. Weldra stonden wij

tegenover elkaar. Het was een deel der bezetting van fort Hillock,

onder geleide van een luitenant. Deze cavaleristen hadden in hun midden

de beide Caddo-Indianen stevig geboeid en aan hun paarden vastgebonden.

Toen de officier het bevel had gegeven om halt te maken, vroeg hij ons:

—Van waar komt gij, heeren?

—Van fort Niobrara,—antwoordde ik.

—Langs dit spoor?

—Ja.

—Hebt gij vandaag ook iets bijzonders gezien?

—Zeker, wij zagen de lijken van twee mannen, die vermoord en

uitgeplunderd zijn geworden.

—Dat komt uit! Hoe ver is die plaats van hier verwijderd?

—Drie kwartier ongeveer. Ik zie daar twee Indianen, die gebonden zijn.

Waarom is dit gebeurd?

—Omdat zij de moordenaars zijn van de twee mannen, wier lijken gij

gezien hebt. Wij brengen hen naar de plaats, waar de moord is geschied

om hun slachtoffers te begraven en hen boven de graven op te hangen.

Gij weet wel, dat men hier in het Westen korte wetten maakt.

—Dat weet ik, sir, maar weet gij wel zeker dat deze Indianen de

schuldigen zijn?

—Natuurlijk zijn zij het. Zij hebben zelfs de paarden en de geweren der

vermoorden bij zich.

—Hoe weet gij, dat deze paarden en deze geweren aan de dooden hebben

toebehoord?

—Man, wie geeft u het recht, mij zoo uit te vragen? Gij zijt een

onbekende, die er niet uitziet alsof hij hier in het Westen thuis

hoort; ik echter ben officier en ben u in elk geval geen rekenschap

schuldig!

Na deze terechtwijzing keerde hij zich om, om het commando „verder op

rijden,” te geven, maar ik voorkwam hem:

—Halt, sir, nog één woord! Er bevinden zich twee personen in het fort

en het is zeker op hun aandringen dat gij het bevel hebt gegeven deze

beide Indianen op te knoopen, niet waar?

—Ja en houd nu uw mond maar! Ik heb geen tijd, verdere onnoodige vragen

aan te hooren en....

—Onnoodige?—viel ik hem in de rede.—Ik heb niet alleen alle reden, maar

het is zelfs mijn heilige plicht deze vragen te doen, want deze

Indianen zijn onschuldig en hun aanklagers zijn de moordenaars!

—Hallo! Hoe komt gij hierbij?

—Wij wisten reeds gisteren van den moord, maar konden hem helaas niet

verhinderen. Brengt ons naar den commandant van het fort, wij zullen

dat wat wij beweren, ook bewijzen.

—Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij denkt. Ik heb bevel de lijken te

begraven en de moordenaars aan de halzen zoo hoog te binden, dat hun

voeten den bodem niet kunnen raken.

—Daar zal niemand iets tegen hebben, als het eerst maar is bewezen dat

het werkelijk de moordenaars zijn die worden opgeknoopt.

Hij deed mij, ondanks het ontvangen bevel, het genoegen mij verder aan

te hooren. Toen ik geëindigd had, zag hij ons met een verbaasden blik

aan en zeide:

—Hm! Gij ziet er uit als een gentleman, die hier in de Far-West zoo

groen zijt als gras, maar uit uw woorden spreekt een opmerkingsgave,

waarvoor ik alle respect heb. Zouden deze Grinder en Slack ons

werkelijk hebben voorgelogen! Zij zagen er niet erg gentleman-like uit,

dat moet ik zeggen. Welnu, het eene gedeelte van het bevel, namelijk

het begraven der lijken moet ik ten uitvoer brengen, maar het andere

deel, zal ik op uw aandringen achterwege laten. Maar wee u, sir, als

gij ons wat op de mouw hebt gespeld! Ik laat mij niet voor den gek

houden!

Hij koos zes man uit, die met de meegebrachte spaden verder moesten

rijden om de lijken te begraven, toen nam hij Winnetou en mij met de

beide geboeide Indianen in het midden en zoo reden wij naar het fort

Hillock. Hij had, ondanks het gewicht mijner woorden niet er aan

gedacht naar onze namen te vragen. De Caddo-Indianen mochten niet met

ons spreken, maar de blikken, welke zij ons toewierpen zeiden even

duidelijk, als woorden dit konden, hoe dankbaar zij ons waren.

Slechts weinige minuten nadat wij wederom op weg waren, begon het eerst

zacht en toen steeds harder te sneeuwen en de sneeuw smolt niet, daar

de temperatuur plotseling daalde. Winnetou zag met een somberen blik

naar de lucht en den horizon en toen wij het fort voor ons zagen

opdoemen, was de geheele omtrek reeds eenige duimen hoog met sneeuw

bedekt.

Fort Hillock had wel den naam, niet evenwel het aanzien van een fort.

Op een met planken omringd vierkant, waren blokhutten opgericht. Lange,

houten gebouwtjes gaven de nederzetting meer het aanzien van een

winkelgalerij dan van een vestingwerk en slechts de nauwelijks meer

zichtbare, vuil-witte overblijfselen bewezen dat de plaats door een

hoogen en sterken sneeuwval omgeven was geweest, welke nu in de laatste

dagen was weggesmolten. Voor Indianen scheen men niet bang te zijn,

want de poort stond wijd open toen wij binnentrokken. Naar wij aan de

bezig zijnde soldaten zagen, schenen de zooeven genoemde winkeltjes

dienst te doen als stalling voor de paarden en als voorraadschuren.

Opmerkzaam gemaakt door het hoefgetrappel van onze paarden kwamen uit

een der blokhutten twee officieren, een luitenant en een kapitein,

welke laatste een zeer streng gezicht zette, toen hij ons zag. De

aanvoerder van onzen troep steeg van zijn paard en trad op hem toe om

hem alles te vertellen. Ook wij stegen af.

De kapitein luisterde slechts met een half oor naar het verhaal van

zijn ondergeschikte, want zijn oogen waren het meest op onze paarden

gericht. Hij kwam naderbij en riep:

—Wel, wat zijn dat voor prachtige dieren! Die wil ik u wel afkoopen.

Wat moeten ze kosten?

Eerst nu zag hij ons aan. Winnetou scheen niet bijzonder veel indruk op

hem te maken, maar toen hij mij goed aanzag, zag ik, dat hij mij

herkende.

—All devils! riep hij.—Wien zie ik daar? Is het waar? Wie zijt gij,

sir?

—Ik heet Beyer,—antwoordde ik.

Nu schudde hij het hoofd, pakte mij bij de kin, draaide mijn hoofd naar

rechts om de linkerzijde van mijn hals te zien en zeide toen op

triomfantelijken toon:

—Ik heb het dadelijk wel gedacht! Dat litteeken daar is van dien

beroemden messteek. Laat anderen u voor groen aanzien, ik laat mij door

uw kleeding niet foppen, heeren. Gij beiden zijt....

—Als ik u verzoeken mag, geen namen kapitein,—viel ik hem in de rede.

—Waarom niet?—vroeg hij.

—Om de Sioux, door wier gebied wij nog moeten trekken. Als gij ons

werkelijk hebt herkend, dat weet gij ook wel, dat de onderhoorigen van

deze natie niet behoeven te weten, dat wij ons in hun gebied bevinden.

—Zooals gij wilt, sir! Ik was van plan mijn luitenant een geduchten

uitbrander te geven, dat hij zich heeft laten overreden terug te

keeren, maar nu zie ik wel in, dat hij goed gehandeld heeft Komt

binnen, ik zal uw paarden goed laten verzorgen en gij kunt een flinken

grog krijgen en mij meteen vertellen wat gij op die Grinder en Slack

tegen hebt.

—Waar zijn de kerels, kapitein? Ik zie hen niet! Zij zijn toch niet

reeds weg?

—O neen. Hun paarden staan daarginds in den stal en zij zijn op jacht

om een stuk wild te schieten.

—En om waarschijnlijk meteen eens naar het gestolen goud te zien dat

zij verborgen hebben. Jammer dat het zoo sneeuwt! Daardoor is het

onmogelijk hen na te sluipen en te beluisteren. Deze sneeuw berooft ons

van de bewijzen, welke noodig zijn om hen van de misdaad te overtuigen.

—Dat is mij tamelijk onverschillig, sir! Ik weet zeer goed dat gij

beiden juist de menschen zijt om de bewijzen van onder de dikste sneeuw

weg te halen.

De blokhut, in welke wij gedurende dit laatste gesprek binnengeleid

waren, diende hem en den luitenant tot woning. Terwijl de jongste

officier den grog gereedmaakte, wees de kapitein op twee zeer primitief

in elkaar gespijkerde stoelen en zeide:

—Gaat zitten, heeren en zeg mij oprecht: niet waar, gij zijt Mr.

Old-Shatterhand en Mr. Winnetou.

Ik antwoordde terwijl ik wees op onze geweren, welke wij natuurlijk mee

naar binnen hadden genomen:

—Hier is de beroemde zilverbuks van het opperhoofd der Apachen en hier

ziet gij mijn geweer en mijn berendooder. Nu weet gij precies, wie wij

zijn.

—Juist. Het is een groote eer voor ons u bij ons te zien. Wij heeten u

hartelijk welkom en zullen geloof hechten aan ieder woord, dat gij over

de misdaad zegt.

—Dank voor uw vertrouwen, sir! Maar zulk een daad moet beoordeeld

worden naar de wetten der prairiën en deze wetten eischen in de eerste

plaats onwederlegbare bewijzen. Gij moogt geen vonnis vellen, alleen op

ons zeggen.

Winnetou, die nooit alcohol gebruikte, bedankte ook voor den grog, maar

ik proefde den warmen drank, teug voor teug en vertelde daarbij

uitvoerig, wat wij van Grinder en Slack wisten en dachten. Nog waren

wij niet geheel daarover uitgepraat of de deur ging open en de beide

genoemden traden binnen.

—All devils!—riep Grinder, toen hij ons gewaar werd,—ik mag dadelijk

blind worden, als dat niet Mr. Beyer met zijn Indiaan is.

—Hij is het!—antwoordde de kapitein, terwijl hij den luitenant een wenk

gaf, waarop deze zich verwijderde.—Waarschijnlijk is het u niet

aangenaam, deze beide gentlemen hier te zien?

—Niet aangenaam? De duivel mag mij halen of mij iets, wat deze mannen

aangaat, aangenaam is of niet, zij zijn mij geheel onverschillig.

—Dat zal wel niet zoo zijn, als gij eerst weet, waarvoor zij naar fort

Hillock zijn gekomen.

—Wat zou dat kunnen zijn? Wij hebben volstrekt niets met hen te maken!

Wij zijn hier enkel gekomen om te vragen of uw manschappen reeds

teruggekomen zijn. De roode schurken bengelen zeker reeds aan twee

flinke touwen?

—Neen zij bengelen nog niet, Mr. Beyer heeft hen weer teruggebracht.

—Wie? Wat? Wat heeft deze Mr. Beyer en zijn Indiaan met deze zaak te

maken!

—Zeer veel. Zij kennen de ware moordenaars en hebben hen tot hiertoe

gevolgd.

—De ware moordenaars? Dat zijn toch de Caddo-Indianen!

—Neen, Mr. Beyer beweert integendeel, dat de ware moordenaars Slack en

Grinder heeten.

—Slack en Grin.... all devils, wij?—stamelde Grinder verschrikt.

—Ja, gij!

—Ik mag dadelijk blind worden als die man zijn verstand niet heeft

verloren. Slack, spreek dan toch, wat zegt gij daarvan?

De gevraagde hield mij de gebalde vuist toe en schreeuwde:

—De duivel hale hem! Wat wil die kerel toch met ons! Het is een

Duitscher, vertrouw hem niet. God mag mij krankzinnig maken als ik hem

niet den mond stop, dat hij zijn gansche leven moet zwijgen! Kom

Grinder! Voor zulk een kerel zijn wij veel te goed!

—Gij blijft!—beval de kapitein.

Zij wilden ondanks dit bevel heengaan, maar toen zij de deur openden,

zagen zij den luitenant voor zich die met een half dozijn soldaten

binnentrad, hen omringde en vasthield.

—Wat moet dat beteekenen?—schreeuwde Grinder, terwijl hij zich

tevergeefs trachtte los te rukken.

—Dat beteekent, dat gij wegens moord wordt gearresteerd,—antwoordde de

kapitein.

Nu volgde een tooneel dat niet te beschrijven is. Niet, dat deze beide

menschen zich verzetten of zich trachtten te bevrijden, neen, daartoe

waren zij te laf. Hun daden bestonden in woorden, welke zij tot hun

verdediging aanvoerden, maar wat voor woorden en uitdrukkingen!

Vloeken, eeden, bezweringen en verwenschingen, waarbij mij de haren te

berge rezen. Ik gevoelde mij verlicht, toen deze godslasteraars

eindelijk buiten de deur waren gezet, om opgesloten te worden. Zelfs

mijn anders zoo kalme Winnetou, die door niets of niemand van zijn stuk

was te brengen, legde mij den vinger op den arm en zeide:

—Charley, zou ooit een roode man zich zóó gedragen en zijn Manitou op

zulk een wijze beleedigen? Wie zou nu nog durven beweren dat de

bleekgezichten beter en beschaafder zijn dan de kinderen der savanne?

Wanneer men spreekt van het „wilde” Westen, dan is dit enkel verwilderd

geworden door de blanke indringers die wij eens als goden hebben

behandeld! Howgh!

Na eenigen tijd kwamen de zes cavaleristen terug van de begrafenis der

vermoorden. Zij brachten alles mede wat zij in de zakken hadden

gevonden. Er was nog een notitieboekje bij, waarin de namen der

bloedverwanten waren opgeschreven. Toen werd bevel gegeven het

middagmaal gereed te maken. Ik werd, met Winnetou natuurlijk, aan de

officierstafel genoodigd.

Daarna werden de leden van de rechtbank bijeengeroepen, die uit de

officieren en drie onderofficieren bestond. Winnetou en ik hadden deze

zitting als getuigen bij te wonen en ook de Caddo-Indianen moesten

verschijnen om op mogelijke vragen te kunnen antwoorden. Toen al deze

personen bijeen waren, werden Grinder en Slack gehaald. Zij verschenen

geboeid en werden elk door twee soldaten bewaakt.

De beide aangeklaagden waren volstrekt niet onder den indruk van het

oogenblik, integendeel, hun optreden was zoo brutaal mogelijk en zij

verklaarden zelfs dat zij de rechtbank niet eens voor wettig

samengesteld erkenden. Misschien begrepen zij, dat de versch gevallen

sneeuw het ons onmogelijk zou maken voldoende bewijzen aan te voeren.

Het eenige geldige bewijs zou nu hierin bestaan, het gestolen geld te

vinden en te kunnen zeggen dat zij het verborgen hadden. Dat zij den

Caddo-Indianen de paarden en geweren van de vermoorden hadden gegeven,

konden wij niet bewijzen, want de getuigenis van deze beide roodhuiden

was volgens de wetten der prairiën, van nul en geener waarde.

Ik durf niet beweren dat de kapitein als voorzitter het verhoor op een

zeer verstandige wijze leidde, maar ik moet eerlijk bekennen, dat het

mij in zijn plaats ook zeer moeilijk zou zijn gevallen de misdadigers

tot bekentenis te brengen. Het voornaamste bewijs, dat wij onder de

bestaande omstandigheden konden bijbrengen, was dat zij de vermoorden

met opzet niet waren voorbijgereden, maar hun rit zoo hadden geregeld,

dat zij de broeders eerst na het invallen der duisternis konden

bereiken. Wel waren ook deze sporen niet meer te zien, maar wij durfden

dit met een eed bezweren. Helaas was hiermee de moord op de Burnings

nog niet bewezen. Het verhoor bestond dus eigenlijk niet dan uit

beschuldigingen van de zijde van den kapitein en tegenwerpingen van de

zijde der aangeklaagden. Hun onbeschaamdheid werd telkens grooter, hun

verwenschingen telkens ruwer, tot ik eindelijk den voorzitter verzocht

het verhoor te sluiten of in elk geval te verdagen.

—Verdagen?—vroeg Grinder lachend, dat zal niet gebeuren. Wij verlangen

of directe veroordeeling op grond van onomstootelijke bewijzen of onze

oogenblikkelijke invrijheidstelling. Ik mag blind worden als ik iets

anders wil.

—Ja,—voegde Slack er bij,—hangt ons op of laat ons vrij. Een van beide

moet gebeuren. Wat die Mr. Beyer en zijn Indiaan ons voor de voeten

werpen is zóó belachelijk dat ik er niet verder over spreken wil. Toch

willen wij om onze onschuld te bewijzen, hun nog eens kans geven om ons

ten onder te brengen. Brengt ons vanavond met hen in een donkere ruimte

en geeft ons ieder een spits mes in de hand! Wanneer zij op deze

ridderlijke wijze van verdediging ingaan, dan mag God mij krankzinnig

maken, als wij hun onze onschuld niet zoo duidelijk maken dat er morgen

niets meer van hen over is, dan een paar rottende lijken. Zijt gij met

dat voorstel tevreden, Grinder?

—Zeker,—antwoordde deze.—Amerikaansche duels, man tegen man in het

donker, dat is onze bijzondere liefhebberij, wij hebben reeds menigeen

het mes door de ribben gejaagd en het zou mij groot genoegen doen,

wanneer deze gentlemen op uw voorstel ingingen. Helaas ik vrees, dat

zij daartoe niet den moed bezitten. Zij kunnen liegen, dat het gedrukt

staat, maar vechten?....

Ik wierp een vragenden blik op Winnetou, hij antwoordde toestemmend met

de oogen, Daarna zeide ik:

—Dat is grootsprekerij, anders niet! Indien wij dat voorstel aannamen,

zouden zij zich dadelijk terugtrekken.

—Terugtrekken?—lachte Grinder.—Twee zulke beroemde en gevreesde

vechtmeesters als wij, zich terugtrekken? De gedachte alleen is te

dwaas om van te spreken!

De beide mannen gingen nog geruimen tijd voort, ons te hoonen en te

bespotten tot ik eindelijk den voorzitter uitnoodigde zijn toestemming

te geven, tot zulk een dubbel-duel, als Gods-oordeel. Het woord

„Gods-oordeel” wekte wederom hun lachlust op, want zij waren er

letterlijk trotsch op, niet aan een God te gelooven. Zij waren volkomen

overtuigd, dat wij door den nood gedrongen, schijnbaar op het duel

ingingen, maar voordat de avond aanbrak verdwenen zouden zijn. De

kapitein evenwel, die wist, wie wij waren, verklaarde zich met mijn

voorstel ingenomen en zoo werd bepaald, dat wij vier personen, ieder

met een mes gewapend, van dienzelfden avond acht uur tot den volgenden

morgen vroeg acht uur, in een ledige ruimte zouden worden opgesloten om

de vraag of de aangeklaagden schuldig of wel onschuldig waren, uit te

vechten. Terwijl de beide mannen weer werden weggeleid, wierpen zij ons

schimpwoorden naar het hoofd die ik onmogelijk kan teruggeven. Zij

vertrouwden er natuurlijk op, dat bij een nauwkeurig onderzoek geen

spoor van goud bij hen was te vinden geweest en dat wij vreesachtige

nieuwelingen waren, wien het niet zoude invallen van avond acht uur nog

in het fort Hillock te zijn.

Toen zij weg waren, spraken wij nog even met den kapitein. Voor hem was

de afloop van een duel tusschen Winnetou en Old-Shatterhand en twee

zulke schelmen, niet twijfelachtig en de geheele bezetting van de

plaats vond het hoogst interessant, dat zulk een gebeurtenis zich hier

af zou spelen. Wij bezagen de aangewezen ruimte, een soort hut. Zij

stond onder een boom en was uit ruwe planken samengetimmerd. Aan den

buitenkant van de deur was een lange, zware houten grendel aangebracht.

Binnenin was niets dan een weinig stroo, dat in den rechterachterhoek

lag.

Wij bleven bijna tot acht uur bij de officieren, zonder dat er veel

over het duel werd gesproken. Herhaalde malen evenwel vertelde ons de

gevangenbewaarder dat Grinder en Slack gevraagd hadden of wij beiden

nog aanwezig waren. Precies om acht uur werden zij naar de hut gebracht

en kregen zij hun messen. Toen gaven wij al onze wapenen met

uitzondering natuurlijk van onze messen, aan den kapitein, namen onze

warme dekens mee en lieten ons naar het tooneel van den strijd brengen.

Een soldaat ging ons vooruit met een fakkel. Grinder en Slack leunden

tegen den achterwand met hun messen in de hand.

—Daar zijn zij!—riep Grinder.—Zij vliegen in hun verderf als muggen in

de kaars. Waarom tot morgen vroeg te wachten? De deur kan in een

kwartier weer geopend worden, want dan hebben wij de kerels reeds ter

helle gezonden.

Dit moest zeer uitdagend klinken, maar wij hoorden wel dat zijn stem

beefde. Nu het bleek dat wij niet, zooals hij had verwacht, verdwenen

waren, werd hij toch wel angstig. Terwijl wij onze dekens in den hoek

rechts uitspreidden, alsof wij daar wilden gaan liggen, zeide de

kapitein tot hen:

—Het is wel mogelijk, dat het zoo gauw beslist is, als gij denkt, maar

hoogstwaarschijnlijk is de uitslag anders dan gij vermoedt. Gij weet

immers niet, wie deze Mr. Beyer en zijn Indiaan eigenlijk zijn?

—Wie zouden het zijn!—lachte Slack.—Menschen die nog niet eens droog

zijn achter de ooren. God mag mij vandaag nog krankzinnig maken als

deze kerels na verloop van een uur nog een enkelen druppel bloed in de

aderen hebben!

—Houdt nu eindelijk eens op met uw gezwets! Als uw woorden bewaarheid

worden, verlaat gij deze hut niet anders als de een blind en de ander

krankzinnig. Gij zult nu eindelijk weten met wien gij te doen hebt.

Deze heeren namelijk zijn Old-Shatterhand en zijn vriend Winnetou en

wij zijn overtuigd dat zij deze hut geheel ongedeerd zullen verlaten.

—Old-Shatt.... Winn....!—klonk het van den achterwand. Van schrik

konden zij de namen niet verder uitspreken en het duurde geruimen tijd

voor Grinder er bijvoegde:—Ik mag dadelijk blind worden als dat niet

een verdomde leugen is!

Nu trad ik op hem toe, greep hem met de rechterhand bij den gordel,

hief hem op en wierp hem tegen den wand dat de planken kraakten; toen

ging ik zonder een woord te zeggen weer naar mijn plaats terug. De

kapitein nam voor mij het woord, terwijl Grinder zuchtend en kermend

opstond.

—Dat was een bewijs dat ik de waarheid sprak,—zeide hij. Zulk een

kunststuk kan alleen Old-Shatterhand uitvoeren. Wilt gij nu gelooven

dat hij het is?

—Loop naar den duivel!—zeide Slack.—Dat is bedrog. Waarom werd ons niet

eerder meegedeeld, wie het waren! Zij zullen ons hier langzaam en zeker

slachten en in het donker neersteken. Dat is nog erger dan gewoon

gevonnist worden. Wij willen weg, wij willen nogmaals verhoord worden.

—Wilt ge den moord bekennen?

—Neen en nog eens neen! Wij zijn onschuldig.

Nu legde Winnetou met een beweging van zijn hand allen het zwijgen op

en zeide op zijn kalmen, indrukmakenden toon:

—Hier staat Winnetou, het opperhoofd der Apachen en hier staat zijn

vriend Old-Shatterhand, dien niemand nog ooit heeft kunnen weerstaan.

Ik heb nog geen woord gesproken en nu evenwel zal ik zeggen wat er moet

gebeuren. Men moet ons nu alleen laten en den grendel op de deur doen.

Ondanks de duisternis zullen onze messen de kelen der misdadigers weten

te vinden, want onze oogen zijn gewend de duisternis te doorboren. Wij

zijn als de slangen welke men ook niet hoort kruipen. Er zijn vandaag

genoeg onnutte woorden gesproken, nu zullen de daden volgen en men zal

niet anders hooren dan de doodskreten der moordenaars, die onder onze

messen zullen vallen als de Burnings onder de hunne. Laat ons beginnen!

De manier waarop Winnetou sprak, maakte een verpletterenden indruk op

de schurken. Zij vroegen op sidderenden toon genade, zij dreigden, zij

vloekten, alles tevergeefs. Toen de fakkeldragers de ruimte verlieten,

balden zij de vuisten en brulden van blind worden en krankzinnig maken.

Eerst toen de deur was dichtgegrendeld, zwegen zij en vermeden zelfs

het minste gedruisch om ons niet opmerkzaam te maken op de plaats waar

ze zich bevonden.

Wat ons betreft het was niet ons doel hen te vermoorden, maar wel om

hen door doodsangst tot bekentenis te brengen. Wij waren vast overtuigd

dat zij niet den moed hadden ons aan te vallen, maar toch trokken wij

onze dekens zacht van den eenen hoek naar den anderen en gingen met

uitgestrekte beenen zoo liggen, dat ieder die ons wilde naderen niet

bij ons kon komen, zonder onze voeten aan te raken. Toen wachtten wij

met de messen in de hand wat er verder zou gebeuren.

Ik denk dat wij ongeveer een half uur zoo hebben gelegen, zonder dat

wij eenig gedruisch vernamen. Toen werd het plotseling buitengewoon

koud, zoo koud, dat het was alsof we zouden bevriezen, en kort daarop

begon een hol, dof gebruis als van een hevigen wind welke over het dak

streek. Slechts weinige minuten later hoorden wij buiten roepen:

—Ziet gij het St. Elmusvuur aan alle punten en hoeken? De Blizzard

(sneeuwstorm) komt! Redt u, redt u in de blokhutten!

Blizzard, zoo heet in het westen van het Mississippi-gebied de

vreeselijke sneeuwstorm, welke steeds uit het noorden komt, zich

kenmerkt door een plotselinge daling van de temperatuur, doch tamelijk

snel voorbijgaat. Dikwijls komen bij zulk een sneeuwstorm electrische

verschijnselen voor en ondanks de felle vorst zijn bliksem en

donderslagen geen zeldzaamheid. Wee dengene, wien deze Blizzard in het

vrije veld, of in een niet te stevig gebouwde woning overvalt. De storm

sleurt alles met zich mee en bedekt ieder voorwerp met een lijkwade van

voetenhooge sneeuw.

Het roepen buiten hield op, de wachters waren in de blokhuizen

gevlucht. Daar kwam de eerste windstoot, welke alles van de aarde

scheen te willen vegen, alles uit de voegen te scheuren. En nu huilde,

kraste, siste, steunde en brulde het om en boven ons als een

onzichtbare vloed, welke geen oevers kent en geen erbarmen. De donder

ratelde, de bliksemschichten volgden elkander op. Het binnenste der hut

vulde zich met dichte stuifsneeuw, welke door de luiken naar binnen

werd gedreven. Wij beefden van kou, wij klappertandden, hoewel wij de

dekens stevig om ons toe hadden getrokken. De aarde beefde, de hut

wankelde. Dit duurde wel meer dan een half uur, toen traden korte

tusschenpoozen in, waarin wij Grinder en Slack hoorden steunen en

kermen, misschien uit angst? Dat konden wij nu niet weten. Toen was het

of de orkaan nog eens in een geweldigen windstoot zijn kracht wilde

toonen. De bodem onder ons beefde, de hut kraakte, zij wankelde van

rechts naar links, toen bezweek de achterste helft. En alsof de storm

hiermee tevreden was, trad nu de kalmte in, even plotseling als zooeven

de storm was opgekomen. Het gevaar was voorbij!

Werkelijk voorbij? Voor Winnetou en mij, zeker, maar ook voor de

anderen? Onder de puinhoopen der ingestorte hut lag een gestalte, die

zich met moeite daaruit werkte en toen onder luid gebrul wegliep. Uit

den anderen hoek klonken onverstaanbare geluiden, alsof iemand wilde

roepen en niet kon. Wij wierpen onze dekens af en liepen naar den hoek

toe. Hier lag Grinder tusschen gebroken planken onder een balk, welke

hem bijna de borst indrukte. Ik hief den balk op en Winnetou trok den

zwaar gewonde er uit, die in onmacht viel, zoodra hij van zijn last was

bevrijd. Wij droegen hem naar de officierswoning, waar de kapitein ons

reeds bij de deur tegemoet kwam om na te zien, welke schade de storm in

en om het fort had aangericht. Toen wij Grinder binnenbrachten en bij

het vuur nederlegden, konden wij zijn verwondingen zien en uitten allen

een kreet van schrik. Een plank was met den scherpen kant over zijn

gezicht gevallen en had hem den neuswortel verbrijzeld en de oogen

ingedrukt.

—Blind, blind!—riep de kapitein.—Hoe dikwijls heeft hij gezegd dat hij

blind mocht worden. Dat is Gods oordeel!

Ik zeide geen woord, zoo diep was ik getroffen, ook Winnetou stond

zwijgend naast mij. Toen verbonden wij den man en legden hem op een

legerstede van een der luitenants. Hierop gingen wij naar buiten om te

zien, wat er verder was gebeurd. De eenige schade welke de orkaan had

aangebracht, bestond hierin, dat de hut was ingestort. Nu moesten wij

nog zoeken naar den verdwenen Slack. Zijn spoor leidde naar de planken

omheining, waarover hij was geklommen en verder naar het nabijzijnde

bosch. De sneeuw lag hoog, ook zonder licht konden wij het spoor

duidelijk zien. Aan den zoom van het bosch gekomen hoorden wij een

menschelijke stem. Wij drongen door het kreupelhout en vonden Slack,

die onder een boom de sneeuw had omgewoeld en languit op den grond

liggend de eene hand onder de wortels hield, terwijl hij als een kind

zong:

—Stofgoud, nuggets.... stofgoud, nuggets,.... acht buidels vol.... acht

buidels vol!

Hij liet zich niet, dan met geweld wegsleuren en nu vonden wij, onder

het mos, acht leeren buidels vol goud. Dit kwam geheel overeen met wat

de Burnings hadden genoteerd, het was dus het goud, dat hun den dood

had bezorgd.

Slack werd naar het fort gebracht. Daar zagen wij, dat er bloed in zijn

haren kleefde. Toen wij zijn hoofd onderzochten, bleek het, dat ook hij

door neervallende balken zwaar gekwetst was geworden. Of ten gevolge

daarvan zijn geest was beneveld of dat reeds van te voren door angst,

zijn verstand was verloren gegaan, dat kan ik niet zeggen! Dus Grinder

blind en Slack krankzinnig. Juist zooals zij het in hun godslastering

hadden gezegd!

Zonderling genoeg, volgde op dezen verschrikkelijken dag een tijd van

zacht weer, zoodat wij onzen tocht konden vervolgen. Grinder en Slack

bleven op het fort achter. Hun lot hing nu af van de daar geplaatste

officieren, die ons een eind weegs uitgeleide deden. De beide

Caddo-Indianen kregen Grinder’s en Slack’s paarden ten geschenke, zij

konden dus met ons vertrekken. Wij brachten hen tot aan de

Platterivier, waar zij afscheid van ons namen, vol dankbaarheid, dat

wij hen van een zekeren dood hadden gered.

Vier jaar later stapte ik in Baton Rouge uit den Mississippi-steamer,

daar ik op de stoomboot naar Natchez moest wachten. Aan de

landingsplaats zaten twee bedelaars, ellendig, mager en in lompen

gekleed. Hun gezichten kwamen mij bekend voor. De een miste de oogen en

op de plaats waar de neuswortel moest zitten had hij een diep breed

litteeken. De andere hield mij met een smeekend gebaar den hoed toe.

Toen ik er een zilverstuk in wierp, stak hij het haastig in zijn zak en

prevelde:

—Stofgoud, nuggets... acht buidels vol.... acht buidels vol!

Nu wist ik wie ik voor mij had. De moordenaars hadden dus op fort

Hillock niet den welverdienden dood gevonden, maar het leven dat zij nu

leidden, was erger dan de dood.

In hetzelfde jaar kwam ik toevallig in Mobery in Missouri. Daar vroeg

ik naar de familie van de gebroeders Burnings. Ik kreeg de geheele

geschiedenis van den moord te hooren en wel met allerlei uitweidingen

over de groote daden van Old-Shatterhand en Winnetou. Ik zeide niet,

wie ik was, maar was tevreden toen ik vernam, dat de kapitein aan de

bloedverwanten van de vermoorden de acht buidels vol goud had doen

toekomen.

Winnetou · 第 20 / 24 题