Dit onverwachte en plotselinge verscheiden van Intschu Tschuna en van
Nscho-Tschi brengt mij in herinnering twee andere treffende
gebeurtenissen, welke ik hier even wil verhalen, ofschoon zij eerst
vele jaren later dan deze geschiedenissen voorvielen.
Ik was toen in het geheel geen greenhorn meer en reeds langen tijd
waren Winnetou en ik door innige vriendschap verbonden.
Ik bevond mij destijds met Winnetou bij de Navajos, die hem ook als hun
opperhoofd-aanvoerder erkenden, daar zij in zekeren zin ook nog tot de
stam der Apachen behoorden. Zij waren gelegerd tusschen de hoogte der
Agua Grande en wilden van daar naar Colorado, doch niet, vóórdat een
aantal blanke jagers die met hen mee wilden gaan, zouden zijn
aangekomen.
Terwijl wij op de komst van deze lieden wachtten, brachten onze roode
schildwachten twee vreemde Indianen, die zij onder zeer verdachte
omstandigheden hadden opgepakt, in de legerplaats. Zij moesten
natuurlijk dadelijk ondervraagd worden, maar weigerden eenig antwoord
te geven. Er was geen woord uit hen te krijgen; hun gezichten waren
niet geverfd en daar zij ook geen enkel teeken van hun afstamming bij
zich droegen, was het bijna onmogelijk te bepalen tot welken stam zij
behoorden. Wij wisten dat de Utahs in den laatsten tijd vijandelijk
gezind waren tegenover de Navajos en daarom zeide ik tegen Winnetou:
—Ik voor mij denk dat het Utahs zijn, want deze stam heeft zich meer
naar het Zuiden teruggetrokken en schijnt een aanval op de Navajos te
willen doen. Misschien zijn deze beide kerels door hen vooruitgezonden
om de verblijfplaats der Navajos op te sporen.
Winnetou kende evenwel de hoogerop wonende stammen beter dan ik en
antwoordde:
—Het zijn Pa-Utes, maar mijn blanke broeder heeft gelijk, wanneer hij
ze voor spionnen houdt.
—Zouden de Pa-Utes zich dan met de Utahs hebben verbonden?
—Winnetou twijfelt daaraan geen oogenblik, want anders zouden deze
beide krijgers niet zoo stellig weigeren ons opheldering te geven.
—Dan is het zaak voorzichtig te zijn! In een streek als deze, kan men
gerust aannemen dat verkenners zich niet meer dan drie dagreizen van
hun makkers verwijderen. Wij kunnen dus nu wel uitrekenen, hoe nabij de
vijand is!
—Oef! Wij zullen hen zoeken!
—Wie zal dat doen?
—Gij en ik.
—Verder niemand?
—Vier goede oogen zien meer dan honderd slechte en hoe meer krijgers
wij meenemen, hoe eerder wij worden ontdekt.
—Dat is waar, maar misschien komen wij in de noodzakelijkheid een bode
te moeten zenden.
—Laat ons dan ook nog een Navajo meenemen, maar anders ook niet. Howgh!
De laatste uitroep diende bij hem altijd om kracht bij te zetten aan
zijn woorden en beteekende zooveel als: afgesproken, uitgemaakt.
Ik zag er dus van af, hem verdere voorstellen te doen.
De Navajo-afdeeling, bij welke wij ons bevonden, telde, behalve de oude
mannen, vrouwen en kinderen ongeveer driehonderd krijgers, die onder
bevel stonden van Nitsas-Kar (Groote Pijl), een zeer bekwaam krijgsman.
Hun aantal was dus groot genoeg om een vijand te weren, van wien men
kon aannemen dat hij niet in groote troepen zou verschijnen, maar toch
waren wij zoo voorzichtig een bode te zenden naar de naastbijzijnde
afdeeling, om haar voor het naderende gevaar te waarschuwen. Een korte
bespreking met Nitsas-Kar had het door Winnetou gewenschte gevolg.
Winnetou, ik en een jong, maar zeer bekwaam krijgsman reden heen om de
verblijfplaats van den tegenstander te ontdekken en de Navajos bleven
met verdubbelde wachtposten op de plaats legeren om op onze terugkomst
of op onzen bode te wachten.
Het was nog vroeg in den morgen en wij hadden dus den geheelen dag voor
ons. In het algemeen wisten wij dat de Utahs in het zuiden van het
gebied van dien naam legerden, terwijl de Pa-Utes ongeveer daar waren
te zoeken, waar de staten Utah, Colorado, Arizona en Nieuw-Mexico aan
elkander grenzen. Deze gegevens nu waren zeer onbepaald, vooral daar
wij konden aannemen dat de roodhuiden, ingeval zij van plan waren een
aanval te doen, die streken reeds zouden hebben verlaten. Waarheen dus
te gaan? Deze vraag zou een onervaren prairiejager hebben gesteld; wij
evenwel hadden een uitgangspunt, waarop wij ons konden verlaten,
namelijk: het spoor van de beide verkenners, dat wij vonden, zoodra wij
de legerplaats hadden verlaten.
Wij bevonden ons in een van de vruchtbaarste streken van Arizona, wat
evenwel niet veel zegt. Het regent in dit land zelden, de weinige
rivieren hebben hun beddingen in zeer diepe kloven; de hoofdrivier
namelijk de Colorado, vloeit tusschen twee rotswanden, welke hier en
daar bijna twee duizend meter hoog, loodrecht opstijgen en daarboven
breidt zich een hoog plateau uit, dat, kaal en arm aan planten, is
blootgesteld aan de gloeiende zonnestralen en de over haar heen
strijkende stormwinden. Slechts zelden ziet men een beek welke men zou
kunnen volgen, zonder in een schier peillooze diepte te moeten afdalen
en hier vindt men dan een rijkdom van groen en gras van struiken en
boomen, waaraan het oog zich des te meer verkwikt, omdat het zoo zelden
voorkomt. Daar waar kleine riviertjes in elkaar vloeien, vindt men
wouden, tusschen welke zich sappige prairiën uitstrekken. Op zulk een
punt bevonden wij ons nu en er was niet veel scherpzinnigheid toe
noodig om het spoor van de beide gevangengenomen verkenners te vinden.
Daar men hen dadelijk bij hun aankomst had gevangengenomen, waren hun
sporen nog zoo versch dat het gras door de hoeven hunner paarden
platgereden, zich nog niet weer had opgericht en wij in galop konden
rijden, zonder de indrukken uit het oog te verliezen. De verkenners
schenen den geheelen nacht onder weg te zijn geweest, want wij vonden
geen plek, waar zij gelegerd konden hebben. Later kwamen wij aan
rotsachtig terrein en wij waren nu genoodzaakt langzamer te rijden,
daar wij nauwkeuriger moesten toezien, maar in de duisternis hadden zij
niet zóó voorzichtig kunnen zijn of wij vonden duidelijke teekenen
welke ons den weg aanwezen, waarlangs zij gereden waren.
Eerst tegen den avond bereikten wij een beekje, waar zij den vorigen
dag halt hadden gemaakt. Hier vonden wij hun „medicijn” en
krijgsteekenen verborgen, waaruit wij konden zien dat zij Pa-Utes waren
en zich op het oorlogspad bevonden. Wij rustten hier gedurende den
nacht uit en reden den volgenden morgen verder. Jammer genoeg waren de
sporen van hieraf niet meer te onderscheiden, maar wij maakten ons
hierover niet ongerust, want wij behoefden slechts de richting naar den
Rio San Juan te houden, om zeker te zijn ze te vinden. Wij reden dus
oost-noord-oost, eerst over een savanna, waarvan het gras steeds
spaarzamer werd en dan over een rotsvlakte welke zoo glad en naakt was,
alsof zij van cement was gemaakt.
Het was tegen den middag toen wij aan den horizon drie stippen zagen,
welke naderbij kwamen. Daar wij nergens konden schuilen, en wij niet
wisten of wij met blanken of met roodhuiden te doen hadden, stegen wij
af, lieten onze paarden knielen en gingen zelf naast hen op de steenen
liggen; op deze wijze werden wij niet zoo spoedig opgemerkt.
De stippen werden grooter, naarmate zij dichterbij kwamen en nu zagen
wij, dat het drie ruiters waren. Winnetou legde de hand boven de oogen,
zag nauwkeurig toe en riep toen:
—Oef, Dick Hammerdull, Piet Holbers [5] en een derde blanke, dien ik
niet ken!
Hammerdull en Holbers behoorden tot de jagers, die wij verwachtten. Ook
ik herkende ze nu en stond op. Daar Winnetou en de Navajo mijn
voorbeeld volgden, werden wij nu door hen gezien; en de drie ruiters
hielden de paarden in. Wij lieten onze paarden opstaan, stegen op en
reden naar hen toe. Hammerdull en Holbers herkenden ons nu ook en
galoppeerden met luid gejuich ons tegemoet.
Het moet gezegd worden dat de beide mannen zulke typen waren als men
zelden in de Far-West ontmoet. Hammerdull was klein en wat in ’t Westen
weinig voorkomt, dik met een gladgeschoren, door allerlei schrammen en
litteekenen ontsierd gelaat. Zijn list en overmoed was groot en ieder
mocht hem gaarne, hoewel hij mij dikwijls onbedachtzaam was. Hij had
allerlei eigenaardige uitdrukkingen als: „.... of niet”.... „dat is ’t
zelfde”.
Piet Holbers daarentegen was zeer lang en zeer dun. Zijn mager gezicht
was—bijna zou ik zeggen, omgeven door een vollen baard en dit zou een
groote onwaarheid zijn, want deze baard bestond uit een honderdtal
spaarzame haartjes, welke over beide wangen, kin en bovenlip verstrooid
stonden. Het was of de ratten hem negen-tiende van zijn baard hadden
afgevreten. Piet was buitengewoon zwijgzaam en bedachtzaam een zeer
bruikbaar man, die alleen sprak als men iets vroeg.
Den derden ruiter kenden wij niet. Hij was bijna nog langer dan Holbers
en daarbij mager om van te schrikken. Ik gevoelde bij den eersten blik
dat ik niet met hem zou kunnen opschieten, zijn gezicht was grof
gevormd en zijn blik brutaal en uitdagend.
Terwijl wij naar elkaar toereden, riep Dick Hammerdull:
—Winnetou, Old-Shatterhand? Ziet ge ze wel, Piet Holbers, oude Coon?
Coon is een verkorting van racoon, waschbeer, den naam waarmede
Hammerdull zijn vriend placht aan te spreken. Deze antwoordde op zijn
kalme wijze:
—Als gij denkt, Dick dat ik hen zie, dan zal dit wel zoo zijn.
Zij namen onze handen en schudden die uit alle macht, terwijl
Hammerdull riep:
—Eindelijk, eindelijk, hebben wij u dan!
—Eindelijk?—vroeg ik.—Gij had toch niet kunnen verwachten ons nu reeds
te ontmoeten, daar wij u aan de Agua Grande hadden besteld, welke nog
wel drie dagreizen van hier is. Was uw verlangen naar ons zoo groot?
—Natuurlijk, oneindig groot!
—Waarom? Waar zijn de anderen?
—Dat is het juist! Daarom verlangden wij zoo naar u, daarom joegen wij
onze paarden bijna halfdood. Wij moeten dadelijk naar de Agua Grande,
om een geduchte schaar Navajos te halen.
—Waarvoor?
—Om de Pa-Utes te overvallen, die onze makkers gevangen hebben genomen.
Vooruit dus heeren, vooruit, anders komen wij te laat.
Hij wilde ons doen terugkeeren, maar ik greep zijn teugels en zeide:
—Niet zoo haastig, Dick! Voor alles moeten wij weten wat er gebeurd is.
Stijg dus af en vertel ons alles!
—Afstijgen? geen sprake van! Ik kan het u onder het rijden wel
vertellen!
—Ik wil het echter kalm aanhooren, gij kent mij in dit opzicht. Men kan
door overijling licht alles bederven en moet alles wat men onderneemt,
vooraf overwegen.
—Maar wanneer er geen tijd is om te overwegen?
—Ik zeg u dat wij tijd genoeg hebben! In elk geval moet gij ons eerst
zeggen wie de man is, dien gij daar bij u hebt.
Winnetou was reeds afgestegen, ik volgde zijn voorbeeld en ging naast
hem zitten, de drie anderen konden dus ook wel niet anders.
—Welnu, Piet Holbers, oude beer, dan moeten wij den kostbaren tijd maar
laten verloren gaan,—bromde Hammerdull verdrietig,—wat zegt gij er wel
van?
—Als Old-Shatterhand en Winnetou het beter vinden, zal het wel zoo
zijn,—antwoordde vriend Piet.
—Beter of niet, dat is hetzelfde; er moet zoo snel mogelijk gehandeld
worden, maar als zij het zoo willen hebben, moeten wij ons wel
schikken.
Zij gingen naast ons op den grond zitten. De onbekende had mij de hand
toegestoken, alsof wij elkaar reeds van jaren her kenden, maar ik had
deze slechts even gedrukt, daar het niet mijn gewoonte is, iemand, die
ik nog nooit van te voren heb gezien, de hand te drukken. Toen hij ook
Winnetou zijn hand toestak, deed deze alsof hij dit in het geheel niet
zag. De Apache had dus op den eersten blik even weinig sympathie voor
dezen man, als ik.
—Gij wildet weten, wie deze gentleman is?—vroeg Dick Hammerdull.—Hij
heet Mr. Fletcher, is reeds bijna dertig jaar in het Westen en heeft
zich met vier kameraden bij ons aangesloten om Winnetou en
Old-Shatterhand te leeren kennen.
—Ja, heeren, wat Mr. Hammerdull zegt, is waar,—viel Fletcher hem op
gewichtigen toon in de rede.—Ik zwerf reeds dertig jaar in de Far-West
rond en heb het mij tot taak gesteld, deze verd.... roodhuiden te
toonen, dat zij op onzen.... aardbodem naar den duivel kunnen loopen.
Zulke.... canailles, als dat zijn, zal de.... verslaan en daar ik hoop
dat gij van dezelfde gevoelens zijt als ik, zult gij erkennen dat
deze.... schepsels, door den satan tot.... brij moesten worden
gestampt!
Ik schrok letterlijk over de wijze van spreken. Dat waren woorden,
welke ik nooit had gehoord en nog veel minder kan opschrijven. Ieder
woord, dat ik hier door stippen aangeef, was een vloek. En daarbij zag
hij ons aan, als verwachtte hij dat wij er verrukt over zouden zijn.
Het tegendeel was waar, ik had een gevoel, alsof ik telkens een slag
tegen mijn hoofd kreeg. Nooit heb ik zulke godslasterlijke
uitdrukkingen kunnen verdragen en dikwijls is de straf daarvoor meer
nabij dan men denkt.
Nu wist ik nauwkeurig wie hij was, beter dan Hammerdull het mij had
kunnen zeggen. Men had in mijn tegenwoordigheid dikwijls over dezen man
gesproken, dien ieder aan zijn vreeselijk vloeken herkende. Ja, hij was
een prairiejager, maar een van de allergemeenste soort. Hij was tot
elke lage daad in staat, de strop had reeds meermalen boven zijn hoofd
gezweefd en in zijn haat tegen het roode ras, overtrof hij alle
anderen. Men vertelde van hem dingen, waarbij de haren te berge rezen.
Daarbij kwam nog dat hij om het andere woord vloekte, zoodat zelfs de
ruwste menschen niets met hem te doen wilden hebben. Hij was tot nu toe
onbegrijpelijker wijze vrijgeloopen van alle straffen en van de wraak
der Indianen, hoewel ieder die hem kende, het er over eens was, dat hij
als een wild dier diende te worden afgemaakt. Tengevolge van zijn
buitengewone magerheid en de afschuwelijke gewoonte, om in elken volzin
eenige vloeken te lasschen, had men hem den naam gegeven van
Old-Cursing-Dry (de erge vloeker), maar het was bekend dat ieder die
het waagde hem met dien naam aan te spreken, zijn leven op het spel
zette.
—Welnu, zijt gij misschien stom, heeren?—vroeg hij toen hij geen
antwoord kreeg,—ik meende toch, dat gij beiden wel kondt spreken.
Winnetou zat met neergeslagen wenkbrauwen te kijken. Wanneer hij had
kunnen spreken, zou hij het enkel met het mes hebben kunnen doen.
Daarom nam ik het op mij te antwoorden en zeide:
—Zeg het mij of ik mij niet vergis, als ik u voor Old-Cursing-Dry houd!
Hij was ook gaan zitten, sprong nu echter oogenblikkelijk op, trok zijn
mes en schreeuwde:
—Wie.... wat.... wie ben ik?.... hoe noemt gij mij? Zal ik u dit in
uw.... lijf stooten. Ik verzeker u, dat ik het zal doen als gij mij
niet oogenblikkelijk om pardon vraagt.
—Zwijg!—viel ik hem in de rede, terwijl ik mijn revolver te voorschijn
haalde en op hem richtte.—Bij de geringste beweging met het mes zit
mijn kogel u in den kop! Old-Shatterhand is er de man niet naar om zich
zoo gemakkelijk te laten neersteken als gij wel meent. Zie, ook
Winnetou heeft reeds zijn revolver op u gericht. Gij zijt hier bij
lieden aangeland, die korte wetten maken, mijn vinger is aan den
trekker, zeg mij dus kort en bondig of gij Old-Cursing-Dry zijt, of
niet!
Zijn oogen fonkelden van woede, maar hij zag in, dat hij tegenover ons
aan het kortste einde zou trekken, stak zijn mes dus weer in de gordel,
ging zitten en zeide schijnbaar kalm:
—Ik heet Fletcher, hoe mij andere.... schurken willen noemen, dat gaat
mij en u niets aan!
—Oho! het is ons volstrekt niet onverschillig, in welk gezelschap wij
ons bevinden. Dick Hammerdull, wist gij wel, dat deze man
Old-Cursing-Dry is?
—Neen, antwoordde Dick verlegen.
—Hoelang is hij reeds in uw gezelschap?
—Een week ongeveer. Denkt gij dit ook niet, Piet Holbers, oude coon?
—Als gij denkt, Dick, dat het zoolang is, zal het wel zoo
zijn,—antwoordde Holbers.
—Waar of niet, dat is ’t zelfde, maar het is juist een week, niet
langer en niet korter.
—Dan moet het u toch wel zijn opgevallen, dat hij verbazend vloekte!
—Vloekte? Ja, ik heb wel eens gedacht dat hij zich wel wat anders kon
uitdrukken, maar dat hij Old-Cursing-Dry is, dat wist ik toch niet.
—Nu, dan zal ik maar niet verder over hem spreken, maar als gij het
geweten hadt en gij hadt hem dan hier gebracht, dan zou ik u anders
hebben ontvangen. In onze tegenwoordigheid moet er op fatsoenlijken
toon worden gesproken; wij dulden geen gevloek en wien dat niet
aanstaat, kan maken, dat hij wegkomt. En nu hierover basta! Wij hebben
noodzakelijker dingen te bespreken. Wij verwachtten u met nog acht man,
zijn deze ook in de handen der Pa-Utes gevallen?
—Ja.
—Wanneer?
—Gisteravond.
—Waar?
—Aan den Rio San Juan.
—Op welke wijze?
—Op welke wijze, dat is ’t zelfde, ik weet het trouwens niet.
—Dat begrijp ik niet. Gij moet toch weten wat er gebeurd is.
—Dat zou waar zijn als het in onze tegenwoordigheid was gebeurd, Mr.
Shatterhand.
—Zoo, zijt gij er niet bij geweest?
—Neen, wij waren uitgegaan om vleesch te halen en daar wij niet spoedig
wild ontdekten, waren wij wat ver van de legerplaats afgedwaald. Toen
wij terugkeerden was het reeds donker en wij zouden den Pa-Utes in de
armen zijn gereden, als Mr. Fletcher ons niet tegemoet was gekomen, om
ons te waarschuwen.
—Verder. Waart gij te paard?
—Ja, want wij wilden op de antilopenjacht.
—Was Fletcher ook te paard?
—Natuurlijk! Toen wij hem hadden aangetroffen, verborgen wij de
paarden, slopen terug naar de legerplaats, welke intusschen door de
Pa-Utes in beslag was genomen. Het gelukte ons, zóó dicht bij te komen
dat wij onze acht kameraden konden zien: zij lagen gebonden tusschen de
roodhuiden in.
—Was er geen een gedood?
—Neen, niet eens gewond.
—Hm, zonderling. Hebt gij dan geen schoten gehoord?
—Neen, wij waren te ver van de legerplaats.
—Waren er geen sporen van voorafgeganen strijd?
—Twee Indianen lagen dood bij het vuur.
—Dat is nog veel zonderlinger. Hebt gij afgeluisterd wat er werd
gesproken?
—Afgeluisterd of niet, dat is ’t zelfde, er werd geen woord gesproken.
Wij hadden ons bovendien reeds te ver gewaagd en moesten zien in
veiligheid te komen. Daarom zochten wij onze paarden weer op en reden
weg.
—Waarheen?
—Natuurlijk hierheen, want er bleef ons niets anders over dan u op te
zoeken en dan met behulp van de Navajos de gevangenen trachten te
bevrijden. Daarom stel ik u voor dadelijk naar de Agua Grande op te
trekken.
—Geduld! viel ik hem in de rede,—wij zijn nog lang niet zoo ver. Wij
moeten alles goed overwegen voor wij een besluit nemen. Vertel mij
eerst eens: wie heeft deze beide Indianen gedood? Weet gij dat
misschien, Mr. Fletcher?
—Laat mij er buiten!—antwoordde deze ruw.—Wat gaan mij die roode
schurken aan?
—Gaan u de blanke gevangenen ook niets aan?
—Als er niet een zoon en een neef van mij bij waren mochten ze voor
mijn part naar de hel loopen.
—Luister eens, gij moet op een anderen toon spreken, anders jagen wij u
weg en moet ge maar zien hoe gij uw bloedverwanten terugkrijgt! Wij
willen u helpen maar eischen van u dat gij de volle waarheid zegt. Dus
gij weet niet, op welke wijze de Indianen om het leven zijn gekomen?
—Neen.
—Vertel mij dan, hoe de overval in zijn werk ging.
—Ook dat kan ik u niet zeggen, want ik was er niet bij.
—Waart gij ook al niet in de legerplaats? Waar waart gij dan?
—Om vleesch te halen.
—Waart gij dan met de anderen op de jacht?
—Neen, maar zij bleven mij te lang weg en daarom reed ik ook heen. Toen
ik tegen schemeravond terugkeerde, hoorde ik het krijgsgehuil der
roodhuiden in de legerplaats, welke overvallen was geworden. Ik kon
niet anders doen dan Mr. Hammerdull en Mr. Holbers tegemoet rijden en
hen waarschuwen. Dit is alles, wat ik van die.... geschiedenis weet.
—Hoe sterk waren de Pa-Utes ongeveer?
—Ongeveer driehonderd man. Als wij maar half zooveel Navajos kunnen
krijgen, maak ik mij sterk, deze.... schurken, het leven uit het....
lijf te jagen, zoodat....
—Zwijg!—voerde hem de Apache tegemoet, die tot nu toe geen woord had
gesproken,—gij hebt de beide Pa-Utes gedood!
—Neen, ik niet.
—Gij liegt. Gij zijt de moordenaar!
De beide mannen zagen elkaar een oogenblik diep in de oogen. De bronzen
gelaatstrekken van Winnetou waren koud en trotsch als die van een
koning, terwijl op Fletcher’s gezicht de onbeteugelde hartstocht stond
te lezen. Hij kon evenwel niet langer dan enkele seconden den blik van
den Apache verdragen, hij moest de oogen neerslaan, hief echter den
vinger als tot een eed op en riep:
—Ik mag blind en verpletterd worden, als ik de moordenaar ben! Dat is
genoeg, laat mij nu met rust met uw.... roode duivels!
Een huivering voer mij door de leden. Ook ik hield hem voor den
moordenaar, zonder het evenwel te zeggen. De mond weigerde mij den
dienst, maar Winnetou stond op en zeide op profetischen toon:
—Dit godslasterende bleekgezicht heeft zooeven reeds bij onze eerste
ontmoeting het geheele roode ras, dus al mijn broeders en ook mij
vervloekt. Winnetou heeft gezwegen, want hij weet dat de goede Manitou
den vloek des boozen in zegen kan veranderen. Nu evenwel heeft de
vloeker de goede Manitou zelf gelasterd en hem tot wraak opgeroepen,
hij heeft den Almachtige gewed om het licht zijner oogen en de
onkwetsbaarheid zijner ledematen. De groote Manitou weet evengoed als
Winnetou en Old-Shatterhand dat Fletcher de moordenaar is. Hij zal hem
te zijner tijd richten! Howgh!
De Apache ging na deze woorden weer zitten en geen van ons was het
mogelijk dadelijk iets te zeggen. Fletcher evenwel sprong op en
herhaalde zijn lasterlijke woorden op een toon, welke mij woedend
maakte. Ik ging dan ook op hem toe, hief de vuist op en zeide:
—Zwijg oogenblikkelijk man, of ik sla u neer als een ondier, welks dood
voor anderen een zegen is! Ook ik wil niets met u te maken hebben. Wat
er ook moge gebeuren, van ons hebt ge geen hulp te verwachten!
Nu boog hij het hoofd, maar zeide toch nog halfluid:
—Laat mij dan maar alleen! Ik heb u niet noodig, het is enkel om de
gevangenen te doen. Dat is dus de hulp die men kan verwachten van zulke
beroemde prairiemannen, als gij heet te zijn. Wel bedankt!
—Gij hebt niet te danken, want gij hebt niets van ons te eischen. Wat
de gevangenen evenwel betreft, wij zullen voor hen doen, wat in ons
vermogen is. Wanneer redding mogelijk is, zullen zij gered worden.
—Maar dan moeten wij ons haasten!—verzocht Dick Hammerdull.—Gij zult
wel inzien, dat wij geen minuut moeten verliezen, Mr. Shatterhand.
Denkt gij ook niet, Piet Holbers, oude Coon?
—Hm!—bromde de gevraagde,—als ik het goed heb, kunnen wij niets beters
doen, dan alles over te laten aan Mr. Winnetou en Mr. Shatterhand. Zij
zijn verstandiger dan gij, beste Dick, van mij maar gezwegen!
—Dan was het beter geweest, dat gij maar in ’t geheel niets had gezegd!
Zulk een oude Coon als gij zijt, moet eigenlijk nooit den mond
opendoen!
—Well! Als gij dat zoo vindt, moet gij mij voortaan maar niets vragen,
dan heb ik geen aanleiding om te spreken.
Dit ging natuurlijk alles in gekheid, want de beide vrienden hadden
nooit in ernst twist met elkaar. Hammerdull moest ons nu de plaats waar
de legerplaats geweest was, nauwkeurig beschrijven. Hij deed dit en
voegde er nog bij:
—Waarschijnlijk zullen wij de roodhuiden daar niet meer aantreffen, ik
ben eerder van meening dat zij achter ons zijn en ons willen vervolgen,
daarom ben ik er voor dat wij zoo spoedig mogelijk verder rijden.
—Gij dwaalt, Dick,—antwoordde ik.—Gij wordt niet achtervolgd. Als de
Pa-Utes wisten dat gij drie ontkomen waart, waren zij reeds lang hier
geweest. Zij zijn in de stellige meening alle blanken die er waren,
gevangengenomen te hebben.
—Maar ons spoor! Daaruit hebben zij toch kunnen afleiden, dat wij op de
jacht en dus niet daar waren, toen de overval plaats had.
—De overval geschiedde gisteravond na het invallen der duisternis en
vanmorgen waren uw sporen reeds zoo onduidelijk, dat niet meer was te
onderscheiden of zij voor of na de overrompeling van de legerplaats
waren gemaakt. En uw kameraden zullen, wanneer men hen ondervraagt,
zich wel wachten, u, van wie hun redding afhangt, te verraden. Daarbij
komt nog, dat de Pa-Utes zich op het oorlogspad bevinden en dus de
beide lijken niet met zich kunnen voeren. Men zal de dooden op de
plaats zelf begraven. Hoewel zij genoodzaakt zijn, de daarbij
gebruikelijke ceremoniën wat te bekorten, zullen zij toch niet voor
morgenmiddag gereed zijn en dus niet eerder opbreken. Bovendien zullen
zij niet zooveel haast maken, daar zij toch moeten wachten op de
terugkomst der beide verkenners, van wie zij niet weten dat zij in de
handen der Navajos zijn gevallen. Ziet ge dus wel in, dat wij tijd
genoeg hebben.
—Tijd of niet, dat is ’t zelfde, ik zal mij evenwel naar uw wil voegen,
omdat gij werkelijk verstandiger zijt dan Piet Holbers, die oude Coon!
Dat heeft hij zooeven zelf gezegd.
—Om van u maar niet te spreken, beste Dick,—voegde Holbers er komisch
ernstig aan toe.
—Wees toch stil! Gij hebt immers gezegd, dat gij niet meer wilt
spreken. Wat denkt gij dus nu te doen, Mr. Shatterhand?
—Dat moet Winnetou beslissen. Ik heb u opheldering omtrent alles
gegeven, hij zal de verdere leiding op zich nemen.
Winnetou en ik kenden elkaar, zooals zelden twee menschen elkaar
kennen. In oogenblikken dat het er niet op aan kwam een besluit te
nemen was het dikwijls alsof wij beiden slechts één ziel en één
gedachte hadden. Wat een van ons beiden uitsprak dat had de ander
vooraf reeds in stilte overlegd. Zoo was het ook nu weer. De Apache zag
mij uitvorschend aan en toen ik knikte, wendde hij zich tot den Navajo
die ons had vergezeld en tot nu toe zwijgend toeschouwer was geweest.
Wanneer opperhoofden samen spreken, zal geen gewoon krijgsman het wagen
iets in het midden te brengen.
—Kent mijn jonge, roode broeder den donkeren canon bij de
San-Juanrivier?—vroeg Winnetou hem.
De gevraagde knikte zwijgend en eerbiedig. Toen ging het opperhoofd
voort:
—Aan beide zijden van dezen canon voeren smalle paden naar beneden, die
slechts bekend zijn aan de krijgers der Navajos.
–Nitsas-Kar, het dappere opperhoofd moet zijn krijgers naar dezen canon
leiden, de eene helft geheel naar het benedeneinde, de andere helft
naar het boveneinde, maar slechts zoover, dat zij niet gezien kunnen
worden. Wij moeten de Pa-Utes in den canon zien te lokken. Eerst
wanneer zij daarin geheel zijn binnengedrongen, mag de bovenste schaar
tot aan het water gaan en zich laten zien. Dan zijn de Pa-Utes door de
beide afdeelingen ingesloten en moeten zich overgeven, willen zij zich
niet tot den laatsten man laten neerschieten, want zij bevinden zich
tusschen de hooge, gladde wanden van den canon, waar zij zich niet
kunnen verbergen, terwijl de krijgers der Navajos veilig zijn voor hun
kogels en zich kunnen verschuilen achter de rotsblokken, die beneden en
boven in de kloof liggen. Heeft mijn broeder mij begrepen?
Wederom dezelfde zwijgende hoofdknik.
—Dan mag hij dadelijk zijn paard zadelen en wegrijden!
Eenige oogenblikken later galoppeerde de Navajo weg, zonder een enkel
woord te hebben gesproken. Toen stegen ook wij te paard en reden naar
de San Juan, wier oevers Winnetou en ik nauwkeurig kenden. En ware dit
niet het geval geweest, dan hadden wij in Hammerdull en Holbers
betrouwbare gidsen gevonden. Geen woord van wat wij gesproken hadden,
was aan Fletcher ontgaan, maar wij noodigden hem niet uit mee te gaan
en deden integendeel alsof hij voor ons niet bestond. Evenwel toen wij
ons op weg begaven, kwam hij langzaam achter ons aan. Wij hadden liever
gewild, dat hij achtergebleven was.
Winnetou was evenals ik, volkomen overtuigd dat de Pa-Utes zich nog
bevonden op dezelfde plaats waar zij de blanken hadden overvallen. Wij
waren evenwel toch zoo voorzichtig, niet regelrecht daarheen te gaan.
Zij wilden immers naar de Navajos, van waar wij kwamen en het was in
elk geval onmogelijk, dat zij eerder opbraken dan wij dachten of nog
eens weer verkenners uitzonden, die ons konden zien; wij hielden dus
meer rechts, dat wil zeggen, oostelijk aan en reden, toen wij den
volgenden dag tegen den morgen op de hoogte van de legerplaats waren
aangekomen, eerst nog een stuk verder en bogen toen naar links om ten
einde de plaats van den oostkant, in plaats van den westkant te
bereiken. Het stond bij ons vast, dat de roodhuiden van deze zijde geen
vijanden verwachtten. Toch moesten wij nog voorzichtig zijn, want er
waren zooveel personen die voedsel noodig hadden en het was dus wel
mogelijk dat enkelen van hen op jacht waren gegaan en in de nabijheid
rondzwierven.
We bereikten de rivier op een veel verder stroomopwaarts gelegen plaats
en sloegen ons leger op bij een open plek, door dicht struikgewas
omgeven. Nu was het zaak te weten te komen, hoe het met de Pa-Utes en
hun gevangenen stond, maar dit zou niet gemakkelijk gaan. Ik bood mij
aan, die taak op mij te nemen, maar daar Winnetou er op stond dit zelf
te doen, moest ik mij wel naar zijn wil voegen. Toen hij zich
verwijderd had, zorgden wij allereerst voor onze eigen veiligheid door
de sporen, welke wij in de nabijheid hadden gemaakt, zooveel mogelijk
uit te wisschen.
Daarna dienden wij Old-Cursing-Dry eens onderhanden te nemen. Ik had
wel is waar niet weer met hem willen spreken, maar dit plan moest
worden opgegeven, indien het beter was voor onze veiligheid. Hij was
ons tot hiertoe gevolgd, had zijn paard evenals wij de onze,
vastgebonden en was op eenigen afstand van ons in het gras gaan liggen.
Niemand van ons had nog een woord met hem gewisseld en men zag het hem
aan, dat hij zeer verbitterd was op ons allen en de gedachte aan wraak
hem niet vreemd was. Hadden zijn zoon en zijn neef zich niet onder de
gevangenen bevonden, zou hij zeker slecht genoeg geweest zijn, om ons
aan de Indianen te verraden.
Geheel zeker van hem waren wij in geen geval; wie kon weten, welke
booze gedachten en plannen er in hem omgingen? Daarom achtte ik het
geraden mijn stilzwijgen te verbreken. Ik moest zelf met hem spreken,
want mijn woorden maakten in elk geval meer indruk op hem, dan die van
Dick Hammerdull en Piet Holbers. Ik ging dus naar hem toe en vroeg:
—Gij zijt ons sinds gisteren gevolgd, Mr. Fletcher, zonder dat wij u
dit gevraagd hebben. Het schijnt dat gij van plan zijt ook verder met
ons te gaan, is dat zoo?
—Dat gaat u geen duivel aan!—antwoordde hij.
—Mij dunkt, dat ons dat zeer veel aangaat en ik verzoek u dus, sir, een
anderen toon tegen mij aan te slaan. Ik ben niet gewend lompheden aan
te hooren, zonder deze op dezelfde wijze te beantwoorden! Gij hebt
gezien en gehoord dat wij niets van u wilden weten en nu gij ons tot
hiertoe gevolgd zijt, dulden wij dit alleen, zoolang gij ons geen
schade kunt doen.
—Schade?—riep hij.—Aan u is niets te bederven!
Nauwelijks had hij dit gezegd of ik rukte een vrij dikken tak van een
naastbijzijnden boom, stroopte er de bladeren af en gaf hem een flinken
slag, dwars over zijn gezicht.
—Ziezoo, wie niet hooren wil, moet voelen. Ik zal u wel leeren, beleefd
te zijn.
Hij uitte een kreet van woede, sprong op en trok zijn revolver, maar
nog eer hij den loop op mij kon richten, gaf ik hem een slag op den arm
dat hij dien moest laten zakken, toen sloeg ik hem met de vuist zóó
tegen den slaap dat hij als een blok op den grond viel. In een oogwenk
stond de dikke Hammerdull naast mij en terwijl zijn gezicht glom van
vreugde, zeide hij:
—Heigh-day: Eindelijk ziet men eens weer die fameusen slag van u. Dank
u sir! De kerel heeft het verdiend. Zullen wij hem een beetje
vastbinden, opdat hij geen dwaasheden begaat als hij wakker wordt?
—Ja, beste Dick, doe hem maar eenige riemen om de armen en beenen!
—Kom dan hier, Piet Holbers, oude Coon! Wij zullen dien Old-Cursing-Dry
eens met wat mooie lintjes opsieren of vindt gij ’t niet goed?
Piet kwam behaaglijk lachend nader en antwoordde op zijn gewone
laconieke wijze:
—Als gij denkt dat dit noodig is, dan zal ik u wel helpen, beste Dick!
—Noodig of niet noodig, dat is ’t zelfde, we zullen het in elk geval
maar doen.
Zij bonden hem niet alleen handen en voeten maar bevestigden hem
bovendien met een stevig touw aan een boomstam, zoodat het hem niet
mogelijk zou zijn zich stilletjes weg te rollen. Toen zij met hun werk
gereed waren, wreef Dick de vette handjes en zeide vergenoegd:
—Dat is bij u toch een ander leven, sir! Wij zijn nu een maand
onderweg, zonder dat er iets bijzonders is gebeurd, nauwelijks evenwel
hebben wij u ontmoet of wij zitten midden in de avonturen.
—En de overval van eergisteren dan? Was dat dan geen avontuur?—vroeg
ik.
—Voor ons niet, want wij waren er niet bij. In een week beleeft men bij
u meer dan bij ons in een jaar, dat is algemeen bekend. Nu hebben wij
den ouden Fletcher gebonden en kunnen dus aan wat anders denken. Wat
denkt gij van een vischdiner? Ons gedroogd vleesch is bijna op.
—Hebt gij hengels?
—Wat een vraag. Dick Hammerdull en Piet Holbers geen hengels! ’t Is
maar de vraag of er in den Rio San-Juan wel visschen zijn. Of willen
wij bloedegels vangen en braden, Piet Holbers, oude Coon?
—Hm, als gij denkt, dat zij even vet zijn als gij, Dick Hammerdull, dan
heb ik er niets tegen. Visch heb ik echter liever, want dat is mijn
lievelingsgerecht, terwijl ik juist vandaag niet erg veel zin in
bloedegels heb.
Dit was een lang verhaal, zooals men zelden van Piet Holbers hoorde,
maar er was nu ook sprake van zijn lievelingsgerecht. Ik kon hem
gelukkig uit ervaring verzekeren, dat zij een goede vangst zouden
hebben en zoo kropen zij met hun hengels naar den oever, waar zij zich
voorzichtig verscholen, om niet door een toevallig rondzwervenden
Pa-Ute, opgemerkt te worden. Ik evenwel ging languit in het gras liggen
en sloot de oogen, ofschoon ik niet moe was. Van slaap was dan ook geen
sprake.
De prairiejager pleegt, wanneer hij ligt, ook zonder dat hij slaapt,
veel de oogen dicht te hebben, omdat hij dan scherper kan hooren.
Er kon nauwelijks een uur zijn voorbijgegaan, toen de hengelaars
terugkwamen. Zij hadden reeds zooveel gevangen dat wij voor den middag
en den avond genoeg hadden. Jammer genoeg konden wij geen vuur
aanmaken, voor Winnetou terug zou zijn, want wij wisten niet of wij dit
konden doen, zonder gevaar te loopen te worden ontdekt. Een Indiaansche
neus ruikt den rook van het vuur reeds van verre, maar nog verder den
geur van vleesch, onverschillig of het van visch of wildbraad is.
De tijd ging voorbij. Het werd middag en de beide vrienden werden
ongerust over den Apache. Ik maakte hen opmerkzaam op den grooten
afstand van hier naar de legerplaats en op de moeielijkheid om op
klaarlichten dag onopgemerkt vooruit te komen. Old-Cursing-Dry was
reeds lang uit zijn verdooving ontwaakt, maar hield de oogen gesloten
en bewoog zich niet.
Eindelijk, eindelijk hoorden wij eenig geritsel in de boomen en
Winnetou kwam terug. Zijn gezicht was strak als gewoonlijk, maar ik
kende hem beter dan ieder ander en wist, dat hij goede tijding bracht.
Hij gaf ons dit te kennen op zijn eigenaardige wijze, want zonder een
woord te zeggen, zocht hij droog gras en dorre rijsjes bijeen, legde ze
op een kleinen hoop, kreeg zijn vuursteenen uit den zak en maakte het
vuur aan. Dick Hammerdull zette een vergenoegd gezicht, duwde Piel
Holbers even met de ellebogen aan en zeide:
—Wel het schijnt alles in orde te zijn en wij kunnen kalm onze vischjes
braden. Wat zegt gij er wel van, Piet Holbers, oude Coon?
—Als gij denkt, dat ik mij verheug op den heerlijken maaltijd, dan
kondt gij wel eens gelijk hebben, oude Dick—luidde het antwoord.
De visschen werden in twee porties verdeeld voor den middag en voor den
avond, toen kreeg ieder wat hem toekwam. Fletcher kreeg evenveel als
ieder ander en toen zijn deel gebraden was, had Dick Hammerdull er
plezier aan hem als een kind te voeren. Winnetou zag wel dat hij
gebonden was, maar het lag niet in zijn aard naar de reden daarvan te
vragen.
Evenmin vroeg ik naar den afloop van zijn verkenningstocht, want ik
wist dat hij te zijner tijd, zelf daarover zou beginnen, de beide
anderen evenwel waren minder geduldig dan ik en nauwelijks had Dick dan
ook den laatsten hap naar binnen geschoven of hij wischte zich met de
mouw den mond af en zeide:
—Ziezoo, nu heeft men genoeg en kan men eens aan de Pa-Utes denken. Ik
hoop dat zij nog niet zijn weggereden!—En toen Winnetou niet dadelijk
antwoordde, vervolgde hij:
—Of vergis ik mij en zijn zij reeds weg?
Over de mannelijke schoone trekken van den Apache gleed een flauwe
glimlach en hij antwoordde op goedhartigen toon:
—De dauw valt te zijner tijd en de zon schijnt eveneens te harer tijd.
Waarom wacht mijn blanke broeder niet tot ook mijn tijd van spreken is
gekomen?
—Heel eenvoudig, omdat ik nieuwsgierig ben,—antwoordde Dick met
volkomen oprechtheid.
—Nieuwsgierig mag een oude vrouw zijn, maar niet de man, vooral niet
wanneer hij een krijgsman is, zooals Dick Hammerdull. Maar ik zal mijn
broeder vertellen, wat hij wil weten. De Pa-Utes zijn er nog.
—Waar?
In de legerplaats, welke zij gisteren hebben overvallen. Winnetou heeft
ze allen geteld, er zijn tweehonderd en zesmaal tien. Hun aanvoerder is
Pats-Avat (Groote Mocassin) het opperhoofd der Pa-Utes.
—En de gevangenen?
—Zij zijn gebonden, maar volkomen gezond. Wij zullen hen dezen nacht
bevrijden.
—Bevrijden?—vroeg Dick verheugd.—Ik dacht dat het beter was, daarmee te
wachten tot de Pa-Utes in handen der Navajos zijn, dan krijgen de
blanken vanzelf hun vrijheid terug.
—Winnetou gelooft dat zijn blanke broeder zich daarin vergist. Wanneer
wij de Pa-Utes in den canon opsluiten, terwijl zij hun gevangenen nog
bij zich hebben, kunnen zij hun voorwaarden stellen en ons dreigen, de
bleekgezichten te dooden. Zijn deze evenwel vrij, dan moeten de
vijanden ingaan op alle voorstellen, welke wij hun doen.
—Juist ingezien! Mij is het ook veel aangenamer, dat wij reeds dezen
nacht onze kameraden verlossen, want dat zal me een vreugde geven. Maar
hoe zullen wij dat aanleggen?
—Dat zal mijn broeder hooren als de tijd daarvoor gekomen is. Winnetou
heeft geluisterd en vele Pa-Utes hooren spreken, hij heeft vernomen,
waarom ze nog niet weg zijn en hoe de overrompeling van de legerplaats
in zijn werk is gegaan. Van de twee gedooden is de een de zoon van het
opperhoofd, wiens begrafenis niet voor morgen kan plaats hebben, daar
het graf uit steenen moet worden opgebouwd. Het opperhoofd is zeer
verbitterd over den dood van zijn zoon en het is zeer wel mogelijk, dat
hij de gevangenen doodt, opdat hun zielen die van zijn zoon in de
eeuwige jachtvelden moeten bedienen.
—All devils, dat zou verschrikkelijk zijn!
—Het zou niet anders zijn dan een wraakneming, welke zij van de
bleekgezichten hebben afgezien. En deze straf zou daarom rechtvaardig
zijn, omdat zij daardoor den moordenaar, wiens zoon en neef zich onder
de gevangenen bevinden, dubbel zou treffen.
—Dus toch Old-Cursing-Dry?
—Ja, hij is de moordenaar.
Fletcher lag dicht genoeg bij om alles te kunnen hooren. Sedert het
middagmaal had hij de oogen open gehad. Nu riep hij:
—Ik ben het niet, ik ben het niet, ik weet er niets van! Deze....
schurken zijn de gemeenste.... die ik ben. Ik zweer bij.... dat ik de
waarheid zeg!
Deze verdediging bevatte wederom drie vloeken, welke men onmogelijk
weer kan geven. Winnetou deed, alsof hij ze niet hoorde en vervolgde:
—De Pa-Utes hebben eerst niet hier, waar zij zich nu bevinden, willen
legeren, maar verder willen trekken. Zij zouden de bleekgezichten in
het geheel niet hebben gezien, als de moord niet gepleegd was geworden.
De zoon van het opperhoofd reed met nog twee krijgers den troep een
eind vooruit, plotseling vielen twee elkaar opvolgende schoten en hij
stortte dood van zijn paard en naast hem een der andere krijgers.
Beiden zijn in het hoofd getroffen.
—Bewijst dat, dat ik het gedaan heb?—brulde Fletcher toornig.
Winnetou wendde zich tot Hammerdull en Holbers:
—Wanneer deze man het nog eens waagt zoo luid te spreken, mogen mijn
broeders hem een prop in den mond duwen en hem krom binden, dan hangen
wij hem in de rivier, dat hij langzaam en ellendig moet verdrinken.
Toen hernam hij den ouden toon en ging voort:
—De tweede ruiter, die niet getroffen was, heeft zijn paard gewend naar
den kant van waar de schoten kwamen en heeft een ruiter zien wegrijden.
Daar het nog niet geheel donker was, heeft hij den man en het paard
nauwkeurig kunnen herkennen. De man had een stroohoed op het hoofd en
daaronder een doek, zooals de vaqueros en cowboys soms dragen. Het
paard was donker van kleur, maar had een lichte vlek op de rechterheup.
Mijn broeders zullen wel weten wie zulk een hoed en zulk een doek
draagt en wiens paard zulk een lichte vlek heeft. Winnetou heeft
duidelijk gehoord hoe de eene Pa-Ute dit aan de anderen vertelde.
Natuurlijk was het Fletcher, op wien dit alles betrekking had. Hij
waagde het evenwel toch nog alles te loochenen en riep wederom:
—Leugen, alles leugen! Wat zulk een roode... zegt, heeft geen...
waarde. Ik zweer bij... dat ik zoo onschuldig ben, als een...
Dat waren wederom uitdrukkingen, waarvoor ik hem wel halfdood had
kunnen ranselen. De Apache ging op koelen toon voort:
—Herinneren mijn broeders zich nog de vreeselijke woorden, welke de
man, die daar ligt, gisteren, toen hij ons voor het eerst zag, met
betrekking tot de Indianen heeft gesproken? Hij sprak ze uit, terwijl
hij zelf zag, dat ik een roodhuid was. Zooveel woorden als hij heeft
gesproken, zooveel getuigen zijn dit tegen hem, geen ander dan hij is
de moordenaar, hoewel hij een eed heeft gedaan dat hij het niet is.
Nu richtte Old-Cursing-Dry zich half op en schreeuwde:
—En ik herhaal bij dezen mijnen eed bij allen.... Ik mag blind worden
en verpletterd, als ik de moordenaar ben! Wanneer gij zoo dom zijt,
een....
Hij kon den zin niet voltooien, want reeds lag ik naast hem
neergeknield. Terwijl ik met mijn rechterhand hem de keel dichtkneep,
scheurde ik met de linker een stuk van zijn jas en maakte daarvan een
bal. Hij snakte naar adem, maar ik duwde hem de prop tusschen de tanden
en Hammerdull zorgde voor een tweede lap, welken wij hem voor den mond
bonden, zoodat hij de prop er niet meer met de tong kon uitwerken. Nu
waren wij vrij van het aanhooren van zijn vloeken en keerden naar onze
plaatsen terug.
Lang zaten wij zwijgend bijeen, ieder wist wat de ander voelde en
dacht, doch niemand sprak het uit. Uitvaagsel der menschheid, lager
staande dan het redelooze dier! Zijn er werkelijk menschen op wie zulk
een onmogelijk schijnende beschrijving van toepassing is? Tot nu toe
zou ik deze vraag stellig ontkennend hebben beantwoord, thans moest ik
toegeven dat zij werkelijk bestonden. Wat moesten wij met dezen man
beginnen? Hem de vrijheid geven, hem, den schrik van al wat mensch was.
Neen! Hem aan de Pa-Utes uitleveren? Ja, hij had het verdiend, want hij
was in elk geval de moordenaar en kon slechts door den dood
onschadelijk worden gemaakt.
Winnetou legde mij de hand op den arm en zeide, alsof hij mijn
gedachten had gelezen:
—Mijn broeder denke niet te lang over dit alles na! Als het hem leed
doet, zelf het leven van zulk een nietswaardig mensch te zien
vernietigen, dan zal het opperhoofd der Apachen alleen als rechter
optreden. Old-Cursing-Dry wordt aan de Pa-Utes overgeleverd, ik heb
gezegd, Howgh!
—Houdt gij mij voor kleinmoedig?
—Neen, maar voor al te barmhartig!
—Ja, ik heb zelfs medelijden met dezen mensch, niet met zijn lichaam,
maar met zijn ziel. Zoudt gij hem niet gelegenheid willen geven een
enkel woord van berouw te spreken?
—Wat praat gij van berouw. Denkt gij dat het in uw macht staat zijn
hart te openen voor zulke gevoelens? Neen, die macht bezit alleen de
groote Manitou! Gij hebt mij geleerd op hem te vertrouwen en nu wilt
gij het zelf niet doen. Wees niet bezorgd! Het aardsche leven van dezen
moordenaar is vervallen aan de onverbiddelijke wetten der prairie, over
zijn ziel zal Manitou richten. Hij is van nu aan niet meer een
metgezel, dien wij dulden, maar een gevangene, dien wij aan de Pa-Utes
uitleveren zullen. Daarom mag hij ook verder niet hooren, wat wij met
elkander bespreken.
Na deze opmerking bleef hij eenigen tijd in gedachten verzonken en ging
toen op gedempten toon voort:
—Winnetou zal u nu zeggen, op welke wijze het ons mogelijk zal zijn, de
acht gevangenen te bevrijden.
Dick Hammerdull en Piet Holbers kennen de plaats, op welke de Pa-Utes,
die ik besluipen wil, gelegerd zijn. Er is daar een klein schiereiland,
dat door een smalle strook land met den oever is verbonden, naar dit
schiereiland zijn de gevangenen gebracht, omdat zij daar veel
gemakkelijker kunnen bewaakt worden en zij van daar onmogelijk kunnen
vluchten.
—Ik ken dit schiereiland,—knikte Hammerdull,—wij hadden er over gedacht
daar onze legerplaats op te slaan, maar zagen er van af, omdat er
zooveel steekvliegen waren. De zoom van het eiland is met kreupelhout
begroeid.
—Juist en dit feit zal onze pogingen om hen te bevrijden, gemakkelijker
maken. De acht mannen zijn natuurlijk gebonden en er is voor hen geen
denken aan, over het water te vluchten. Daarom is één enkele wachter
voldoende en deze is geposteerd op de smalle strook land, welke den
overgang vormt naar het eiland. En al was men zoo voorzichtig geweest
twee of drie schildwachten uit te zetten, dan zou dit nog niet zulk een
bezwaar zijn, want deze zijn in enkele minuten onschadelijk gemaakt.
—Ja, ik ben overtuigd dat wij drie en nog meer schildwachten snel uit
den weg ruimen, even spoedig hebben wij ook de banden van de gevangenen
doorgesneden, maar wat dan? Aan den oever zijn nog meer dan
tweehonderdvijftig Indianen gelegerd, die ons wel moeten opmerken!
—Wij komen evenwel niet langs hen heen, maar vluchten over het water.
—Hm, hm, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik ben wel overtuigd
dat de kameraden allen tamelijk goed kunnen zwemmen, maar zij zullen de
armen en beenen niet zoo gemakkelijk kunnen bewegen, daar zij zoolang
gebonden zijn geweest. Het is ook niet te vermijden, dat de een vlugger
zwemt dan de andere, en daardoor den een op den ander moet wachten.
Hiermee gaat veel tijd verloren en wij geven den Indianen gelegenheid
hen één voor één op te visschen en neer te schieten.
—Mijn blanke broeder heeft niet goed op mijn woorden gelet: ik heb niet
gezegd, dat wij door het water, maar over het water wilden vluchten.
Wij zullen een vlot bouwen. Mocht het noodzakelijk zijn in het water te
gaan, dan zullen dit slechts twee van ons doen, namelijk
Old-Shatterhand en ik.
—Zoo, een vlot! Maar een vaartuig waarmee acht personen kunnen worden
vervoerd, moet zoo groot zijn dat de Indianen het zullen moeten zien,
hoewel het vannacht zeer donker zal zijn, omdat het nieuwe maan is. Is
dat niet ook uw meening, Piel Holbers, oude Coon?
—Als gij denkt dat het nieuwe maan is, dan hebt ge gelijk, oude
Dick,—luidde het antwoord,—maar Winnetou zal wel weten wat hij wil.
—Of hij het weet of niet dat blijft hetzelfde, maar ik ben ook
overtuigd dat hij het bij het rechte eind heeft. Wat zegt gij er van,
Mr. Shatterhand?
Daar deze vraag tot mij gericht was, antwoordde ik:
—Ik raad de bedoeling van onzen rooden broeder. Het vlot moet
onopgemerkt blijven, het zou evenwel gezien worden wanneer de Pa-Utes
bij de legerplaats bleven, daarom vermoed ik dat Winnetou van plan is
hen weg te lokken.
—Mijn blanke broeder heeft mijn bedoeling geraden,—knikte de Apache.—De
Pa-Utes moeten weg van de legerplaats.
—Maar hoe kunnen wij hen daartoe noodzaken?—vroeg Dick Hammerdull.
—Door brand.
—Goed. Maar wat zullen wij in brand steken? Wij kunnen toch niet het
bosch verbranden, dat zou zonde wezen, hier, waar zoo weinig bosschen
zijn.
—Het bosch is het opperhoofd der Apachen heilig, het mag niet vernield
worden. Maar wij moeten iets in brand steken dat den Pa-Utes ook heilig
is, want om een kleinigheid zijn zij niet zoo onvoorzichtig de
legerplaats te verlaten.
—Dan ben ik wel nieuwsgierig welk voorwerp Winnetou in brand wil
steken!
—Het nieuwe grafmonument.
—Voortreffelijk. Dat denkbeeld is tien duizend dollars waard. Maar dit
ding zal niet branden, want het is van steen.
—Het is ook niet noodig dat het verbrandt. Wij maken een grooten stapel
van hout en droog gras, leggen dien boven op het graf, wanneer deze
stapel brandt, zullen alle roodhuiden doodelijk schrikken en
heensnellen om het vuur te blusschen.
—Maar dan zullen wij nog moeten wachten tot het gereed is. En dan nog
zal het gevaarlijk zijn het te naderen, daar men in elk geval
wachtposten zal uitzetten.
—Mijn broeder Dick Hammerdull moet zich de gebruiken der roode volkeren
herinneren. Zoodra het graf voltooid is, zal men het lijk van den zoon
van het opperhoofd daarin neerleggen en niemand dan zijn vader zal daar
blijven; men moet hem alleen laten, opdat hij de lijkzangen, welke
alleen de ziel van den afgestorvene mag hooren, kan aanheffen. Wij
hebben dus alleen met hem te doen.
—Moet hij gedood worden?
—Neen. Old-Shatterhand en Winnetou dooden geen mensch, wanneer zij
daartoe niet door hen zelf worden gedwongen. Hij zal van mijn broeder
Shatterhand een vuistslag krijgen opdat hij zwijgt, zoolang hij niet
spreken mag, verder mag hem niets kwaads geschieden.
—Maar wij kunnen niet tegelijkertijd bij het graf en op het vlot zijn!
De roodhuiden zullen het vuur hebben uitgebluscht voor wij gereed zijn
en dan zal het zeer de vraag wezen of ons plan zal gelukken.
—Dick Hammerdull behoeft niet ongerust te wezen. Wij zullen ons in twee
groepen verdeelen en den tijd zóó nauwkeurig afmeten dat de kans op
slagen zeer groot is. Laat ons nu aan het werk gaan en het vlot bouwen,
want het moet gereed zijn voordat de avond invalt.
—Zijn wij zeker dat wij niet gezien zullen worden?
—Winnetou weet zeker dat de Pa-Utes niet in deze streek zullen komen.
—Of zij komen of niet, dat blijft hetzelfde maar het is in elk geval
beter dat zij niet te weten komen dat wij hier zijn en wat onze plannen
zijn. Meent gij ook niet, Piet Holbers, oude Coon?
—Als gij meent dat dit beter is, beste Dick, zal het mij niet invallen
er iets tegen te hebben!—antwoordde Piet op zijn droge manier.
Wij gingen nu aan het vellen van dunne boomen, een werkje, dat, daar
wij geen bijlen hadden, slechts langzaam vorderde. Versche, buigzame
takjes, om de stammen aan elkaar te binden, waren er genoeg en zoo
hadden wij eindelijk na twee uur een vlot gereed. Het had twee roeren,
één voor en één achter en bovendien vier roeiriemen, voor het geval wij
meer haast moesten maken. Nu werden vier groote bundels hout en gras
verzameld en op het vlot gebracht.
Toen wij daarmee gereed waren, moesten de paarden worden weggebracht.
Wij bevonden ons, zooals reeds gezegd is, stroomopwaarts van de
legerplaats der Pa-Utes en moesten dus met het vlot stroomafwaarts
varen en eveneens konden de gevangenen, indien ons plan gelukte, ook
slechts stroomafwaarts landen en wel op den anderen oever, opdat onze
vervolgers genoodzaakt zouden zijn eerst over de rivier te steken, vóór
zij ons konden achtervolgen. Daarom was het noodzakelijk de paarden
eerst op een daartoe geschikte stroomafwaarts gelegen plaats te
verbergen. Old-Cursing-Dry moest natuurlijk ook mee.
Wij zetten dus de paarden aan den anderen oever af en bonden Fletcher
op zijn zadel vast. Piet Holbers moest bij het vlot wacht houden, wij
anderen reden stroomafwaarts, maar niet te dicht langs den oever, om
geen kans te loopen gezien te worden.
Wij reden in galop en waren reeds na een half uur zoover gekomen, dat
wij ons ongeveer een halve Engelsche mijl beneden het Indianenleger
bevonden. Hier was een kleine, nauwe kloof, waarin boomen stonden en
aan deze bonden wij de paarden vast. Old-Cursing-Dry werd van het paard
genomen en eveneens aan een boom vastgemaakt. Hij was woedend en toonde
ons dat, door ons, terwijl wij bezig waren hem vast te binden, eenige
flinke schoppen te geven. Als hij geen prop in den mond had gehad,
zouden wij zeker een menigte vloeken naar het hoofd hebben gekregen.
Wij waren genoodzaakt hem alleen en zonder toezicht hier achter te
laten en den weg dien wij te paard gekomen waren, te voet terug te
gaan. Nauwelijks waren wij op weg, of de duisternis viel in, maar
behouden en wel kwamen wij wederom bij Piet Holbers aan. Wij gingen op
het vlot, maakten het los en vingen den niet ongevaarlijken tocht aan.
Ik stond aan het achterroer. Winnetou aan het voorste en zachtjes
fluisterde hij mij zijn bevelen toe. Het was zóó duister, dat iemand
die geen ervaren prairiejager was, geen hand voor oogen had kunnen
zien, ik echter kon elken boom aan den oever herkennen en Winnetou zag
stellig nog scherper dan ik. Dick Hammerdull en Piet Holbers zaten in
het midden van het vlot en vertrouwden geheel op ons beiden.
De Pa-Utes waren aan den linkeroever van de rivier gelegerd, daarom
hielden wij zooveel mogelijk den rechteroever. Het water had tamelijk
veel verval en wij kwamen dus flink vooruit. Toen Winnetou dacht, dat
we dicht genoeg bij de legerplaats waren, legden wij aan den
linkeroever aan en wel op een plek, waar het vlot veilig onder
overhangende twijgen verborgen kon liggen. Ik zeg aan den linkeroever,
want wij wilden wel later langs den rechteroever ontvluchten, maar
moesten toch eerst hier afstappen om de noodige voorbereidselen te
maken.
Eerst sloop Winnetou weg om het terrein te verkennen. Na ongeveer twee
uur keerde hij terug en meldde, dat hij alles gunstig had bevonden; het
grafmonument zou ongeveer tegen middernacht gereed kunnen zijn en dan
zou het opperhoofd zich stellig daarheen begeven. Het monument stond in
het bosch, ongeveer driehonderd schreden van de legerplaats af. De
dappere Apache was tot bijna in de onmiddellijke nabijheid van het
schiereiland gekropen om te weten in welke richting hij later het vlot
moest sturen.
Wij lagen tot middernacht stil en zwijgend onder het dichte
struikgewas. Toen fluisterde Winnetou mij in:
—Mijn broeder mag de lont uit de patroongordel halen.
Ons werk zou dus beginnen. Ieder voorzichtig prairieman draagt een
kluwen lont bij zich, want hij komt dikwijls in de noodzakelijkheid die
te moeten gebruiken. Ik sneed dus een voldoend eind af en stak het los
in den zak om het dadelijk bij de hand te hebben. Toen stapten wij
allen van het vlot op den oever en namen de groote bundels takken en
gras mee. Winnetou ging vooraan.
Wij liepen in schuinsche richting door naar het bosch. De Apache koos
den weg tusschen de boomen, welke niet al te dicht bij elkaar stonden
en weldra zagen wij rechts van ons, het schijnsel van het legervuur en
links dat van een kleiner, dat bij het grafmonument brandde. Toen wij
dichterbij kwamen herkenden wij Pats-Avat, het opperhoofd der Pa-Utes,
die geheel alleen bij het lijk van zijn zoon zat. Nog nader gekomen
hoorden wij hem zijn klaagzangen prevelen en legden wij onze bundels op
den grond. Dick en Piet kregen bevel hier te blijven staan; ik sloop
met Winnetou tot bijna achter den rug van het opperhoofd en nu ging
Winnetou plotseling voor hem staan. Pats-Avat zag op. Toen hij het
opperhoofd der Apachen herkende, stond hij onmiddellijk op en mompelde
verschrikt:
—Oef, Winnetou, het opperhoofd der Apachen!
De aangesprokene hief den arm op en wees naar mij en antwoordde:
—Ja, ik ben het. En daar staat mijn blanke vriend en broeder
Old-Shatterhand!
De Pa-Ute keerde zich om en zag mij met wijd geopende oogen aan. Reeds
opende hij den mond om hulp te roepen, maar toen kreeg hij van mij
tegen het hoofd een slag welke hem bewusteloos deed neervallen. Nu
droegen Dick en Piet de groote bundels hout aan en gezamenlijk
stapelden wij deze boven op het grafmonument, staken den brand er in en
verwijderden ons zoo haastig dat wij slechts enkele minuten later weer
op het vlot stonden.
Wij maakten het los en lieten ons stroomaf drijven, evenwel zorgende
dicht bij den oever te blijven.
Het werd lichter voor ons, reeds zagen wij het legervuur en bij het
schijnsel daarvan het schiereiland voor ons liggen. Daar verhief zich
plotseling een vuurgloed, welke wel de aandacht der Pa-Utes moest
trekken.
Wij hoorden geroep en zagen velen naar het grafmonument snellen.
—Het gelukt!—zeide Winnetou.—Houdt de wapens gereed voor mogelijken
tegenstand en de messen om de banden der gevangenen los te snijden.
Daar klonk van uit het woud een luide kreet van: „Neav-äkve,
neav-äkve,—het opperhoofd is dood, het opperhoofd is dood!” Nu sprongen
allen, die nog waren achtergebleven op en snelden naar het bosch. Wij
zagen zeer duidelijk dat ook twee roodhuiden van het schiereiland naar
den oever kwamen en naar het bosch liepen.
—Aan de riemen en naar het eiland!—gebood ik.—Holbers blijft op het
vlot om het vast te houden.
Het vlot schoot even snel als een boot vooruit. Toen het tegen het land
stiet, sprongen Winnetou, Hammerdull en ik er af.
Er stond evenwel een derde wachter, die achtergebleven was, maar hij
keerde ons den rug toe en zag naar het bosch. Toen hij eenig gedruisch
hoorde, wat wij niet konden vermijden, keerde hij zich om. Ons zien, om
hulp roepen en zijn geweer aanleggen, was het werk van een oogenblik.
Ik sprong op hem toe, nam hem het geweer af, maar kon niet verhoeden
dat het schot afging. In het volgend oogenblik evenwel gaf ik hem zulk
een geduchten slag met de kolf, dat hij bewusteloos ineenzonk. Nu liep
ik met het mes in de hand naar de gevangenen en eenige minuten later
waren allen vrij en veilig op het vlot.
Wij snelden hen na, grepen de riemen en stuurden allereerst naar den
overkant.
Alles was veel spoediger in zijn werk gegaan dan wij gedacht hadden en
toch was het meer dan tijd, dat wij wegkwamen. Want het schot en het
geroep om hulp waren gehoord en de roodhuiden kwamen terug om te zien
wat er gebeurd was. Zij zagen ons, want wij gleden juist door den
lichten vuurgloed en hieven een woedend gehuil aan. Winnetou’s forsche
stem evenwel klonk boven dit geschreeuw uit.
—Pats-Avat, het opperhoofd der Pa-Utes,—zeide hij,—is niet dood, hij
zal weder ontwaken, want Old-Shatterhand heeft hem slechts bewusteloos
geslagen. En hier staat Winnetou, het opperhoofd der Apachen. Wij
hebben de blanke gevangenen bevrijd en geen duizend Pa-Utes zullen in
staat zijn het ons weer af te nemen. Howgh!
Bij deze woorden verdubbelde zich het gehuil en vele schoten knalden,
maar zij troffen geen doel, daar wij ons reeds weder in de duisternis
bevonden. Nog langen tijd daarna evenwel hoorden wij de stemmen der
vijanden, die als dwazen langs den oever liepen, zonder dat zij kans
zagen ons in te halen.
De uit de gevangenschap verloste en van een waarschijnlijken dood
geredde mannen, hadden uit de woorden van den Apache vernomen, wie wij
waren. Zij wilden in luide woorden lucht geven aan hun blijdschap en
dankbaarheid, maar Winnetou legde hun het zwijgen op door te zeggen:
—Zwijgt! Nog zijn wij niet in veiligheid! En wie weet of wel allen zich
mogen verheugen aan de Pa-Utes te zijn ontkomen. Weldra wordt gij voor
een gerecht gedaagd en wie weet, wat het einde daarvan zal zijn. Howgh!
Winnetou stond, evenals zoo straks, aan het voorste roer en stuurde het
vlot naar den rechteroever, want wij waren in de nabijheid van de
plaats waar wij Fletcher en onze paarden hadden achtergelaten. De acht
bevrijden meenden hier te kunnen uitstappen, maar Winnetou beduidde
hen:
—Blijft zitten, wij varen verder!
—Waarom legt gij dan hier aan, als wij toch niet aan land mogen
gaan?—vroeg een van hen op brutalen toon.
—Omdat onze paarden hier staan!
—En wij hebben er geene! Hadt gij dan geen tijd of lust om ook onze
paarden los te maken? Wij hebben ook geen wapenen. Wat zullen wij hier
in de Far-West beginnen zonder geweer en zonder messen? Dat hadt gij
toch vooraf wel kunnen bedenken!
Er volgde een korte pauze, toen vroeg de Apache:
—Heet het jonge bleekgezicht, dat nu heeft gesproken, misschien
Fletcher?
Ik kende den toon, waarop hij deze vraag uitsprak, zeer goed. Zoo sprak
hij altijd, wanneer hij met een verachtelijk mensch te doen had en
moeite moest doen, om zijn toorn te bedwingen.
—Ja,—antwoordde de gevraagde.
—Dus is hij de zoon van dat ander bleekgezicht, dat men Old-Cursing-Dry
noemt?
—Voor den duivel! Wie geeft u verlof dien naam uit te spreken?
—Winnetou geeft zichzelf daartoe verlof en zou wel eens den man willen
zien die hem dit verbood!
—Dat doe ik! Deze naam is een scheldnaam dien ik niet wil hooren! Waar
is mijn vader? Hij was weg toen wij werden overvallen en is dus niet
met ons gevangengenomen. Ik hoop niet, mijne heeren, dat gij ons van
hier hebt ontvoerd en mijn vader in den steek hebt gelaten. Was dit het
geval, dan zou ik u een.... in het lijf jagen en ik zweer u bij....
—Halt!—viel Winnetou hem in de rede,—geen eed en geen vloek, dat dulden
wij niet! De oude Fletcher is in goede handen en morgen zult gij hem
zien. U nu dadelijk uw paarden en wapenen teruggeven zou
krankzinnigenwerk zijn. Winnetou zal u evenwel zeggen wat er gebeuren
moet. De Pa-Utes zullen ons achtervolgen en wij lokken hen in een val,
waaruit geen van hen zal ontkomen. Dan zullen zij alles moeten
teruggeven, wat zij u hebben afgenomen. De krijgers der Navajos staan
reeds gereed om hen gevangen te nemen. Wie geen paard heeft moet op het
vlot blijven, tot wij op de plaats zelf zijn. De rivier maakt van hier
af een bocht, welke naar de plaats voert, welke de roode mannen
Sitsu-to (geel water) noemen. Herinnert mijn broeder Shatterhand zich
deze plaats nog goed?
—Ja,—antwoordde ik,—wanneer wij nu van hier rijden zijn wij er bij het
aanbreken van den dag.
—Juist. Wij, die op het vlot varen, zullen iets later daar aankomen.
Mijn broeder Shatterhand heeft vier paarden. Hij mag met Dick
Hammerdull, Piet Holbers en een van hun kameraden uitstappen en met hen
naar Sitsu-to rijden om daar op ons te wachten. Wat ons dan verder te
doen zal staan, kunnen wij later bespreken.
Wij hadden acht gevangenen bevrijd, vier kameraden van Hammerdull en
Holbers en vier metgezellen van den ouden Fletcher.
Winnetou gaf mij niet zonder bedoeling een der eersten en niet een der
laatsten mee. Fletcher toch was onze gevangene. Hammerdull koos dus een
zijner vrienden uit en wij stapten aan wal, terwijl het vlot
onmiddellijk verder ging. Het was voor Winnetou een waagstuk, met vier
zulke menschen, als de jonge Fletcher er een was, te varen. Naar zijn
onbeschaamde eischen en zijn wijze van spreken, te oordeelen, was ook
hier de appel niet ver van den stam gevallen.
Wij vier mannen verlieten den oever en vonden ondanks de duisternis,
weldra de kloof in welke wij onze paarden hadden vastgebonden. Hier was
niets bijzonders gebeurd. Wel had Old-Cursing-Dry, naar ik kon zien,
geducht aan zijn banden getrokken, maar zijn pogingen om los te komen
waren geheel zonder gevolg gebleven. Hij werd nu weer op zijn paard
gezet en goed vastgebonden.
De kameraad van Hammerdull verbaasde zich zeer over de behandeling,
welke wij Fletcher aandeden, maar hij werd met een enkel woord op de
hoogte gebracht; toen stegen wij op en reden naar een open vlakte, om
zoo de bocht van de San-Juan-rivier af te snijden.
Ik reed, Fletchers paard voortdurend bij den teugel voerend, vooraan en
luisterde nauwelijks naar de gesprekken, welke de drie anderen achter
mij voerden.
Toen de dag begon aan te breken zagen wij in de verte den groenen zoom
van de rivier en bij het water gekomen, stegen wij af om Winnetou’s
komst af te wachten. Fletcher werd natuurlijk weer tegen een paal
gebonden. Hij had gedurende den geheelen rit steeds de prop in den mond
gehad, ik verwijderde deze uit medelijden, maar nauwelijks had hij de
tong vrij of hij liet zulk een vloed van vloeken en verwenschingen over
ons uit, dat wij hem alleen tot zwijgen konden brengen, door de
bedreiging, hem dadelijk weer te zullen knevelen en nog een extra pak
slaag te laten geven.
Wij hadden gisteren, zuinigheidshalve, de tweede helft van de visch
niet gebraden, daarom maakten wij nu een vuur aan en maakten ons
ontbijt gereed. Fletcher kreeg wederom zijn deel. Gedurende het maal
kon Hammerdull de vragen, welke hem sedert gisteren op de lippen
zweefden, niet langer bedwingen, maar ik wenkte hem te zwijgen, daar
Fletcher niets mocht hooren. Toen deze evenwel gegeten had, kreeg hij
opnieuw de prop in den mond, werd hij op zijn paard een eind
weggebracht en daar weer vastgebonden. Nu kon echter de dikke dan ook
niet langer zijn nieuwsgierigheid bedwingen, hij vroeg:
—Waarom mag die oude man niet hier blijven, Mr. Shatterhand? Waarom
brengt gij hem daarginds in het kreupelhout?
—Omdat zijn zoon, wanneer hij hier mocht uitstappen, hem niet dadelijk
mag zien, want hij zou dan tegen ons opstaan, terwijl hij kalm zal
blijven, zoolang hij niet weet, wat wij met zijn vader voorhebben.
—Wel! Dat is verstandig, maar ik heb nog wel honderd vragen te doen,
welke....
—Welke gij beter deedt vóór u te houden,—viel ik hem in de rede.—Neemt
uw hengels en ziet of er hier ook visch te vangen is. Als Winnetou met
zijn begeleiders komt zullen zij wel honger hebben. Ik zal u intusschen
nog dit zeggen: de Pa-Utes zullen ons natuurlijk achtervolgen, te land
of te water. Daar zij in de duisternis onze sporen niet kunnen zien,
hebben zij wel moeten wachten tot het aanbreken van den dag en dezen
tijd besteed met het bouwen van vlotten. Ook moeten intusschen de
dooden begraven worden. Gij kunt dus wel nagaan, welken voorsprong wij
op hen hebben.
—Die kunnen zij niet gemakkelijk inhalen!
—Neen, maar om hen te prikkelen, willen wij hen zoo dicht mogelijk bij
ons laten komen, dan zullen zij misschien de onvoorzichtigheid begaan
ons in den canon te volgen.
—Zouden de Navajos daar al reeds zijn?
—Nu nog niet, maar ook wij kunnen dien eerst hedenavond bereiken en dan
is Nitsas-Kar met zijn krijgers daar zeker reeds aangekomen. Dat is
alles wat wij vooreerst noodig hebben te weten.
—Maar gij hebt hierover niet met Winnetou gesproken. Het kan zijn dat
hij een heel ander plan heeft dan gij.
—Neen ik ken hem en hij kent mij. Laat ons nu eerst zien of wij wat te
eten kunnen krijgen.
Hammerdull en Holbers waren wederom zeer gelukkig, zij maakten een
goede vangst en hielden eerst met visschen op toen wij van verre het
vlot zagen aankomen. De visschen werden dadelijk over het vuur
gehangen, opdat de hongerigen niet al te lang op het eten behoefden te
wachten. Winnetou stond met opgerichten hoofde voor aan het roer en zag
met nieuwsgierige blikken om zich heen. Toen hij den ouden Fletcher
niet zag, knikte hij mij tevreden toe en stuurde het vaartuig naar den
oever, waar het werd vastgelegd. De geur der gebraden visschen trok de
acht mannen zoozeer aan, dat allen na weinige minuten al kauwend om het
vuur zaten.
Nu bij dag, kon ik de gezichten beter zien. De vier kerels, die bij
Old-Cursing-Dry behoorden, hadden geen vertrouwenwekkende gezichten en
de wijze waarop zij spraken, was allesbehalve beschaafd.
Winnetou nam mij een eindje mee ter zijde om het noodzakelijke met mij
te bespreken. De jonge Fletcher evenwel riep ons toe:
—Wat voert gij daar uit? Hebt gij zulk een kwaad geweten, dat wij niet
mogen hooren, wat gij zegt?
Nu antwoordde Dick Hammerdull:
—Gij schijnt niet te weten, Mr. Fletcher tegen wie gij spreekt.
Old-Shatterhand en Winnetou zijn niet gewend op zulk een toon te worden
aangesproken!
—Zoo. Is het daarom noodig dat ik mijn mond houd?
—Noodig of niet, dat is ’t zelfde, maar gij kondt wel eens een
leelijken slag op uw mondje krijgen!
—Ik zou wel eens willen zien wie dat zou durven wagen! Dat gij ons hebt
bevrijd is bijzaak, want dat was uw.... plicht en wij zijn u daarvoor
volstrekt geen dank schuldig. Ik wil nu beslist weten, waar mijn....
is.
Het was werkelijk al te vreeselijk het woord aan te hooren, dat hij
voor „vader” gebruikte. Dick antwoordde:
—Als gij met dit mooie woord, uw vader bedoelt, dan wil ik u wel zeggen
dat deze reeds op weg naar de Navajos is,—niet waar, Piet Holbers, oude
Coon?
—Ja, beste Dick,—antwoordde deze, als hij niet achter ons is, is hij
voor ons.
—Nu, als dat zoo is, ben ik vooreerst tevreden,—verklaarde
Fletcher.—Wij willen maar hopen dat de Pa-Utes in de val zullen loopen
en dan zullen zij....
Hier volgde wederom een vloed van verwenschingen, die niet weer te
geven zijn en hij knoopte daaraan vast een opsomming van
gebeurtenissen, welke duidelijk bewezen, dat de beide Fletcher’s gewoon
waren, iederen Indiaan te beschouwen als een wezen dat „uitgebluscht”
diende te worden. Hoeveel moorden zouden zij reeds op hun geweten
hebben?
Daar wij den voorsprong, dien wij op onze vervolgers hadden, een weinig
wenschten in te korten, bleven wij nagenoeg vier uur aan de Sitsu-to,
toen voer Winnetou met zijn vier mannen verder. Wij anderen zorgden dat
de Pa-Utes wanneer zij aankwamen, reeds van verre konden zien, dat het
vlot hier had aangelegd en dat ook wij, ruiters hier gelegerd hadden,
daarop verlieten wij ook de plaats, nadat wij natuurlijk eerst
Old-Cursing-Dry uit zijn schuilplaats hadden gehaald. Wij namen hem
onderweg de prop uit den mond en al waagde hij het ook niet ons zelf te
vervloeken, toch moesten wij aanhoudend uitdrukkingen aanhooren, welke
ik nog nooit te voren had vernomen. Vooral bezwoer hij steeds bij kris
en bij kras, dat hij niet de moordenaar van de Pa-Utes was.
Onze weg voerde ons dikwijls dicht langs den oever en dan weer verder
af en eerst laat in den namiddag konden wij den oever onafgebroken
volgen. Achter ons lag een rotsachtige vlakte, links de rivier en voor
ons verhieven zich tal van hoogten, welker wanden loodrecht
omhoogstegen en tusschen welke de Rio San-Juan verdween. Dit was de
canon in welke wij de Pa-Utes wilden vangen. De vraag evenwel was of
zij er in zouden gaan.
Om hen daartoe te bewegen, had ik met Winnetou afgesproken hier te
blijven wachten, totdat zij ons konden zien; hij wilde op zijn vlot
hetzelfde doen. Nauwelijks was een kwartier voorbijgegaan of wij zagen
een ruiter aan de rivier komen. Het was een Navajo, die ons meldde, dat
zijn krijgers waren aangekomen en zich zoo hadden opgesteld als
Winnetou het had bevolen. Toen verwijderde hij zich wederom, om
Nitsas-Kar te zeggen dat hij ons had ontmoet.
Korten tijd daarna zagen wij ons vlot aankomen. Ik gaf Winnetou het
afgesproken teeken, waarop hij aanlegde om evenals wij hier te wachten.
De rivier vormde stroomopwaarts een rechte lijn en Winnetou kon dus
zijn vervolgers even zoover zien aankomen, als wij de onzen. Dick
Hammerdull wierp juist de vraag op, of de Pa-Utes ons wel werkelijk
zouden achtervolgen, toen Piet Holbers in de verte wees en zeide:
—Zie eens achter u, oude Dick en gij zult zien, dat Mr. Shatterhand als
altijd gelijk heeft.
Ja, zij kwamen! Een groote ruitertroep, wel tweehonderd man sterk. Wij
bleven nog altijd staan. Toen wij door hen eveneens werden opgemerkt,
hielden zij hun paarden in. Nu werden onze oogen afgeleid naar de
rivier, want hier zagen wij vier of vijf vlotten. Winnetou zag ze ook
en roeide naar het midden om zich te laten zien. Dadelijk vermeerderden
de anderen hun vaart en ook de ruiters achter ons zetten zich in
beweging. Het had allen schijn dat ons plan zou gelukken.
Wij reden verder en wel zoo, dat wij steeds met Winnetou evenwijdig
bleven. Nu en dan omziende, bemerkten wij na eenigen tijd dat de
ruiters de plaats hadden bereikt, waar wij halt hadden gehouden en van
daar uit hun vlotten en ook dat van Winnetou konden zien. Hooren konden
wij hen niet maar de opgeheven armen zeiden ons, dat zij een groot
gejuich van vreugde aanhieven. Toen zetten zij hun paarden in galop,
wij deden hetzelfde. De rivier stroomde hier tusschen nauwere oevers
waardoor haar snelheid zoo vermeerderde, dat Winnetou ons nu ook kon
bijhouden.
De rotsen stegen hooger en hooger en kwamen elkaar zoo nabij, dat de
oever nauwelijks vijf meter breed bleef, ja, zelfs hier en daar nog
smaller werd. Dit was de ingang tot den canon. Een oplettende blik
overtuigde mij, dat de eene afdeeling der Navajos haar post reeds bezet
had. Nu ging het in galop verder, dan eens tusschen hemelhoog
schijnende rotswanden naast het water over spleten en steenbrokken in
halve duisternis tot het plotseling weer licht voor ons werd, daar de
natuurlijke muren ineens achteruitweken. Nu kwamen wij over een menigte
rotsblokken, waarachter de gestalten der Navajos zichtbaar werden. Wij
stegen af, om onze paarden tusschen deze gevaarten door te leiden. Het
opperhoofd zelf heette ons welkom en ik gaf hem den ouden Fletcher met
de opdracht, hem nauwkeurig in het oog te houden. Dadelijk daarop liet
Winnetou zijn vlot tegen den hellenden oever glijden en kwam met zijn
makkers naderbij. Dit alles ging veel sneller in zijn werk dan ik het
kan vertellen en nu zagen wij ook in de engte, welke de canon scheen te
vormen de vlotten en ruiters der Pa-Utes verschijnen; zij waren dus in
de val geloopen.
Ik legde den berendooder aan en schoot twee paarden neer. De schoten
donderden tusschen de rotswanden als kanonschoten. De Navajos sprongen
uit hun schuilhoeken te voorschijn en hielden hun geweren gereed. Toen
de ruiters der Pa-Utes dit bemerkten, zwenkten zij hun paarden en gaven
hun lieden op de vlotten een teeken aan te leggen, wat evenwel niet zoo
gemakkelijk ging. Nu vielen van beide kanten schoten, welke ons evenwel
geen schade deden. De vijanden zagen in, dat zij niet door konden
breken en keerden terug. Toen zij verdwenen waren, dreven de ledige
vlotten aan ons voorbij. Nu wachtten wij, maar niet lang, want de
Pa-Utes kwamen terug. Zij waren op hun terugtocht op onze andere
afdeeling gestuit en moesten wel inzien, dat zij zich in onze macht
bevonden, want, terwijl wij ruimte hadden gehad ons te verspreiden,
zoodat ieder van ons kon schieten, waren zij op zulk een nauwen weg
bijeengedreven, dat alleen de voorsten gebruik konden maken van hun
geweren, wilde de een den ander niet verwonden. En zouden zij zich
langzaam laten insluiten, in deze gevaarlijke engte? Dat zou
krankzinnigheid zijn. Wij waren dus overtuigd, dat wij niet lang op hun
besluit zouden behoeven te wachten.
Het bleek dat dit juist was ingezien, want na eenigen tijd kwam een van
hen op ons toe, met een witten doek in de opgeheven hand, als teeken
van onderhandeling. Wij lieten hem kalm komen en hij vertelde ons, dat
zijn opperhoofd met onzen aanvoerder wenschte te spreken. Wij zeiden
hem, dat Pats-Avat kon komen zonder dat hem eenig leed zou gedaan
worden.
Wat wij verwacht hadden geschiedde. Het opperhoofd der Pa-Utes hechtte
geloof aan onze woorden en kwam bij ons. De onderhandeling werd gevoerd
op langzame, Indiaansche wijze, zoodat het tegen den avond liep en een
vuur moest worden aangemaakt. Het opperhoofd der Navajos verlangde
vrede en vijftig geweren, de Pa-Utes wilden vrede, maar geen geweren
geven, daar er twee krijgers van hen waren gedood.
Nu mengde Winnetou zich in de zaak en het gevolg van zijn voorstel was,
dat Pats-Avat de geweren gaf en den moordenaar van zijn zoon
uitgeleverd kreeg. Deze afspraak werd met het rooken van de vredespijp
bekrachtigd en de Pa-Ute keerde naar de zijnen terug, om hen dit te
vertellen.
Nu werd een bode afgezonden naar de andere afdeeling en weldra
verzamelden zich alle Navajos aan den oever der rivier. Daar werd de
legerplaats opgeslagen en ook de Pa-Utes legerden zich in de
onmiddellijke nabijheid. Voor Pats-Avat was het uiterst moeilijk,
welken krijgers hij de geweren zou afnemen en het duurde bijna tot
middernacht voor zij ingeleverd werden en er iemand kwam om den
moordenaar te halen. Het spreekt vanzelf, dat zij ook alles moesten
teruggeven, wat zij den acht gevangenen hadden afgenomen. Met hem kwam
ook de Pa-Ute, die met de beide vermoorden vooruit was gereden en den
vluchtenden moordenaar had gezien.
Natuurlijk moest er tegen Old-Cursing-Dry, voor hij kon worden
uitgeleverd, bewijs geleverd zijn. Er werd daarom een jury benoemd,
bestaande uit de twee opperhoofden, Winnetou, Dick Hammerdull en mij.
Fletcher was zoo afgezonderd gehouden, dat zijn zoon hem tot nu toe
niet had kunnen zien, nu echter, nu hij gebonden bij ons legervuur werd
gebracht, zag de jonge den oude en van woede snuivend, eischte hij van
ons oogenblikkelijke invrijheidstelling van zijn vader. Er volgde een
tooneel dat ik niet vermag te beschrijven, maar dat hiermee eindigde,
dat Fletcher junior eveneens werd gebonden.
Nu vormde zich om ons een groote kring van toehoorders. Voor het
verhoor begon werden den gevangene, volgens de wetten der prairiën, de
boeien afgenomen; aan vluchten was immers toch niet te denken. De
getuige herkende in hem dadelijk dengeen, dien hij had zien vluchten en
toen hem daarop Fletcher’s paard werd getoond, verklaarde hij met
volkomen zekerheid, dat dit het dier was, waarop de moordenaar had
gezeten. Het bewijs was voldoende. Toen evenwel Fletcher het woord
kreeg om zich te verdedigen, kon hij niets uitbrengen dan vloeken en
verwenschingen, die hiermee eindigden, dat hij blind zou worden en
verpletterd als hij de moordenaar was. Wij moesten hem wel laten
uitspreken, maar het was bijna niet om aan te hooren! En daarbij dat
gezicht! Het geleek eerder op dat van een woedend dier, dan van een
mensch! Pats-Avat, de vader van den vermoorde zat tegenover mij. Hij
had zijn geweer naast zich liggen, een mes, een tomahawk en een oud,
dubbelloopspistool staken in zijn gordel, waaraan ook de lederen
kruitbundel hing. Waarschijnlijk om slechts maar iets te doen, of om
zijn ergernis te verbergen, trok hij het pistool en begon het te laden,
ik lette er niet op, want mijn aandacht was gevestigd op
Old-Cursing-Dry. Nu herhaalde Winnetou de aanklacht, er was niets ter
verdediging aangevoerd en dus moesten wij het oordeel vellen. Toen het
eenstemmig „schuldig” luidde, stond de Apache op en zeide:
—Volgens de wetten der prairiën is het dus bewezen, dat Old-Cursing-Dry
de krijgers der Pa-Utes heeft vermoord en daar wij beloofd hebben den
moordenaar aan de Pa-Utes uit te leveren, zoo is hij van af dit
oogenblik in handen van het opperhoofd der Pa-Utes, die met hem mag
doen, wat hij wil. Howgh!
Nu stond ook Pats-Avat op. Het pistool in de linkerhand, strekte hij de
rechterhand naar den moordenaar uit en riep:
—Dit blanke roofdier behoort dus van nu af aan mij. Hij zal dadelijk
aan den paal worden gebonden en zoo gemarteld worden, dat hij drie
dagen en drie nachten van pijn zal brullen, zonder te kunnen sterven,
want niet alleen, dat hij dezen dubbelen moord heeft begaan, maar hij
is bovendien de moordenaar van vele roode mannen geweest. Howgh!
Fletcher stond eenigen tijd stokstijf, toen riep hij:
—Ik sterven? Aan den martelpaal? Hoewel ik zeg, dat ik de moordenaar
niet ben? Roode.... hond! Is er voor mij geen redding, dan zult ook gij
ter helle varen! Let op!
Hij rukte de pistool uit de handen van het opperhoofd, mikte op hem en
schoot af: in het volgende oogenblik hield hij het tegen zijn eigen
slaap en schoot weer af. De beide schoten klonken onmiddellijk na
elkander. Men zag nauwelijks dat het opperhoofd bij het eerste schot
ter zijde sprong en bij het tweede de hand naar het pistool uitstrekte.
Wij stonden allen van onze zitplaatsen op, niet anders denkend dan dat
beiden dood neder zouden storten, maar het opperhoofd stond ongedeerd
overeind en zeide hoonend:
—Hij trof mij niet, want ik stiet zijn hand ter zijde en er was nog
geen kogel, maar slechts kruit in den loop. Maar zie dien bleeken hond?
Wat is er met hem gebeurd?
Ja, wat was er met Fletcher gebeurd? Hij had het pistool laten vallen
en had de beide handen stijf tegen de oogen gedrukt, toen nam hij de
handen weg, hief het hoofd op als wilde hij naar den sterrenhemel zien,
uitte een doordringenden kreet en wierp zich ter aarde, terwijl hij
jammerend met de vuisten in den grond boorde.
—Oef, oef, oef!—riep Winnetou.—Hij wilde blind worden, als hij schuldig
was en heeft zichzelf met het kruit in de oogen geschoten. Volgens de
wet der prairiën is hij veroordeeld, maar de groote Manitou heeft hem
nog veel strenger gestraft. Winnetou, de hoofdman der Apachen, heeft
veel gezien en beleefd, wat anderen niet mochten zien, maar hij huivert
van dit gezicht. Howgh!
Hij rilde als van koude en keerde zich om om heen te gaan. Het was
zooals hij zeide: Fletcher had zich met den kogel in den slaap willen
treffen, maar omdat Pats-Avat op hetzelfde oogenblik naar het pistool
had gegrepen, was het schot hem door de beide oogen gegaan. Het ging
mij als Winnetou, ik huiverde en ik verwijderde mij zoover van de
legerplaats, dat ik het gejammer niet meer hoorde. Toen ik na langen
tijd weer terugkwam, was hij intusschen naar de Pa-Utes gebracht, wier
opperhoofd er niet meer aan dacht, hem nog hedenavond aan den
martelpaal te binden.
Alhoewel wij allen behoefte aan slaap hadden, kon ik dien niet vatten,
ik keerde mij van de eene zijde op de andere en steeds klonken mij in
de ooren de woorden van den Apache: „maar de groote Manitou heeft hem
nog veel strenger gestraft.” En toen ik eindelijk toch in slaap viel,
was het mij in den droom, alsof ik telkens weer de beide pistoolschoten
hoorde.
Maar was het werkelijk een droom? Of waakte ik? Er waren werkelijk
schoten gevallen en ik vernam een haastig heen en weer geloop. Toen ik
opstond zag ik de geheele legerplaats in rep en roer en op mijn vragen
vertelde men mij dat Old-Cursing-Dry ontvlucht was.
Was dat mogelijk? Hij, de blinde, ontvlucht? Dat kon ik haast niet
gelooven! Of was hij misschien niet geheel, niet volkomen blind
geweest? Daar kwam Dick Hammerdull aangeloopen en in de verte riep hij
mij reeds tegemoet:
—Weet gij reeds, dat de oude Fletcher weg is, sir?
—Ik hoorde het, maar kon het nauwelijks gelooven!
—Of gij het gelooft of niet, dat blijft gelijk, maar het is zoo, Mr.
Shatterhand.
—Was hij dan niet gebonden?
—Ja zeker was hij gebonden.
—Hebben de Pa-Utes hem dan niet streng genoeg bewaakt?
—Mij dunkt van wel. Maar blind en gebonden, dan denkt men toch dat hij
niet weg kan?
—Maar hoe is het dan gebeurd? Er moet iemand zijn die hem geholpen
heeft.
—Ja natuurlijk heeft hem iemand geholpen, zijn zoon en deze is ook
verdwenen. Een van de buitenste wachtposten heeft twee mannen gezien,
die samen op een paard zaten.
—Dus hebben de beide Fletchers zich niet den tijd gegund een tweede
paard weg te nemen? Is de zoon dan niet gebonden geweest?
—Gebonden of niet, dat is ’t zelfde, maar men heeft hem de riemen
afgenomen, omdat hij er om gevraagd heeft en beloofde kalm te zijn. Men
heeft gedacht, dat men hem niet behoefde te wantrouwen, omdat zijn
vader in handen der Pa-Utes was!
—Welk een onvoorzichtigheid!—In welke richting zijn zij gegaan?
—Naar het zuiden. De schildwacht aan wien zij voorbij moesten, heeft
hen aangeroepen en toen zij niet antwoordden, tweemaal op hen
geschoten. Hij had een dubbelloopsgeweer, want het was een van mijn
kameraden.
—Kom dan mee! Ik wil daarheen, waar hij gestaan heeft. Misschien kan
men, ondanks de duisternis, nog een spoor ontdekken.
Wij gingen. Vele anderen volgden ons, maar weldra hoorden wij ver
vooraan de bevelende stem van Winnetou, die een verder vooruitdringen
verbood, omdat daardoor de sporen der vluchtelingen vernietigd werden.
Men gehoorzaamde, ik evenwel ging verder. Toen ik bij hem kwam, zeide
hij:
—Mijn broeder zal gehoord hebben, wat er gebeurd is. Wij moeten....
Hij hield op en luisterde. Duidelijk hoorden wij den hoefslag van een
paard dat langzaam naderde. Wij gingen het tegemoet, met de hand aan
den trekker van onze revolver. Deze voorzichtigheid bleek overbodig te
zijn, want er zat niemand op het paard. Het was dat van den jongen
Fletcher. Toen wij het bij het weder opgeporde legervuur brachten,
zagen wij, dat het van achteren geheel bebloed, maar toch ongedeerd
was. Een van de ruiters moest dus door een kogel van den schildwacht
getroffen zijn geworden. Het paard had toen de beide ruiters afgeworpen
en was teruggekeerd. Nu konden wij dus zeker zijn, de beide
vluchtelingen te vinden en gerust wachten tot de morgen aanbrak. Bij de
eerste morgenschemering begonnen wij te zoeken, maar wij behoefden niet
ver te gaan. Van de plaats waar de beide Fletchers voor het laatst
waren gezien, voerde ons het spoor eerst niet verder dan hoogstens
duizend pas. Hier lag de zoon dood, reeds geheel verstijfd. De kogel
was hem van achteren in den rug gedrongen, hij had zich dus slechts
enkele minuten meer op het paard kunnen houden. Dit was met den ouden
Fletcher verder gereden. Tengevolge van zijn blindheid had hij verkeerd
gestuurd, namelijk naar een rotswand, welke wel dertig meter diep naar
de rivier afhelde. Hier had het paard niet verder gewild en den ruiter
afgeworpen. Toen wij over den kant heen, naar beneden zagen, zagen wij
hem liggen. Hij leefde nog, want wij zagen, dat hij zich bewoog en
hoorden een zacht gejammer.
Ik ben nooit duizelig geweest, maar nu duizelde het mij bij de gedachte
dat ook het tweede deel van zijn godslastering in vervulling was
gegaan. „Ik wil blind worden en verpletterd!” had hij gezegd en nu lag
hij daar zoo beneden in de diepte!
Wij daalden aan den anderen kant, waar het niet zoo gevaarlijk was,
naar beneden. Toen wij bij hem kwamen, lag hij nog steeds op dezelfde
plaats, jammerend en met gesloten oogen. Ik knielde bij hem neer en
vroeg:
—Mr. Fletcher, hoort ge mij?—verstaat ge mij? Hij opende langzaam de
oogleden en staarde mij met zijn verglaasde oogen aan, maar een
antwoord kreeg ik niet.
Ik herhaalde mijn vraag, maar wederom zonder eenig gevolg. Zijn hoofd
toonde geen bijzondere verwonding, maar de beide armen en beenen waren
gebroken.
—Verpletterd, zooals hij wilde!—fluisterde Winnetou mij toe.
In elk geval was hij ook inwendig zwaar gekwetst, want toen wij een
poging deden om hem op te beuren, gilde hij onafgebroken door. Onder de
vreeselijke pijnen welke hij leed, scheen zijn bewustzijn terug te
keeren, want toen ik hem nu weer vroeg of hij mij hoorde of verstond,
hield hij op te jammeren en antwoordde:
—Wie is dat?—Wie zijt gij?
—Old-Shatterhand en Winnetou.
—Waar is mijn zoon?
—Hij is dood.
—Doodgeschoten?
—Ja.
—Dood.... ge.... scho.... ten!—stamelde hij,.... dat.... is mijn....
schuld!
—Ja, gij zijt schuld aan alles, aan uw vreeselijken dood en ook aan het
treurig uiteinde van uw zoon!
Hij zuchtte diep en sloot de oogen. Zoo bleef hij een langen tijd
onbewegelijk liggen.
—Zijt gij nog wakker?—vroeg ik hem,—hoort gij mij?
—Ja,—zuchtte hij.
—Gij hebt nog slechts weinige minuten te leven, denk aan uw zonden en
aan het eeuwige gericht! Denk evenwel ook aan Gods barmhartigheid,
welke zonder einde is.
—Gods.... barm.... hartigheid!—klonk het zacht.
—Zeg nu eindelijk de waarheid! Hebt gij de beide Pa-Utes vermoord?
—Ja,—bekende hij.
—Hebt gij berouw over dezen moord en over alle, welke gij vroeger hebt
begaan?
—Berouw.... berouw! Bid.... voor mij een Onze Vader!
—Luister eerst, wat ik u ga zeggen! Als gij berouw hebt, kunt gij
gerust sterven in de overtuiging dat de barmhartige God een genadig
Rechter zal zijn. Laat ons nu bidden!
Hij deed een poging om zijn handen te vouwen, welke evenwel mislukte.
Ik hielp hem en bad toen luide het Onze Vader en nog meer, dat mij op
het hart lag. Op zijn gelaat kwam langzaam een vredige uitdrukking, een
beweging met het hoofd, als wilde hij slapen gaan, toen was alles
gedaan: Old-Cursing-Dry was dood.
Winnetou wenkte mij op te staan.
—Nu heeft mijn broeder Charley toch nog zijn zin gekregen,—zeide
hij.—De ziel van dezen man is tot den grooten Manitou teruggekeerd.
Zijn lichaam mag met dat van zijn zoon in de aarde rusten, tot eens aan
den eeuwigen dag de ziel weer tot hem keert. Howgh!....