Hoe vreemd het ook moge schijnen, steeds wanneer ik van den Indiaan
spreek, moet ik ook aan den Turk denken. Oppervlakkig beschouwd zijn
zij zeer verschillend, maar in dit ééne punt komen zij overeen, dat
beiden behooren tot een ondergaand geslacht. Terwijl men van den Turk
spreekt, als van den „zieken man”, zal ieder, die met de toestanden op
de hoogte is, van den Indiaan, als van den „stervenden man” spreken.
En werkelijk het roode geslacht is aan ’t uitsterven. Van Vuurland tot
ver over de Noord-Amerikaansche meren, is het achtervolgd door het
noodlot, dat geen erbarmen kent. Het heeft zich met alle krachten
daartegen verzet, maar tevergeefs, zijn krachten worden minder en de
laatste stuiptrekkingen, die van tijd tot tijd nog door zijn leden
varen, wijzen op de nadering van het einde.
Draagt het zelf de schuld aan dit vroege einde? Heeft het den dood
verdiend?
Wanneer het billijk is, dat al wat leeft, recht heeft om te leven en
dit evenzeer betrekking heeft op de gemeenschap, als op het individu,
dan heeft de Roodhuid evengoed het recht te bestaan als de blanke en
zich op staatkundig en sociaal gebied, volgens zijn individualiteit te
ontwikkelen. Nu beweert men wel, dat de Indiaan niet die eigenschappen
bezit, die noodzakelijk zijn voor een geregeld staatkundig leven. Is
dit waar? Naar mijn meening is dit een valsche veronderstelling, maar
aangezien het niet mijn plan is een geleerde verhandeling te schrijven,
wil ik hierover niet verder uitwijden. De blanke had tijd zich volgens
zijn natuur te ontwikkelen, hij heeft zich van jager tot herder, van
herder tot landbouwer en industrieël opgewerkt, daarvoor zijn eeuwen
noodig geweest; de roodhuid daarentegen, heeft dien tijd niet gehad,
het werd hem niet gegund.
Van den laagsten trap, dus van jager, moest hij in eens den
reuzensprong maken tot den hoogsten, en niemand heeft bedacht, dat hij
daarbij moest vallen, of zich levensgevaarlijk verwonden.
Het is een wreede wet, dat de zwakke wijken moet voor den sterke, maar
daar deze wet geldend is voor de geheele schepping en voor de geheele
aardsche natuur, moeten wij wel aannemen, dat deze wreedheid òf slechts
een schijnbare, òf voor verzachting vatbaar is, omdat de Eeuwige
Wijsheid, die deze wet gemaakt heeft, tegelijk de Eeuwige Liefde is.
Durven wij nu beweren, dat tegenover het uitstervende Indiaansche ras
met zachtheid is opgetreden?
Het was niet enkel gastvrijheid, maar een bijna goddelijke vereering,
die de „bleekgezichten” bij de Indianen vonden. Wat is daarvoor hun
loon geweest? Het land, dat zij bewoonden, behoorde aan hen, het werd
hun ontnomen. Welke stroomen bloeds daarbij vergoten werden, en welke
wreedheden daarbij gepleegd werden, dat weet ieder, die de geschiedenis
der „beroemde” Conquistadores gelezen heeft.
De blanke kwam met zoete woorden op de lippen, maar tegelijk met het
geslepen mes in den gordel en het geladen geweer in de hand. Hij
beloofde liefde en vrede en gaf haat en bloed. De roodhuid moest
wijken. Van tijd tot tijd gaf men hem „eeuwige” rechten op zijn gebied,
maar joeg hem korten tijd daarna weer weg, steeds achteruit. Men kocht
hem het land af, betaalde hem evenwel in ’t geheel niet of met
waardelooze snuisterijen, welke hij niet kon gebruiken. Maar het
sluipende gif van het „vuurwater”, bracht men hem des te meer en
bovendien nog de pokken, en andere nog veel ergere en walgelijker
ziekten, die geheele stammen dunden en geheele dorpen ontvolkten.
Wilde de roodhuid zijn goed recht doen gelden, dan antwoordde men hem
met kruit en lood, en hij moest opnieuw wijken voor den listigen
blanke. Daardoor verbitterd, wreekte hij zich aan den enkelen blanken
man, dien hij op zijn weg ontmoette, en de gevolgen daarvan waren dat
steeds opnieuw een groot bloedbad onder rooden werd aangericht.
Zoo werd deze oorspronkelijk fiere, waarheidslievende, oprechte en
trouwe jager langzamerhand een sluipend, wantrouwend en leugenachtig
mensch. Maar het was niet zijn schuld, de blanke had hem zoo gemaakt.
Waar zijn de kudden wilde mustangs gebleven, uit welks midden hij zich
eens zijn rijpaard haalde? Waar vindt men de buffels, die bij
millioenen de prairiën bevolkten en die hem vleesch verschaften?
Waarvan moet hij nu leven? Van het meel en het vleesch, dat men hem
levert? Ziet eens, hoeveel gips en andere stoffen zich in dit meel
bevinden, wie kan het eten? En worden er al aan den een of anderen stam
eens honderd extra vette ossen beloofd, dan zijn deze onderweg
veranderd in twee of drie magere koe-beesten, die zelfs de gier
minachtend versmaadt. Of moet de roodhuid van den akkerbouw leven? Kan
hij ooit op een oogst rekenen, hij, wien men geen blijvende plaats
toestaat?
Welk een trotsche verschijning was hij vroeger, toen hij, omgeven door
de manen van zijn wilden mustang, over de Savanna vloog, en hoe
ellendig ziet hij er nu uit, in de lompen, die nauwelijks zijn
naaktheid bedekken! Hij, die in ongetemde kracht eens den grijzen beer
met zijn vuisten te lijf ging, sluipt nu als een schurftige hond rond,
om hongerig en ellendig, een stukje vleesch te bedelen of te—stelen!
Ja, het roode geslacht gaat sterven, en hoe treurig het ook is, te
staan aan het sterfbed van den enkelen mensch, honderdmaal droeviger is
het, wanneer wij staan aan dat van een geheel ras. Dan komen vele
vragen in ons op, waaronder vooral deze: wat had er van dit ras kunnen
worden, indien men het tijd had gelaten, zijn innerlijke en uiterlijke
gaven tot ontwikkeling te brengen? Welke eigenaardige vormen van
beschaving gaan voor de menschheid verloren door den ondergang van deze
natie? Dit ras wilde zich niet versmelten met een ander, omdat het een
karakter bezat, moest het daarom vernietigd worden? Men bezorgt den
bison een schuilplaats daarginds in het Nationaal park van Montana en
Wyoming, opdat hij niet uitsterve, waarom gunt men den rechtmatigen
meester van dit land, niet een plekje, waar hij veilig kan wonen en
zich geestelijk ontwikkelen?
Maar wat geven deze vragen in het aangezicht van den dood, die niet
meer af te wenden is? Wat helpen verwijten, waar niet meer te redden
valt? Ik kan slechts klagen, maar niet veranderen; ik kan slechts
treuren, maar geen doode in het leven terugroepen. Ik? Ja, ik! Ik toch
heb de roodhuiden leeren kennen, gedurende een lange reeks van jaren en
onder hen, één, die altijd een plaats in mijn hart zal blijven innemen.
Hij, de beste, de trouwste onbaatzuchtigste van al mijn vrienden, was
een echt type van zijn ras en evenals dit ras ondergaat, is ook hij
ondergegaan, weggenomen door den moorddadigen kogel van een blanke. Ik
heb hem liefgehad zooals geen ander mensch, en ik heb nog steeds liefde
voor die wegstervende natie, wier edelste zoon hij was. Ik zou mijn
leven hebben gegeven, om het zijne te redden, evenals hij honderdmaal
het zijne voor mij gewaagd heeft. Het is mij niet gegund geworden, hij
is gevallen bij een poging, om zijn vrienden te redden, maar hij is
slechts lichamelijk gestorven, want in deze bladen zal hij voortleven,
zooals hij in mijn ziel voortleeft, hij, Winnetou, het groote
opperhoofd der Apachen.
In deze bladen wil ik een welverdiend gedenkteeken voor hem op richten
en wanneer de lezer dan een rechtvaardig oordeel velt, over het volk,
welks getrouwe vertegenwoordiger hij was, zal ik mij rijkelijk beloond
achten.
Dr. Karl May.