1. Bij het beantwoorden dezer vraag moeten wij vooral twee
bijzonderheden in het oog houden. a. Plato stelt in het begin van deze
zamenspraak de vraag: wat is kennis? b. aan het einde wordt deze vraag
niet beantwoord, maar het werk eindigt met de bekentenis, dat het
eigenlijke antwoord op die vraag niet gevonden is. Zoo nu het
uitdrukkelijk beantwoorden der vraag zijn doel geweest ware, dan zouden
wij met regt kunnen zeggen, dat zijn werk mislukt was; doch het is niet
denkelijk, dat Plato het in dat geval zou in het licht gegeven hebben.
Wij weten buitendien, dat Plato de kennis in een hooger gebied stelde,
dan waarop hij zich hier beweegt, namelijk in de eeuwige ideën, en dat
hij als een kenmerk der kennis de noodzakelijkheid en algemeenheid
beschouwde, zoodat hij daarover hetzelfde oordeel velde, als zijn
leerling Aristoteles, wiens woorden wij op blz. 211 hebben aangehaald.
Dit zijn gevoelen duidt Plato hier en daar aan, onder anderen in de met
geweld bijgesleepte episode van den wijsgeer (zie blz. 101 volgg.), in
zijne aanmerkingen over de begrippen, waarin de waarheid huisvest (zie
blz. 144), in zijne aanmerkingen over de toevalligheid der ware meening
(zie blz. 204). Hij had dus deze leer reeds voor zich zelven
ontwikkeld, toen hij den Theaetetus schreef, en dat hij ze hier niet
heeft uiteengezet, is met voordacht geschied. Daar nu deze aanmerkingen
tegen het einde menigvuldiger worden, en daar in dit werk in de gemelde
episode de ware wijsgeer geschilderd wordt, meen ik het er voor te
mogen houden, dat Plato met den Theaetetus op het oog had, eene
inleiding in de wijsbegeerte te geven, en zoowel den weg te wijzen en
het pad te banen, waarop de wijsbegeerte zich moest voortbewegen, als
den lust tot hare beoefening op te wekken. Hoe hij daarin geslaagd is,
willen wij verder zien, en daartoe de tweede vraag beantwoorden.
2. Plato heeft a. zoeken aan te wijzen, dat de wijsgeerige kennis niet
van buiten komt, maar uit den geest zelven moet ontwikkeld worden, en
noch in zinnelijke waarneming, noch in meening, al is die ook waar en
naauwkeurig, maar in de noodzakelijke en algemeene redewaarheden moet
gezocht worden. b. Om dit te bereiken, heeft hij het begrip van kennis,
van de eerste beginselen tot op het standpunt der redewaarheden,
trapsgewijze zoeken te ontwikkelen. c. Hij heeft het verheven standpunt
van den waren wijsgeer geschetst, en aangetoond, dat opregte
waarheidsliefde en geregeld redeneren voldoende is, om dat standpunt te
bereiken.
a. Wij zullen hier de bewijzen niet herhalen, die Plato zoo voor het
een als voor het ander gegeven heeft, maar alleen aanmerken, dat zoowel
zijne opmerking, dat de theorie, die alle kennis uit de zinnen afleidt,
en beweert, dat alle meening subjectief waar is, zich zelve vernietigt,
als die, dat de zinnen niet alle begrippen, die wij hebben, opleveren,
en dat de eenheid, die hare verscheidenheid beheerscht, het bestaan van
den geest waarborgt; benevens zijn oordeel over de ware meening en de
ware meening met bepaling, dat zij het kenmerk der noodzakelijkheid
missen, van blijvende waarde zijn; en dat hij geen beter bewijs van de
mogelijkheid der ontwikkeling van de wijsbegeerte uit den geest kon
geven, dan de Socratische vroedkunst, die door geregeld ondervragen de
wijsgeerige denkbeelden als van zelve doet opkomen, waaruit de
gelijkheid der denkwetten bij alle menschen en de algemeenheid harer
toepassing op alle voorwerpen blijkt; terwijl het aanwijzen van
begrippen in den geest, die niet uit de zinnen ontleend zijn, den geest
zelven als de bron der ware wijsbegeerte doet kennen. Verder heeft hij
op de reeds in 1 aangehaalde plaatsen in de eeuwige redewaarheden juist
die eigenschappen laten opmerken, wier ontbreken het gebrekkige der
zinnelijke waarneming en der ware meening uitmaakt, zoodat de
gevolgtrekking, dat daarin de kennis moet gezocht worden, zich als van
zelfs voordoet.
b. De ontwikkeling van de redekaveling in den Theaetetus is allezins
opmerkelijk. Wij behoeven dit slechts aan te wijzen, daar het uit ons
overzigt genoegzaam blijken kan. Dat de kennis gevoel is, ligt het
meest voor de hand, en dit antwoord zou waarschijnlijk door velen
gegeven worden. Daarom moet het weêrlegd worden, en wordt door Plato
alzoo weêrlegd, dat hij het laatst de tegenwerping bezigt, dat de
algemeene redewaarheden voor de zinnen onbereikbaar zijn, waaruit van
zelfs het volgende standpunt voor den dag komt, op hetwelk de geest als
eigenaar der kennis erkend wordt. Nu wordt het gebied, waarop de kennis
zich voordoet, naar het op dit standpunt het meest voor de hand
liggende oordeel, als meening bepaald, doch, hetgeen ook door ieder zal
erkend worden, de waarheid wordt als hare noodzakelijke hoedanigheid
aangewezen. Daar nu echter in het vorige reeds veel over ware en
valsche meening gesproken is, neemt Plato hieruit aanleiding, om de
valsche meening te beschouwen, en de gevolgtrekking uit die
beschouwing, namelijk, dat het gebrekkig denken of waarnemen de oorzaak
der valsche meening is, baant den weg om de bepaling als vereischte der
kennis te erkennen, terwijl de drie verklaringen dier bepaling: als
uitdrukking der gedachten door woorden, hetgeen een blijk van helder
bewustzijn van het gedachte is; als opgave der grondbestanddeelen, dat
ons van zelfs op de eeuwige redewaarheden heenwijst; en als de opgave
van het kenmerkend onderscheid, hetgeen in een geregeld stelsel van
wijsbegeerte zulk een voornaam vereischte is; benevens de herhaalde
aanmerking, dat hier nog de noodzakelijkheid, die bij de kennis
gevorderd wordt, ontbreekt, ons duidelijk heenwijst op het eigenlijke
gebied der kennis, waar de algemeene noodzakelijke redebegrippen den
scepter voeren.
c. Om dit doel te zekerder te bereiken, en tevens den lust tot de
beoefening der wijsbegeerte op te wekken, heeft hij in de episode blz.
101 volgg. den waren wijsgeer geschetst, als bezitter van zuivere
kennis, als verheven boven aardsche rampen, als toenemend in
gelijkvormigheid aan God, als bezitter van gegronde verwachting der
ware gelukzaligheid na den dood; en opdat niemand zou wanhopen, dit
verheven standpunt te bereiken, heeft hij aan Socrates tot medespreker
eenen knaap gegeven, die, hoewel niets bezittende dan een helder
verstand en zuivere waarheidsliefde, door Socrates trapsgewijze, langs
eenen weg, dien ieder volgen kan, tot aan de poort van den tempel der
waarheid wordt voortgeleid.
Na deze opmerkingen twijfel ik niet, of ieder zal met Brandis (Handbuch
der Geschichte der Griechisch-Römischen Philosophie, II. 1. blz. 192)
erkennen, dat de Theaetetus als een van de meest volkomene Platonische
gesprekken verdient beschouwd te worden.