DERDE HOOFDSTUK

Den volgenden ochtend om kwart voor tienen ging Pierre naar de eerste

verdieping van het paleis, om zich aan te melden voor de audiëntie

van kardinaal Boccanera. Vol moed was hij wakker geworden, vol naïeve

geestdrift van zijn geloof; niets was er meer overgebleven van zijn

ongewone terneergeslagenheid van den vorigen dag, van den twijfel,

van den argwaan, die hem na de vermoeienis van de reis bij het eerste

contact met Rome hadden aangegrepen. Het weer was zoo mooi, de hemel

zoo helder, dat zijn hart weer vol hoop was gaan kloppen.

De op het groote portaal uitkomende deur van de eerste antichambre

stond wijd open. De kardinaal, een der laatste kardinalen van het

Romeinsche patriciaat, had, hoewel hij de op de straat uitkomende,

van ouderdom wegrottende gala-salons had gesloten, den ontvangsalon

van een zijner oud-ooms, die tegen het einde der achttiende eeuw

eveneens kardinaal geweest was, behouden. Het was een reeks van vier

groote, zes meter hooge vertrekken, die op het hellend, naar den Tiber

loopend steegje uitzagen. De zon, waaraan door de zwarte huizen aan den

overkant de weg versperd werd, drong er nooit in door. De inrichting

met al haar pracht en praal, die de vroegere hoogwaardigheidsbekleeders

der Kerk ten toon spreidden, was intact gebleven. Maar hersteld of

gerepareerd of onderhouden was er niets. Het behang hing aan flarden,

het stof vrat de meubelen op; in de volkomen verwaarloozing voelde

men den hautainen wensch den tijd tegen te houden.

Toen Pierre het eerste vertrek, de antichambre der bedienden,

binnenging, werd hij door een lichte ontroering aangegrepen. Vroeger

stonden daar voortdurend twee pauselijke gendarmes in hun uniform

te midden van een groote schaar lakeien; thans echter verhoogde

één enkele bediende door zijn spookachtige aanwezigheid nog de

melancholie van dit groote, half donkere vertrek. In het bijzonder

viel tegenover het raam een met rood gedrapeerd altaar op onder

een eveneens rooden baldakijn met het wapen der Boccanera's, den

gevleugelden, vlammenspuwenden draak en het devies: Bocca nera, Alma

rossa. Ook de roode kardinaalshoed van den oud-oom, de oude, groote,

voor plechtige gelegenheden bestemde hoed, bevond zich hier, evenals de

twee kussens van roode zijde en de twee aan den muur hangende parasols,

die vroeger bij iederen uitgang in de karos werden medegenomen. In de

volkomen stilte meende men het zachte leven van de maden te hooren,

die sedert een eeuw aan dat geheele doode verleden knaagden, dat door

één streek van een plumeau in stof gevallen zou zijn.

De tweede antichambre, waarin vroeger de secretaris zijn verblijf

hield, was leeg; Pierre vond don Vigilio eerst in de derde, de

eere-antichambre. Daar het personeel tot het strikt noodzakelijke

beperkt was, gaf de kardinaal er de voorkeur aan zijn secretaris vlak

bij de hand te hebben, dicht bij de deur van de voormalige troonzaal,

waarin hij audiënties verleende. Don Vigilio, zoo mager, zoo geel,

zoo rillend van koorts, zat daar als verloren aan een heel klein,

armoedig, zwart, met paperassen beladen tafeltje. Verdiept in een

dossier, keek hij op, herkende den bezoeker en zeide op fluisterenden

toon, zoodat het in de stilte als een gemompel klonk:

"Zijne Eminentie is bezig... Wees zoo goed te wachten."

Dan verdiepte hij zich weer in zijn lectuur, blijkbaar om iedere

poging tot een gesprek af te snijden.

Pierre, die niet durfde gaan zitten, keek het vertrek rond. Het

verkeerde misschien in een nog meer vervallen toestand dan de twee

andere met zijn door ouderdom versleten behang van groen damast, dat

denken deed aan verkleurd mos op oude boomen. Maar het plafond was

nog prachtig, een schitterende decoratie, een fries met geschilderde

en vergulde versieringen, die een Triomf van Amphitrite, een fresco

van een van Raffaël's leerlingen, omgaven. Volgens oud gebruik lag

in dit vertrek de kardinaalshoed op een wandtafeltje aan den voet

van een groot crucifix van ebbenhout en ivoor.

Toen Pierre wat aan het halfdonker gewend geraakt was, werd zijn

aandacht plotseling getrokken door een kort geleden geschilderd

levensgroot portret van den kardinaal. Hij was er afgebeeld in

groot gala, de soutane van rood moiré, het kanten koorhemd, de kappa

koninklijk om de schouders geworpen. En deze grijsaard van zeventig

jaar had in dat kerkelijke gewaad zijn trotsche, vorstelijke houding

bewaard: hij was geheel geschoren, zijn grijs haar was nog zóó

dik, dat het in zware lokken om zijn schouders golfde. Het was het

majestueuze gezicht der Boccanera's--de krachtige neus, de groote

mond met de dunne lippen, het lange, diepgerimpelde gezicht. Vooral

de oogen van zijn geslacht verhelderden het bleeke gezicht--bruine,

vurige oogen onder de dikke, nog zwarte wenkbrauwen. Wanneer zijn

hoofd met een lauwerkrans omgeven geweest was, zou men hem voor een

Romeinsch keizer gehouden hebben; hij was verheven en gebiedend,

alsof het bloed van Augustus in zijn aderen klopte.

Pierre kende zijn geschiedenis, en zijn portret riep hem die

weer voor den geest. Opgevoed in het adellijke College, had Pio

Boccanera slechts éénmaal Rome verlaten, toen hij nog maar heel jong

en pas diaken was, om als pauselijk gezant een kardinaalshoed naar

Parijs te brengen. Daarna had zijn kerkelijke carrière zich zeer

geleidelijk ontwikkeld; de eere-ambten vielen hem als op natuurlijke

wijze ten deel, zooals trouwens in verband met zijn voorname afkomst

te verwachten was. Hij werd door Pius IX persoonlijk gewijd, later

tot canonicus aan de Vaticaansche Basilica en tot geheim kamerheer,

na de Italiaansche occupatie tot majordomo en eindelijk in 1874 tot

kardinaal benoemd. Sedert vier jaar was hij kardinaal-voorzitter van

de apostolische kamer, en men vertelde, dat Leo XIII hem voor dit ambt

uitverkoren had, zooals Pius IX hem zelf vroeger daartoe uitverkoren

had, om hem van de opvolging op den pauselijken troon uit te sluiten,

want, al was het conclave bij zijn keuze afgeweken van de traditie,

volgens welke de kardinaal-voorzitter niet tot paus gekozen kon

worden, voor een nieuwe inbreuk daarop zou het waarschijnlijk toch

terugschrikken.

Ook vertelde men, dat, evenals onder de vroegere regeering, de

heimelijke strijd tusschen den paus en den kardinaal-voorzitter

voortgezet werd; deze laatste veroordeelde de politiek van den Heiligen

Stoel, was in alles van precies tegenovergestelde meening en wachtte

in de feitelijke onbeduidendheid van zijn ambt op den dood van den

paus, die hem tot aan de keuze van den nieuwen paus de interimaire

macht zou geven, de plicht om het conclave bijeen te roepen en over

den goeden tijdelijken gang van zaken der Kerk te waken. Lag het

eerzuchtige verlangen naar het pausschap, de droom, om het avontuur

van kardinaal Pecci, die kardinaal-voorzitter en toch paus was,

te herhalen, achter dit hooge, strenge voorhoofd, in de vlam zelf

van die donkere oogen. Zijn Romeinsche prinsentrots kende niets dan

Rome; hij stelde er bijna een eer in niets van de moderne wereld te

weten. Overigens was hij zeer vroom, streng godsdienstig, onwankelbaar

in zijn geloof, niet in staat den geringsten twijfel te koesteren.

Maar een fluisteren rukte Pierre uit zijn overpeinzingen. Don Vigilio

vroeg hem te gaan zitten.

"Het zal misschien een tijdje duren; neemt u zoo lang een tabouret."

En hij begon een groot, geelachtig vel papier met een fijn schrift

te beschrijven, terwijl Pierre machinaal op een der eikenhouten

tabouretjes, die in een rij langs den muur tegenover het portret

stonden, plaats nam. Hij viel weer in zijn overpeinzingen terug en

meende om zich heen de vorstelijke pracht der vroegere kardinalen te

zien herleven en schitteren. In de eerste plaats gaf de kardinaal

op den dag, dat hij benoemd werd, groote feesten, volksvermaken,

waarvan er sommige thans nog door hun pracht en praal bekend

zijn. Gedurende drie dagen blijven de deuren der ontvangsalons wijd

openstaan; iedereen, die wilde, mocht binnenkomen, van zaal tot zaal

riepen de deurwachters elkaar de namen toe--namen van patriciërs,

van gezeten burgers, van het gewone volk, in het kort geheel Rome,

dat de kardinaal met de welwillendheid van een souverein ontving,

zooals een koning zijn onderdanen.

Vervolgens werd een geheele koninklijke hofhouding georganiseerd,

sommige kardinalen brachten vroeger meer dan vijfhonderd personen

met zich mede, hadden een huishouding, die zestien bureaux telde,

leefden te midden van een waar Hof. Zelfs in lateren tijd, toen het

leven reeds veel eenvoudiger geworden was, had een kardinaal, als

hij van vorstelijken bloede was, het recht op een galastoet van vier

met zwarte paarden bespannen rijtuigen. Vier knechts, in de livrei

van zijn kleuren, gingen hem vooraf en droegen den hoed, de kussens

en de parasols. Bovendien was hij vergezeld van zijn secretaris in

een violetzijden mantel, van den sleepdrager in zijn croccia, een

soort gewatteerde jas van violette wol met zijden revers, en van den

gentiluomo in de kleederdracht van Henri II, die den kardinaalshoed

in zijn gehandschoende handen droeg.

Hoewel reeds verminderd, omvatte de huishouding nog den auditor, die

met het werk der congregatie belast was, den secretaris, die zich

alleen met de correspondentie bezig hield, den kamerheer, die de

bezoekers aandiende, den gentiluomo, die den kardinaalshoed droeg,

den sleepdrager, den kapelaan, den hofmeester, den kamerdienaar,

ongerekend de schaar ondergeschikt personeel, koks, koetsiers en

stalknechten, een geheele bevolking, waarvan de reusachtige paleizen

gonsden. En met deze bevolking vulde Pierre in zijn gedachte de drie

groote antichambres van de troonzaal; deze vloed van lakeien in

blauwe livrei met tressen in de kleuren van het wapen, die wereld

van abbé's en prelaten in zijden mantels herleefde weer voor hem,

bracht weer een hartstochtelijk en schitterend leven onder de hooge,

ledige plafonds, in het halfdonker, dat zij met hun weder opgestane

pracht lichter maakten.

Maar thans, vooral na den intocht der Italianen in Rome, waren bijna

alle groote vermogens van den Italiaanschen adel en de pracht en de

praal van de hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk verdwenen. Het ten

gronde gerichte patriciaat onttrok zich aan de geestelijke ambten,

die slecht betaald werden en slechts weinig roem meer gaven; het liet

die over aan de eerzucht der kleine burgerij. Kardinaal Boccanera, de

laatste met het purper bekleede prins van ouden adel, had niet meer

dan ongeveer dertig duizend francs, om zijn rang op te houden--de

twee-en-twintig duizend francs van zijn salaris, vermeerderd met

wat enkele andere functies nog opbrachten; en nooit zou hij daarmede

alle kosten hebben kunnen bestrijden, indien donna Serafina hem niet

geholpen had met de kruimpjes van het vaderlijk erfdeel, waarvan hij

vroeger ten gunste van zijn beide zusters en zijn broeder afstand

gedaan had. Donna Serafina en Benedetta hielden beiden haar eigen

huishouden, hadden haar eigen personeel en droegen de kosten van haar

persoonlijke uitgaven.

De kardinaal had alleen zijn neef Dario bij zich en gaf nooit een

diner of een receptie. Zijn grootste uitgave was zijn eenig rijtuig,

de zware karos met twee paarden, die het ceremonieel hem oplegde,

want een kardinaal kan in Rome niet te voet gaan. Zijn koetsier,

een oude knecht, spaarde hem ook nog een stalknecht uit, daar hij er

beslist op stond alleen voor de karos en de twee paarden te zorgen,

die, evenals hij, in de familie oud geworden waren. Verder waren er

twee lakeien, vader en zoon, van wie de laatste in het paleis geboren

was. De vrouw van den kok hielp in de keuken mede. Maar de inkrimping

betrof voornamelijk de eere-antichambre en de eerste antichambre,

het vroeger zoo schitterende en talrijke personeel bepaalde zich thans

tot twee priesters, don Vigilio, den secretaris, die tegelijk auditor

en majordomo was, en abbé Paparelli, den sleepdrager, die tevens als

kapelaan en kamerheer fungeerde. Waar vroeger een schaar van bezoldigd

personeel rondgeloopen en de zalen met hun schittering vervuld had,

daar zag men thans slechts die twee zwarte soutanes geruischloos

rondsluipen, twee bescheiden schimmen, die in de diepe duisternis

der doode vertrekken verloren gingen.

Hoe begrijpelijk kwam Pierre thans de hooghartige zorgeloosheid van den

kardinaal voor, die den tijd zijn werk van verwoesting liet volbrengen

in dit paleis zijner voorvaderen, waaraan hij het glorierijke leven van

vroeger niet teruggeven kon. Gebouwd voor den hofstaat van een vorst

uit de zestiende eeuw, viel thans het huis, verlaten en donker, in op

het hoofd van zijn laatsten meester, die niet genoeg personeel meer

had om het te vullen, die niet geweten zou hebben, waar hij het geld

had moeten vinden voor de voor de reparatie benoodigde kalk. Waarom

zou men dus niet, nu de moderne wereld zich vijandig toonde, nu de

religie geen koningin meer was, nu de maatschappij veranderd was

en men, te midden van den haat en de onverschilligheid der nieuwe

generaties, het onbekende tegemoet ging, waarom zou men nu niet de

oude wereld met haar onzinnigen trots op haar eeuwenouden roem, in

stof laten vallen? Slechts helden stierven staande, zonder iets van

het verleden prijs te geven, tot aan hun laatsten ademtocht trouw aan

hetzelfde geloof, zonder iets anders te bezitten dan den smartelijken

moed om den langzamen doodsstrijd van hun God aan te zien. En in het

majestueuse portret van den kardinaal, op zijn bleek, zoo trotsch,

zoo wanhopig-dapper gelaat was de hardnekkige wil te lezen liever

onder de puinhoopen van het oude, sociale gebouw begraven te worden

dan er één steen aan te veranderen.

Het ritselen van heimelijke voetstappen, zacht muizengetrippel, deed

den priester uit zijn gepeins opschrikken en omkijken. In het behang

was een deur opengegaan en tot zijn verbazing zag hij een gezetten en

korten, ongeveer veertigjarigen abbé voor zich staan; men zou hem voor

een oude in het zwart gekleede jongejuffrouw hebben kunnen aanzien,

heel oud reeds, zoo was zijn slap gezicht met rimpels doorgroefd. Het

was abbé Paparelli, de sleepdrager, de kamerheer, die in deze laatste

functie de bezoekers moest aandienen. Toen hij den jongen priester zag,

wilde hij hem zijn naam vragen, maar don Vigilio kwam tusschenbeide,

om hem op de hoogte te brengen.

"O, ja, prachtig! Mijnheer de abbé Froment, wien het Zijne Eminentie

behaagt een audiëntie te verleenen... Wees zoo goed te wachten,

wees zoo goed te wachten!"

En met zijn glijdenden, onhoorbaren stap ging hij weer terug naar de

tweede antichambre, waar hij zich gewoonlijk ophield.

Pierre beviel dit door het celibaat verbleekte, door al te harde

godsdienstige oefeningen verwoeste, oude vromebesjesgezicht niet;

en daar don Vigilio, wiens hoofd moe was en wiens handen van koorts

brandden, niet weer aan het werk gegaan was, waagde hij het hem het

een en ander te vragen. O, abbé Paparelli! Een buitengewoon geloovig

man, die alleen uit eenvoud en deemoed op zijn bescheiden post bij

Zijne Eminentie bleef. Trouwens het behaagde dezen hem daarvoor

te beloonen, daar hij zich een enkele maal verwaardigde naar zijn

adviezen te luisteren. Bij die woorden lag er in de vurige oogen

van don Vigilio een heimelijke ironie, een nog bedekte woede. Hij

bleef Pierre aankijken; zijn gelaat kalmeerde zich wat; de zichtbare

rechtschapenheid van dezen vreemdeling, die blijkbaar tot geen partij

behoorde, stelde hem gerust. Hij liet dan ook zijn gewoon, ziekelijk

wantrouwen varen, ja vergat zich zelfs zoozeer, dat hij een oogenblik

bleef praten.

"Ja, ja, er is soms veel en dikwijls moeilijk werk... Zijne Eminentie

heeft zitting in verscheidene congregaties: de Inquisitie-, de Index-,

de Riten- en de Consistoriecongregatie. En al die dossiers gaan door

mijn handen. Ik moet iedere zaak bestudeeren en een rapport daarover

samenstellen, om alles voor hem in orde te maken... En bovendien

heb ik voor de geheele correspondentie te zorgen. Gelukkig is Zijne

Eminentie een heilige, die noch voor de eene, noch voor de andere

partij intrigeert, zoodat we wat afgezonderd kunnen leven."

Pierre interesseerde zich zeer voor die intieme bijzonderheden uit

het leven van een Kerkvorst, dat dikwijls zoo verborgen is en door de

legende misvormd wordt. Hij wist, dat de kardinaal, winter en zomer,

om zes uur opstond. Hij las de mis in zijn kapel, een klein vertrek

met een altaar van beschilderd hout, dat nooit iemand betrad. Verder

bestonden zijn particuliere appartementen slechts uit een slaapkamer,

een eetkamer en een studeerkamer, alle drie bescheiden, eenvoudige

vertrekken, die men door middel van beschotten uit een grooten salon

gemaakt had. Hij leefde er zeer teruggetrokken, zonder eenige luxe,

als een matig en arm man. Om acht uur ontbeet hij met een glas

koude melk. Vervolgens begaf hij zich op de zittingsdagen naar

de congregaties, waar hij lid van was, of wel bleef hij thuis, om

audiëntie te verleenen.

Hij dineerde om één uur, dan volgde tot vier, in den zomer zelfs tot

vijf uur, de siësta, de Romeinsche siësta, het heilige oogenblik,

waarin geen bediende het gewaagd zou hebben zelfs maar op de deur te

kloppen. Daarna maakte hij op mooie dagen een wandelrit in den omtrek

van de oude Via Appia, waarvan hij bij het luiden van het Angelus

terug kwam. Na van zeven tot negen uur ontvangen te hebben, soupeerde

hij, trok zich in zijn kamer terug en vertoonde zich niet meer; hij

werkte alleen of begaf zich ter ruste. De kardinalen begaven zich twee

of drie maal per maand op vaste dagen naar het Vaticaan, om dienst

te doen. Doch nu in bijna een jaar al was den kardinaal-voorzitter

geen particuliere audiëntie verleend, wat een teeken van ongenade,

een bewijs van oorlog was, waarover in de zwarte kringen zacht en

voorzichtig gesproken werd.

"Zijne Eminentie is wat stroef," ging don Vigilio, die blij was

zich eens te kunnen uiten, zacht voort: "maar u moet hem zien

glimlachen, wanneer zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt,

hem komt omhelzen... Wanneer u goed ontvangen wordt, dan hebt u dat

alleen aan de contessina te danken."

Op dat oogenblik werd hij in de rede gevallen. Uit de tweede

antichambre kwam een geroezemoes van stemmen. Hij stond vlug op en

maakte een diepe buiging, toen hij een dikken man in een zwarte

soutane met een rooden gordel, en een zwarten hoed met roode en

gouden troedels op, binnen zag komen, dien abbé Paparelli met tal

van nederige buigingen begeleidde. Hij had Pierre een teeken gegeven

eveneens op te staan en vond nog juist tijd, om hem in te fluisteren:

"Kardinaal Sanguinetti, de praefect van de Indexcongregatie."

Abbé Paparelli putte zich uit in dienstvaardigheid en herhaalde

telkens weer met een vroom-tevreden gebaar:

"Uwe Eminentie wordt verwacht. Ik heb order Uwe Eminentie dadelijk

binnen te brengen... Zijne Eminentie, de groot-penitentiarius is

er reeds!"

Sanguinetti, een man met een harde stem en een dreunenden stap,

kreeg plotseling een aanval van vertrouwelijkheid.

"Ja, ja, ik ben ook zoo opgehouden; al die menschen waren zoo

lastig. Je kan nooit doen wat je wilt. Enfin, ik ben er nu!"

Het was een man van zestig jaar, ineengedrongen en dik, met een rond,

opgeblazen gezicht, een grooten neus, dikke lippen, altijd even

onrustige oogen. Vooral echter viel hij op door zijn jeugdig, bijna

stormachtig-jong uiterlijk, zijn nog bruine haren, waarin nauwelijks

een grijs haartje te ontdekken viel en die in dikke lokken om zijn

slapen vielen. Hij was geboren te Viterbo, en had op het seminarie

van die stad gestudeerd, alvorens zijn studiën aan de Gregoriaansche

universiteit te Rome te gaan voltooien. Zijn geestelijke staat van

dienst bewees voldoende zijn vlugge opklimming, zijn soepelen geest:

eerst was hij secretaris van de nuntiatuur te Lissabon, daarna

titulair-bisschop van Thebe geweest en had men hem een moeilijke

zending naar Brazilië opgedragen.

Na zijn terugkeer werd hij nuntius te Brussel, vervolgens te Weenen

en eindelijk kardinaal, ongerekend nog, dat hij het in de nabijheid

van Rome gelegen bisdom van Frascati gekregen had. Zeer ervaren in

allerlei zaken, daar hij geheel Europa afgereisd had, had hij alleen

zijn eerzucht tegen zich, die hij te veel blijken liet, en de intriges,

die hij steeds spon. Het heette thans, dat hij onverzoenlijk was en van

Italië de overgave van Rome eischte, hoewel hij vroeger toenadering

getoond had tot het Quirinaal. In zijn vurigen hartstocht om paus

te worden, veranderde hij ieder oogenblik van meening, gaf hij zich

eindelooze moeite, om menschen voor zich te winnen, die hij dan

later weer losliet. Reeds tweemaal had hij onaangenaamheden gehad

met Leo XIII, maar had het ten slotte politiek geoordeeld zich te

onderwerpen. De waarheid was, dat hij, de bijna erkende candidaat naar

het pausschap, zich uitputte in zijn voortdurende krachtinspanning,

door zich met te veel dingen en te veel menschen te bemoeien.

Maar Pierre had in hem slechts den praefect der Indexcongregatie

gezien; slechts één gedachte hield hem bezig, n.l. dat deze man over

het lot van zijn boek zou beschikken. Hij kon zich dan ook, toen de

kardinaal verdwenen en abbé Paparelli teruggekeerd was in de tweede

antichambre, niet weerhouden te zeggen:

"Zijn Hunne Eminenties de kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera

erg bevriend?"

Een glimlach kwam om de lippen van den secretaris spelen, terwijl in

zijn oogen een ironie flikkerde, die hij nu niet meer verbergen kon.

"Zeer bevriend? Neen, neen!... Zij bezoeken elkaar, wanneer het niet

anders kan!"

En hij legde uit, dat men eerbied toonde voor de hooge geboorte

van kardinaal Boccanera, zoodat men zich gaarne vereenigde bij hem,

wanneer een ernstige zaak, zooals dien dag, een samenkomst buiten de

gewone zittingen noodzakelijk maakte. Kardinaal Sanguinetti was de

zoon van een geneesheer te Viterbo.

"Neen, neen, Hunne Eminenties zijn in het geheel niet

bevriend... Wanneer men niet dezelfde denkbeelden en hetzelfde karakter

heeft, dan gaat dat zoo makkelijk niet. En vooral als daar nog bijkomt,

dat men elkaar in den weg staat."

Hij had het zachter, als tot zichzelf gezegd. Trouwens Pierre, die

geheel met zichzelf bezig was, hoorde het nauwlijks.

"Komen zij misschien voor de een of andere Index-aangelegenheid bij

elkaar?" vroeg hij.

Don Vigilio moest weten waarom er vergaderd werd. Maar hij vergenoegde

zich met te antwoorden, dat voor een zaak van den Index de bijeenkomst

gehouden zou zijn bij den praefect der congregatie. In zijn ongeduld

kon Pierre zich niet weerhouden een directe vraag te stellen.

"U kent mijn aangelegenheid--de zaak van mijn boek--niet waar? Daar

Zijne Eminentie deel uitmaakt van de congregatie en de dossiers door

uw handen gaan, zoudt u mij misschien een nuttige inlichting kunnen

geven. Ik weet er niets van en ik zou zoo gaarne wat willen weten!"

Onmiddellijk werd don Vigilio weer door zijne angstige ongerustheid

aangegrepen.

"Ik verzeker u, dat er nog geen stuk door mijn handen gegaan is. Ik

weet er absoluut niets van."

Toen Pierre wilde aandringen, gaf hij hem een teeken te zwijgen en

begon weer te schrijven, terwijl hij telkens heimlijk een blik in

de tweede antichambre wierp, ongetwijfeld bang, dat abbé Paparelli

luisterde. Blijkbaar had hij reeds veel te veel gezegd. En hij maakte

zich weer klein aan zijn tafeltje, verdween als het ware geheel in

zijn donker hoekje.

Pierre viel nu weer in zijn gepeins terug; weer maakte al dat

onbekende, de oude, ingeslapen triestheid, die hem omgaf, zich geheel

van hem meester. Eindeloos verliep de eene minuut na de andere, het

was bijna elf uur. Het opengaan van een deur, het geluid van stemmen

maakte hem weer wakker. Hij boog eerbiedig voor kardinaal Sanguinetti,

die weg ging met een anderen, zeer mageren en langen kardinaal met

een grauw, lang asketengezicht. Maar geen van beiden scheen zelfs

dien eenvoudigen, vreemden priester, die zoo voor hen boog, op te

merken. Zij spraken luid en vertrouwelijk met elkaar.

"Ja, de wind gaat liggen, het is warmer dan gisteren."

"We zullen morgen zeker een sirocco krijgen."

Plechtig viel de stilte weer in het groote, donkere vertrek terug. Don

Vigilio schreef nog altijd, zonder dat men het gekras van zijn pen

op het harde, geelachtige papier hoorde. Het zachte tingelen van

een gebarsten belletje weerklonk. Abbé Paparelli kwam uit de tweede

antichambre toegesneld, verdween een oogenblik in de troonzaal en

kwam dan terug, om Pierre met een handgebaar te roepen.

"Mijnheer de abbé Pierre Froment," diende hij met zachte stem aan.

Ook deze groote zaal was een ruïne. Onder het prachtige plafond

van gebeeldhouwd en geschilderd hout hing het roode behang, geheel

van brocaat met groote palmen, in flarden. Op sommige plaatsen was

het als bijgewerkt, maar door het lange gebruik vlamde het donkere

purperrood der zijde, dat vroeger zoo schitterend geweest was, met

bleeke tinten. Het merkwaardige van het vertrek was de oude troon,

de fauteuil van rood fluweel, waarin vroeger de Paus, wanneer hij een

bezoek bracht aan den kardinaal, plaats nam. Een baldakijn, ook van

rood fluweel, stond erover heen, waaronder eveneens het portret van

den regeerenden paus hing. Volgens het voorschrift stond de fauteuil

naar den muur toe gekeerd, ten teeken, dat niemand er op mocht

gaan zitten. Verder waren er in het groote vertrek slechte canapés,

fauteuils, stoelen en een prachtige Louis XIV-tafel van verguld hout

met een mozaïekblad, voorstellend de ontvoering van Europa.

Maar Pierre zag in den beginne niets dan kardinaal Boccanera, die

bij een andere tafel, welke hij als bureau gebruikte, stond. In

zijn eenvoudige zwarte soutane met roode zoomen en knoopen, scheen

hij hem nog grooter en trotscher toe dan op het portret in zijn

gala-kostuum. Het was wel hetzelfde grijze haar, hetzelfde lange

gezicht met de diepe rimpels, den grooten neus en de dunne lippen;

het waren dezelfde vurige oogen, die het bleeke gezicht onder de

dichte, zwart gebleven wenkbrauwen verhelderden. Maar het portret

gaf niet het van deze hooge gestalte uitgaande verheven en rustige

geloof weer, de vaste overtuiging te weten waar de waarheid lag,

den onwankelbaren wil zich daar eeuwig aan te houden.

Boccanera bewoog zich niet, toen hij met zijn donkeren blik den

bezoeker naar zich toe zag komen; de priester, die het ceremonieel goed

kende, knielde neer en kuste den grooten smaragd, dien de kardinaal

aan zijn vinger droeg. Maar bijna onmiddellijk richtte de kardinaal

zich op.

"Wees welkom bij ons, mijn lieve zoon... Mijn nicht heeft mij met

zooveel sympathie over u gesproken, dat ik mij gelukkig voel u te

ontvangen..."

Hij was bij de tafel gaan zitten, zonder Pierre te vragen ook plaats

te nemen; hij bleef hem aankijken, terwijl hij op langzamen, zeer

beleefden toon verder sprak.

"U is gisterenochtend gearriveerd, niet waar? En zeker heel moe?"

"Uwe Eminentie is te vriendelijk... Ja, ik was gebroken, zoowel

van emotie als van vermoeienis. Deze reis is voor mij van zooveel

beteekenis."

De kardinaal scheen niet dadelijk op die ernstige quaestie in te

willen gaan.

"Zeker, dat begrijp ik. En bovendien is het een lange reis van Parijs

naar Rome. Tegenwoordig gaat het vrij snel, maar vroeger was het een

eindelooze reis!"

Hij begon langzamer te spreken.

"Ik ben éénmaal in Parijs geweest, o, al heel lang geleden, vijftig

jaar bijna al, en ik ben er geen week gebleven... Een groote, mooie

stad, ja zeker! Veel menschen in de straten, zeer goed opgevoede

menschen, een volk, dat wonderbare dingen gedaan heeft. Men mag het

zelfs in dezen droevigen tegenwoordigen tijd niet vergeten, Frankrijk

is de oudste dochter der Kerk geweest... Na die eenige reis heb ik

Rome nooit meer verlaten!"

Met een gebaar van kalme minachting voltooide hij zijn gedachte. Waarom

reizen te ondernemen naar het land van twijfel en rebellie? Was Rome

niet voldoende, Rome, dat de wereld beheerschte, de eeuwige stad, die

eens, wanneer de tijden in vervulling zouden gaan, weer de hoofdstad

der wereld zou worden?

Pierre, die zwijgen bleef, riep zich den gewelddadigen, strijdlustigen

prins weer voor den geest, die er thans toe genoodzaakt was deze

eenvoudige soutane te dragen; hij vond hem mooi in zijn trotsche

overtuiging, dat Rome aan zichzelf genoeg had. Maar deze koppige

onwetendheid, deze eigenzinnigheid, om andere naties slechts als

vazallen te beschouwen, maakten hem ongerust, toen hij weer dacht

aan het motief, dat hem hier bracht. Daar er een stilzwijgen ontstaan

was, meende Pierre met een paar eerbiedig-huldigende woorden op het

onderwerp te moeten terugkomen.

"Alvorens verdere stappen te doen, heb ik mijn hulde aan de voeten van

Uwe Eminentie willen leggen, want Uwe Eminentie is mijn eenige hoop,

en ik smeek Uwe Eminentie mij wel te willen raden en leiden."

Met een handbeweging noodigde Boccanera hem uit op een stoel tegenover

hem te gaan zitten.

"Zeker, mijn lieve zoon, ik weiger volstrekt niet u met mijn raad ter

zijde te staan. Ik ben dat verschuldigd aan alle Christenen, die het

goede willen. Maar ge zoudt verkeerd doen op mijn invloed te rekenen:

die beteekent niets. Ik leef volkomen afgezonderd, ik kan en ik wil

niets vragen... Maar dat belet ons niet wat te praten."

Hij ging zonder eenigen omweg op de quaestie in. Zijn onafhankelijke,

moedige geest schrikte voor de verantwoordelijkheid niet terug.

"Ge hebt een boek geschreven, niet waar? Het nieuwe Rome, als ik

mij goed herinner; en ge zijt hierheen gekomen om dit boek, dat men

bij de Indexcongregatie aangegeven heeft, te verdedigen... Ik heb

het nog niet gelezen. Ge begrijpt, ik kan niet alles lezen. Ik lees

alleen de boeken, die de congregatie, waarvan ik sedert verleden

jaar deel uitmaak, mij zendt; en dikwijls stel ik mij zelfs tevreden

met het rapport, dat mijn secretaris voor mij opstelt... Maar mijn

nicht Benedetta heeft uw boek gelezen en mij gezegd, dat het niet

oninteressant is. Eerst was zij er een beetje verbaasd over geweest,

maar later heeft het haar zeer geroerd... Ik beloof u dus, dat ik

het door zal lezen en de geïncrimineerde passages met groote zorg

bestudeeren zal."

Pierre greep de gelegenheid aan, om zijn zaak te verdedigen. Hij

meende, dat het maar het beste zou zijn zijn aanbevelingen uit Parijs

mede te deelen.

"Uwe Eminentie zal begrijpen hoe verbaasd ik was, toen ik hoorde,

dat mijn boek vervolgd werd. Mijnheer de vicomte de la Choue, die

mij welwillend gezind is, zegt steeds weer, dat een dergelijk werk

voor den Heiligen Stoel even veel waard is als het beste leger."

"O, de la Choue, de la Choue," herhaalde de kardinaal

welwillend-spottend; "ik weet heel goed, dat de la Choue denkt een

goed Katholiek te zijn... Hij is nog eenigszins aan ons geparenteerd,

zooals u niet onbekend zal zijn. Wanneer hij hier in het paleis

logeert, dan ontvang ik hem heel graag, op voorwaarde echter, dat over

bepaalde onderwerpen, waarover we het toch nooit eens zouden worden,

niet gesproken wordt. Maar per slot van rekening is het Katholicisme

van dien voortreffelijken en goeden de la Choue met zijn corporaties,

zijn werkliedenvereenigingen, zijn gezuiverde democratie en zijn vaag

socialisme niets anders dan litteratuur."

Het woord trof Pierre onaangenaam, want hij voelde in de woorden

van den kardinaal zeer duidelijk de minachtende ironie, die ook op

hemzelf sloeg. Hij haastte zich dan ook zijn anderen repondant [4],

dien hij voor een onaantastbare autoriteit hield, te noemen.

"Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is wel zoo goed geweest zijn

volkomen goedkeuring aan mijn boek te hechten."

Plotseling veranderde het gezicht van Boccanera heelemaal. Het was

niet meer de spottende blaam, het medelijden, dat de ondoordachte en

van te voren tot mislukking gedoemde daad van een kind te voorschijn

roept. Een vlam van woede lichtte op in zijn donkere oogen; zijn

gezicht werd hard van strijdlust.

"Zeker," zeide hij langzaam; "kardinaal Bergerot heeft in Frankrijk

den naam heel vroom te zijn. Hier in Rome weten wij weinig van

hem. Persoonlijk heb ik hem éénmaal gezien, toen hij den kardinaalshoed

kwam halen. En ik zou mij niet veroorloven een oordeel over hem te

vellen, indien onlangs zijn geschriften en zijn handelingen mijn

ziel als geloovige niet hadden bedroefd. En, helaas, sta ik in dat

opzicht niet alleen; ge zult in het Heilig College niemand vinden,

die zijn daden goedkeurt."

Hij hield even op en zeide dan op zeer beslisten toon:

"Kardinaal Bergerot is een revolutionnair."

Ditmaal kon Pierre van verbazing een oogenblik niet spreken. Een

revolutionnair, lieve God, die zachte zielenherder met zijn

onuitputtelijke naastenliefde, wiens droom-ideaal het was, dat

Jezus weer op aarde zou nederdalen, om eindelijk gerechtigheid

en vrede te doen heerschen! De woorden hadden dus niet overal

dezelfde beteekenis! En in welk een godsdienst kwam hij terecht,

dat de godsdienst der armen en lijdenden een verdoemenswaardige,

eenvoudig opstandige hartstocht werd?

Zonder het nog duidelijk te begrijpen, voelde hij, dat een discussie

onbeleefd en nutteloos zijn zou; hij koesterde nog slechts den wensch

zijn boek te vertellen, het uit te leggen, het te rechtvaardigen. Maar

onmiddellijk na zijn eerste woorden viel de kardinaal hem al in

de rede.

"Neen, neen mijn lieve zoon. Dat zou te veel tijd in beslag nemen, en

bovendien wil ik de passages lezen... Trouwens het is een regel zonder

uitzondering: ieder boek, dat het geloof aantast, is verderfelijk en

verdoemenswaardig. Eerbiedigt uw boek ten volle het dogma?"

"Ik meen van wel, en ik verzeker Uwe Eminentie, dat het geen oogenblik

mijn bedoeling geweest is het dogma of het geloof te verloochenen."

"Dat is zeer prijzenswaardig. En wanneer dat zoo is, zou ik met u

mede kunnen gaan... Doch in het tegenovergestelde geval zou ik u maar

één raad kunnen geven: uit eigen beweging uw boek terug te nemen, te

vernietigen, zonder te wachten, dat een besluit van de Indexcongregatie

u daartoe dwingt. Wie ergernis gegeven heeft, moet die onderdrukken

en ervoor boeten door in zijn eigen vleesch te snijden. Een priester

heeft geen andere plicht dan deemoed en gehoorzaamheid, de volkomen

vernedering en vernietiging van zijn eigen Ik, een geheel opgaan in

den wil der Kerk. Ja, ik vraag u, waartoe eigenlijk überhaupt te

schrijven? In de uiting van een eigen meening ligt in zekeren zin

al opstand en verzet; het is altijd een verzoeking van den duivel,

die u de pen in de hand drukt. Waarom de risico te loopen zichzelf te

verdoemen door toe te geven aan den hoogmoed van den geest... Uw boek,

mijn waarde zoon, is ook weer litteratuur, litteratuur!"

Hij herhaalde het woord met zoo'n minachting, dat Pierre het gevaar,

dat de arme apostelbladzijden, welke hij geschreven had, liepen,

wanneer zij onder de oogen van dezen prins, die een heilige geworden

was, kwamen, onmiddellijk begreep. Hij luisterde naar hem en meende,

door toenemenden angst en bewondering aangegrepen, hem grooter te

zien worden.

"O, het geloof, mijn lieve zoon, het onvoorwaardelijke, onbaatzuchtige

geloof, dat alleen gelooft voor het geluk om te gelooven! Welk een

rust, wanneer men zich voor de mysteries buigt, zonder te trachten

die te doorgronden, met de rustige overtuiging, dat men, door ze te

aanvaarden, eindelijk het zekere en het definitieve bezit! Is de meest

volkomen intellectueele bevrediging niet die, welke door het goddelijke

gegeven wordt, terwijl het de rede verovert, schoolt en vermeerdert,

zoodat zij als het ware gevuld en zonder verdere begeerte is? Wanneer

het onbekende niet door het goddelijke verklaard wordt, is er voor

den mensen geen duurzame vrede mogelijk. Men moet de waarheid en

de gerechtigheid in Gods hand geven, als men wil, dat zij op aarde

heerschen zullen. Wie niet gelooft is als een slagveld, dat bloot

staat aan alle rampen. Het geloof alleen bevrijdt en geeft vrede!"

Pierre bleef een oogenblik zwijgen tegenover deze hooge gestalte,

die zich oprichtte. Te Lourdes had hij de lijdende menschheid zich

zien storten op de genezing van het lichaam en de vertroosting

der ziel. Hier was het de intelligente geloovige, de zekerheid

verlangende geest, die bevrediging vond door de hoogste genieting te

vinden in het niet meer twijfelen. Nog nooit had hij zoo'n kreet van

vreugde gehoord, om te leven in gehoorzaamheid en zonder vrees voor

dat wat na den dood volgt. Hij wist, dat Boccanera een eenigszins

hartstochtelijke jeugd gehad en zinnelijke crisissen doorgemaakt had,

waarin het heete bloed zijner voorouders opvlamde; en hij verwonderde

zich over de kalme majesteit, die het geloof dezen afstammeling van

een zoo heftig ras verleend had. Hoogmoed en trots waren zijn eenige

hartstochten gebleven.

"En toch," waagde hij het eindelijk met zachte stem te zeggen: "ook

al blijft het wezen van het geloof onveranderlijk, is het mogelijk,

dat de vormen wisselen... Van uur tot uur ontwikkelt alles zich,

verandert de wereld."

"Maar dat is juist niet waar!" riep de kardinaal uit, "de wereld

is onwrikbaar, eeuwig onwrikbaar!... Zij trappelt heen en weer,

zij verdwaalt, zij geraakt op de afschuwelijkste banen, men moet

haar ieder oogenblik weer op den rechten weg terugbrengen. Dat is

de waarheid... Moet de wereld, opdat de beloften van Christus in

vervulling kunnen gaan, niet terugkeeren tot haar punt van uitgang,

tot haar oorspronkelijke schuldeloosheid? Is het einde der dagen

niet vastgesteld op den triompheerenden dag, dat de menschen in het

volle bezit zijn der geheele waarheid, die het Evangelie gebracht

heeft?... Neen, neen, de waarheid ligt in het verleden. Men moet

zich steeds houden aan het verleden, wanneer men zich niet in het

verderf wil storten. Al die mooie nieuwigheden, die fata morgana

van den beroemden vooruitgang zijn niets anders dan valstrikken

voor de eeuwige verdoemenis. Waartoe nog meer te zoeken, waartoe

onophoudelijk het gevaar van dwalingen te loopen, waar de waarheid

reeds sedert achttien eeuwen bekend is? De waarheid, maar die ligt

in het roomsch-apostolisch Katholicisme, zooals de lange reeks van

generaties het geschapen heeft! Welk een dwaasheid het te willen

veranderen, daar zoovele groote geesten, zoovele vrome zielen er het

wonderbaarlijkste van alle gedenkteekenen, er het eenige middel tot

orde in deze en tot redding in de andere wereld van gemaakt hebben!"

Pierre protesteerde niet meer. Zijn hart kromp ineen, want thans kon

hij niet langer meer twijfelen of hij had een onverzoenlijk vijand

van zijn liefste en dierbaarste denkbeelden tegenover zich. Hij boog

eerbiedig, maar tot een ijskoude verstard, hij voelde een zachten

ademtocht over zijn gelaat strijken, een wind, die van verre kwam en

de doodende hitte der graven met zich voerde. De kardinaal echter

richtte zijn hooge gestalte op en ging op zijn eigenzinnigen toon,

waaruit een trotsche moed klonk, door:

"En wanneer, zooals zijn vijanden beweren, het Katholicisme doodelijk

getroffen is, dan moet het fier sterven, in zijn glorierijke

ongeschondenheid... Versta mij goed, mijnheer de abbé, geen enkele

concessie, geen toegeven, geen lafheid! Het is, zooals het is, anders

zou het niet kunnen zijn. De goddelijke zekerheid, de onvoorwaardelijke

waarheid is niet voor verandering, welke dan ook, vatbaar; de kleinste

steen, die aan het gebouw ontnomen wordt, is nooit iets anders dan

een oorzaak tot ineenstorting... dat is toch duidelijk, niet waar? De

oude huizen, waarin men, onder voorwendsel ze te willen herstellen,

de spade zet, zijn niet te redden. Men vergroot er de scheuren

slechts door. Als het waar was, dat Rome in puin dreigt te vallen,

dan hebben al die verbeteringen en reparaties geen ander resultaat dan

dat zij de onvermijdelijke catastrophe verhaasten. En in plaats van een

grootschen, verheven dood zou het een jammerlijke doodsstrijd worden,

het einde van een lafaard, die zich verweert en om genade smeekt... Ik

wacht af. Ik voor mij ben overtuigd, dat het schandelijke leugens

zijn, dat het Katholicisme nooit krachtiger geweest is, dat het zijn

eeuwigheid put uit de eenige bron des levens. Maar op den avond,

dat de hemel instort, zou ik hier staan te midden van deze oude,

afbrokkelende muren, onder deze oude plafonds, waarvan de balken door

de wormen weggevreten worden, en fier overeind staande zou ik onder

de puinhoopen sterven, mijn Credo voor een laatste maal uitsprekend."

Hij was steeds langzamer gaan spreken, in zijn stem klonk een

hoogmoedige droefheid, terwijl hij met een breed gebaar naar het oude,

verlaten, zwijgende paleis wees, waaruit het leven zich iederen dag

iets meer terugtrok. Was het een onwillekeurig voorgevoel, streek

de zachte, koude ademtocht, die van de puinhoopen kwam, ook langs

hem heen? Dat zou verklaren, waarom de groote zalen zoo verwaarloosd

waren, het zijden behang in flarden hing, de wapenschilden door stof

verbleekt, de roode hoed door maden weggevreten werd. En deze prins en

kardinaal, deze intransigente Katholiek, die zich zoo in de toenemende

duisternis van het verleden terugtrok en met een dapper soldatenhart

de onvermijdelijke instorting der oude wereld trotseerde, stond te

midden van dit alles als iets wanhopig-grootsch en verhevens.

Ontroerd wilde Pierre afscheid nemen, toen een kleine deur in het

behang openging. Boccanera maakte een ongeduldig gebaar.

"Wat is er nu weer? Kan men mij dan geen oogenblik met rust laten?"

Maar abbé Paparelli, de dikke, stille sleepdrager, kwam toch binnen,

zonder zich een oogenblik op te winden. Hij ging naar den kardinaal

toe en fluisterde hem iets in het oor.

"Welke pastoor?... O, ja, Santobono, de pastoor van Frascati. Ik weet

het... Zeg, dat ik hem nu niet ontvangen kan."

Weer begon Paparelli met zijn zacht stemmetje te fluisteren. Toch

kon Pierre enkele woorden hooren: een dringende zaak, de pastoor

moest weer vertrekken, hij had maar één woord te zeggen. En zonder de

toestemming van den kardinaal af te wachten, bracht hij den bezoeker,

een protégé van hem, dien hij achter de kleine deur gelaten had,

binnen. Dan verdween hij zelf met de kalmte van een ondergeschikte,

die, ondanks zijn nederige positie, zijn groote macht kent.

Pierre, die geheel vergeten werd, zag een reusachtig langen priester

binnenkomen, grof gebouwd, een echten boerenzoon, die nog steeds in

nauwe aanraking met de aarde was. Hij had groote voeten, vingers vol

knobbels, een verweerd gezicht met litteekens, dat door donkere, zeer

heldere oogen verlevendigd werd. Voor zijn vijf-en-veertig jaar zag hij

er nog krachtig uit en geleek met zijn slecht verzorgden baard en zijn

mantel, die te wijd om zijn zware, vooruitspringende beenderen hing,

eenigszins op een vermomden bandiet. Maar zijn gelaatsuitdrukking

was trotsch gebleven, zonder iets gemeens. Hij had een klein mandje

bij zich, dat zorgvuldig met vijgeblaadjes toegedekt was.

Onmiddellijk knielde Santobono neer en kuste den ring, doch met een

snel gebaar, als was het een eenvoudige, gewone beleefdheid. Dan zeide

hij met de eerbiedige familiariteit van het mindere volk tegenover

de grooten:

"Ik smeek Uwe eerwaardige Eminentie om vergiffenis, dat ik zoo

indringerig ben. Er wachten nog vele anderen, en ik zou niet ontvangen

zijn, indien mijn oude vriend Paparelli niet op het denkbeeld gekomen

was mij door deze deur te laten gaan... Ik heb Uwe Eminentie een

grooten dienst te vragen, een zoo grooten dienst... Maar voor alles

veroorlove Uwe Eminentie mij, U een klein geschenk aan te bieden."

Boccanera luisterde ernstig naar hem. In vroegere tijden, toen hij

den zomer ging doorbrengen in de villa, die de familie te Frascati

bezat, had hij hem goed gekend. Die villa was een in de zestiende

eeuw gerestaureerd huis met een prachtig park, waarvan het beroemde

terras uitzag op de uitgestrekte en als een zee zoo kale Campagna

romana. Thans was de villa verkocht en in de wijngaarden, die bij de

boedelscheiding aan Benedetta ten deel gevallen waren, was graaf Prada,

vóór den eisch tot echtscheiding, begonnen een geheele nieuwe wijk

van kleine lusthuizen te bouwen. Vroeger had de kardinaal het niet

beneden zijn waardigheid geacht op zijn wandelingen een oogenblik

te gaan uitrusten bij Santobono, die, buiten de stad in een oude aan

Santa Maria dei Campi gewijde kapel dienst deed. De priester bewoonde

een naast die kapel staand, half vervallen huisje, waarvan een door

muren omgeven tuin de grootste aantrekkelijkheid vormde. Dien tuin

onderhield hij zelf met den hartstocht van een echten boer.

"Ik zou graag willen, dat Uwe Eminentie, zooals andere jaren, mijn

vijgen proefde," ging hij voort, terwijl hij het mandje op tafel

zette. "Het zijn de eerste vijgen van het seizoen, die ik vanochtend

voor Uwe Eminentie geplukt heb. Eminentie at ze zoo graag, toen het

Eminentie nog behaagde ze van den boom te komen eten. Eminentie was

dan wel zoo goed mij te zeggen, dat geen vijgeboom in de wereld zulke

vijgen droeg!"

De kardinaal kon een glimlach niet onderdrukken. Hij was dol op vijgen,

en het was waar: de vijgeboom van Santobono was in het geheele land

beroemd.

"Dank je zeer, mijn waarde pastoor; je herinnert je mijn kleine

gebreken nog goed... En wat kan ik voor je doen?"

Hij was onmiddellijk weer ernstig geworden, want tusschen hem

en den pastoor bestonden oude meeningsverschillen, die hem

hinderden. Santobono, die uit Nemi, een zeer woeste streek, en

uit een heftige familie, waarvan de oudste zoon door een messteek

gedood was, afkomstig was, had zijn vurig-patriottische denkbeelden

nooit onder stoelen of banken gestoken. Men vertelde, dat het heel

weinig gescheeld had, of hij had zich bij de troepen van Garibaldi

aangesloten; en op den dag, dat de Italianen Rome binnentrokken,

had men hem moeten beletten de vlag der Italiaansche eenheid op zijn

dak te planten. Zijn hartstochtelijke droom was, Rome als meesteres

der wereld te zien, wanneer paus en koning, na zich verzoend te

hebben, gemeenschappelijk zouden optreden. De kardinaal hield hem

voor een gevaarlijken revolutionnair, een afvallig priester, die het

Katholicisme in gevaar bracht.

"O, wat Uwe Eminentie voor mij doen kan? Wat Uwe Eminentie voor mij

doen kan, als het haar behaagt," herhaalde Santobono op vurigen toon,

terwijl hij zijn grove, knokkelige handen vouwde.

Doch dan zich bedenkend:

"Heeft Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet met een enkel woord

met Uwe eerwaardige Eminentie over mijn zaak gesproken?"

"Neen, de kardinaal heeft mij alleen gezegd, dat ge me iets te

vragen hadt."

Boccanera wachtte met een strenge gelaatsuitdrukking. Hij wist heel

goed, dat de priester een protégé van Sanguinetti geworden was, sedert

deze, als bisschop van Frascati, daar jaarlijks eenige weken ging

doorbrengen. Iedere kardinaal, die het pausschap ambieert, heeft een

aantal van die vrienden achter zich, die de geheele eerzucht van hun

leven op zijn mogelijke verkiezing stellen: wanneer hij eens paus is,

wanneer zij hem helpen het te worden, is de kans groot, dat zij in

de groote pauselijke huishouding opgenomen worden. Het gerucht ging,

dat Sanguinetti Santobono reeds uit een zeer moeilijk geval gered

had. Hij had een kind, dat fruit wilde stelen, juist op het oogenblik,

dat het over zijn muur klom, gesnapt, en het zoo'n geduchte afstraffing

toegediend, dat het aan de gevolgen gestorven was. Maar tot eer van

den priester moet gezegd worden, dat zijn fanatieke toewijding aan

den kardinaal voornamelijk het gevolg was van de hoop, dat hij de

verwachte paus zijn zou, de paus, die voorbestemd was om van Italië

de eerste natie te maken.

"Nu, dan zal ik mijn ongeluk vertellen... Uwe Eminentie kent mijn broer

Agostino, die twee jaar tuinman bij u in de villa geweest is. Het is

een heele fatsoenlijke, zachte jongen, op wien nooit iemand iets te

zeggen gehad heeft... Nu is hem--niemand kan zich verklaren hoe--een

vreeselijk ongeluk overkomen; hij heeft in Genzano op een avond, dat

hij op straat aan het wandelen was, een man met een messteek gedood. Ik

vind het iets verschrikkelijks en ik zou graag twee vingers van mijn

hand geven, om hem uit de gevangenis te houden. En nu had ik gedacht,

dat Uwe Eminentie niet weigeren zou mij een getuigschrift te geven,

waarin staat, dat Agostino bij Uwe Eminentie in dienst geweest is,

en dat Uwe Eminentie altijd zeer tevreden over hem geweest is."

"Ik ben heelemaal niet tevreden over Agostino geweest," protesteerde

de kardinaal. "Hij had een krankzinnig-heftige en opvliegende natuur,

en juist omdat hij altijd met de andere bedienden overhoop lag,

heb ik hem weg moeten sturen."

"O, wat doet Uwe Eminentie mij een verdriet met dat te zeggen. Het is

dus waar, dat het karakter van mijn armen kleinen Agostino bedorven

is! Maar de zaak is toch wel te schikken, niet waar? Uwe Eminentie

kan mij daarom toch wel een getuigschrift geven--in andere woorden

vervat. Een getuigschrift van Uwe Eminentie zou voor de rechtbank

zoo'n goeden indruk maken."

"Dat begrijp ik heel goed," antwoordde de kardinaal. "Maar ik geef

geen getuigschrift."

"Wat? Uwe eerwaarde Eminentie weigert?"

"Absoluut... Ik weet, dat gij een priester zijt, op wiens moraliteit

niets te zeggen valt, dat gij uw heilig ambt met ijver vervult, dat

gij een zeer aanbevelenswaardig iemand zijn zoudt zonder uw politieke

denkbeelden. Doch uw broederliefde brengt u op een dwaalspoor, ik

kan niet liegen, om u ter wille te zijn."

Santobono keek hem verbaasd aan, begreep niet, dat een prins, een

almachtig kardinaal, zich met zulke onbeteekenende gewetensbezwaren

ophield, wanneer het om een messteek ging, de meest gewone en ieder

oogenblik voorkomende zaak in de nog woeste streken der Romeinsche

Kasteelen.

"Liegen, liegen," prevelde hij; "wanneer je alleen het goede, dat

iemand heeft, zegt, is toch geen liegen! En Agostino heeft toch wel

wat goeds. In een getuigschrift hangt alles af van de zinnen, waarin

het gekleed is."

Hij had het zich nu eenmaal in het hoofd gezet en hij kon niet

begrijpen, dat iemand weigeren kon den rechter door een handige

voorstelling van de zaken op een dwaalspoor te brengen. Toen hij

eindelijk inzag, dat hij niets krijgen zou, maakte hij een wanhopig

gebaar; zijn vaal gelaat kreeg een uitdrukking van heftigen wrok,

terwijl zijn donkere oogen vlamden van ingehouden toorn.

"Goed, goed! Iedereen ziet de waarheid op zijn manier. Ik zal het aan

Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gaan vertellen. En ik smeek Uwe

eerwaarde Eminentie mij niet kwalijk te nemen, dat ik haar voor niets

gestoord heb... Misschien zijn de vijgen nog niet heelemaal rijp, maar

ik zal de vrijheid nemen tegen het eind van het seizoen, wanneer zij

heelemaal goed en zoet zijn, nog een mandje te brengen... Duizendmaal

dank en duizendmaal heil en zegen aan Uwe eerwaarde Eminentie."

Achteruit loopend ging hij weg met buigingen, die zijn knokige

gestalte in tweeën vouwden. Pierre, die met groote belangstelling

het tooneel gevolgd had, vond in hem de belichaming van de lagere

geestelijkheid van Rome en omgeving, waarover men hem voor zijn

reis zoo dikwijls gesproken had. Dat was niet de scagnozzo, de arme,

hongerige priester, die ten gevolge van de een of andere minder mooie

geschiedenis uit de provincie komt en zoekend naar zijn dagelijksch

brood door Rome zwerft. Deze soort vormt een schaar van bedelaars in

soutane, die in de kruimels der Kerk hun geluk zoeken, elkaar gulzig

de missen bestrijden en met het mindere volk in de meest beruchte

kroegen zitten. Ook was het niet de priester uit de ver afgelegen

provincies, die, volmaakt onwetend en kras bijgeloovig, boer met de

boeren was, die door zijn biechtkinderen als huns gelijke behandeld

werd, welke in hun groote vroomheid hem nooit verwisselden met God

en neerknielden voor den heilige van hun parochie, maar niet voor

den man, die van hem leefde. In Frascati kreeg de pastoor van een

kleine kerk negenhonderd francs en had geen andere uitgaven dan voor

vleesch en brood, wanneer hij den wijn, de vruchten en de groenten

uit zijn eigen tuin haalde. Deze priester was niet onontwikkeld,

wist iets van theologie, van geschiedenis, vooral de geschiedenis

van Rome's vroegere grootheid, die zijn patriotisme ontvlamd had,

zoodat hij steeds weer van de nabije wereldheerschappij droomde,

die voor het wedergeboren Rome, de hoofdstad van Italië, weggelegd

was. Maar welk een onafzienbare afstand nog tusschen deze dikwijls

zeer waardige en intelligente lagere geestelijkheid en den hoogeren

clerus, de hoogwaardigheidbekleeders van het Vaticaan! Alles wat niet

minstens prelaat was, bestond niet.

"Duizendmaal dank en moge alles naar wensch van Uwe eerwaarde

Eminentie gaan."

Toen Santobono eindelijk weg was, wendde de kardinaal zich weer tot

Pierre, die eveneens boog, om afscheid te nemen.

"In één woord, mijnheer de abbé, het komt mij voor, dat de zaak van

uw boek slecht staat. Ik zeg u nog eens, dat ik niets precies weet,

dat ik het dossier niet gezien heb. Maar daar het mij bekend was, dat

mijn nicht Benedetta zich voor u interesseert, heb ik er met kardinaal

Sanguinetti, die daareven hier was, over gesproken. Maar hij zelf

weet er niet meer van dan ik, want het dossier bevindt zich nog in

handen van den secretaris. Het eenige, dat hij mij mededeelen kon,

was, dat de aanklacht van aanzienlijke, zeer invloedrijke personen

uitging, en dat zij liep over talrijke bladzijden, waarin men de

aanstoot gevende passages zoowel wat betreft de kerkelijke tucht als

het dogma naar voren gebracht heeft."

Zeer ontroerd door de gedachte, dat verborgen vijanden hem in het

donker vervolgden, riep hij uit:

"O, aangeklaagd, aangeklaagd! Als Uwe Eminentie eens wist, hoe dat

woord mij pijn doet. En aangeklaagd voor beslist onwillekeurige

misdaden, omdat ik enkel en alleen vurig den triomf der Kerk gewild

heb... Ik zal mij voor de voeten van den Heiligen Vader werpen en

mij verdedigen."

Boccanera richtte zich plotseling in zijn volle lengte op. Een diepe

plooi groefde zich in zijn voorhoofd.

"Zijne Heiligheid kan, wanneer het Haar goeddunkt, alles, zelfs u

ontvangen en u absolutie geven... Maar luister naar mij, ik raad u

nogmaals aan uit eigen beweging uw boek terug te nemen, het eenvoudig

en dapper te vernietigen, voor u te storten in een strijd, die u

slechts de schande brengen zal verpletterd te worden... Denk er

over na!"

Onmiddellijk had Pierre berouw gehad, dat hij van een bezoek aan

den Paus gesproken had, want hij voelde, dat dit beroep op het

hoogste gezag den kardinaal moest kwetsen. Twijfel was echter niet

meer mogelijk: de kardinaal zou tegen zijn werk zijn. Hij had geen

andere hoop meer dan door zijn omgeving druk op hem uit te oefenen,

door hem te smeeken neutraal te blijven. Hij had hem openhartig,

vrijmoedig gevonden, ver verheven boven de heimelijke intriges,

die, zooals hij hoe langer hoe meer begon te begrijpen, om zijn boek

gespannen werden. Hij nam dan ook met grooten eerbied voor den persoon

van den kardinaal afscheid.

"Ik dank Uwe Eminentie uit den grond van mijn hart en beloof alles,

wat Uwe Eminentie zoo goed is geweest tegen mij te zeggen, ernstig

te zullen overwegen."

In de antichambre zag Pierre vijf of zes personen, die gedurende

zijn audiëntie gekomen waren en nu wachtten. Er waren een bisschop,

een prelaat en twee oude dames; en toen hij, alvorens weg te gaan,

don Vigilio wilde begroeten, zag hij dien tot zijn groote verbazing

in gesprek met een langen, blonden jongen man, een Franschman, die

even verbaasd uitriep:

"Wat, u hier, mijnheer de abbé? U hier in Rome?"

De priester aarzelde een oogenblik.

"O, mijnheer Narcisse Habert, neem me niet kwalijk, dat ik u niet

dadelijk herkende. Het is werkelijk onvergeeflijk van mij, want ik

wist, dat u sinds een jaar aan het gezantschap geattacheerd bent."

Slank, flink gebouwd, zeer elegant had Narcisse een mooien tint,

lichtblauwe, bijna malvekleurige oogen, een blonden, kroezenden baard

en droeg zijn blonde lokken op Florentijnsche wijze over het voorhoofd

weggeknipt. Hij stamde uit een zeer rijke, militant-Katholieke

rechtersfamilie en had een oom, die tot de diplomatie behoorde, wat

over zijn carrière beslist had. Zijn plaats te Rome was als het ware

aangewezen, waar hij over invloedrijke bloedverwanten beschikken kon:

hij was de aangetrouwde neef van kardinaal Sarno, wiens zuster te

Parijs getrouwd was met zijn oom, een notaris; germain neef van den

geheimen kamerheer, monseigneur Gamba del Zoppo, een zoon van een

zijner tantes, die in Italië met een kolonel getrouwd was. Om die

redenen had men hem geattacheerd aan het gezantschap bij den Heiligen

Stoel, waar men zijn eenigszins fantastische allures, zijn vurigen

hartstocht voor de kunst, die hem steeds weer tot zwerftochten door

Rome aanspoorde, duldde. Verder was hij een zeer beminlijk man en

zeer gedistingeerd, bovendien in den grond der zaak zeer practisch

en buitengewoon ervaren in financieele quaesties. Soms gebeurde het,

zooals dien ochtend, dat hij met zijn moede, eenigszins geheimzinnige

manier van doen in opdracht van den gezant bij een kardinaal over

een ernstige zaak kwam spreken.

Onmiddellijk nam hij Pierre mede in een der groote vensternissen,

om op zijn gemak met hem te kunnen praten.

"Mijn waarde abbé, wat ben ik blij u te zien! Herinnert u zich onze

prettige gesprekken nog uit den tijd, dat we elkaar bij kardinaal

Bergerot ontmoetten? Ik heb u nog schilderijen aangewezen voor uw

boek, miniaturen uit de veertiende en vijftiende eeuw. Voor vandaag

leg ik beslag op u; ik zal u Rome laten zien, zooals niemand anders

dat kan. Ik heb alles gezien, alles doorsnuffeld. Schatten zijn hier,

schatten! Doch feitelijk is er maar één ding hier, daar ga je altijd

weer naar terug: de Botticelli in de Sixtijnsche kapel!"

Zijn stem stierf als het ware uit; hij maakte een uitgeput gebaar van

bewondering. En Pierre moest beloven zich aan hem toe te vertrouwen,

met hem naar de Sixtijnsche kapel te gaan.

"U weet toch zeker wel, waarom ik hier ben?" zeide deze eindelijk. "Men

vervolgt mijn boek, men heeft het bij de Indexcongregatie aangegeven."

"Uw boek? Dat is niet mogelijk!" riep Narcisse uit. "Een boek,

waarvan sommige bladzijden aan den verrukkelijken Franciscus van

Assisi herinneren."

Hij stelde zich welwillend ter beschikking van den priester.

"Maar onze gezant zal u van groot nut kunnen zijn. Er bestaat geen

beter mensch op de wereld; hij is zeer vriendelijk en welwillend, vol

oude Fransche bravoure. Vanmiddag of op zijn allerlaatst morgenochtend

zal ik u aan hem voorstellen, en daar u zoo spoedig mogelijk een

audiëntie bij den paus verlangt, zal hij probeeren die voor u te

verkrijgen... Maar ik moet eraan toevoegen, dat het niet altijd even

makkelijk is. De Heilige Vader doet hem gaarne een genoegen, maar toch

lukt het hem niet altijd, zoo moeilijk is het dikwijls hem te naderen."

In werkelijkheid had Pierre er nog niet aan gedacht gebruik te maken

van de hulp van den ambassadeur; in zijn onnoozelheid had hij gemeend,

dat een aangeklaagde priester, die zich kwam verdedigen, van zelf

alle deuren voor zich zou zien open gaan. Hij was verrukt over het

aanbod van Narcisse en dankte hem zoo hartelijk alsof de audiëntie

reeds verkregen was.

"En mochten er zich onverhoopt moeilijkheden voordoen," ging de jonge

man voort, "dan heb ik nog altijd bloedverwanten op het Vaticaan. Ik

bedoel niet mijn oom den kardinaal, die ons toch niet zou kunnen

helpen, want hij komt nooit uit zijn bureau van de Propaganda en wil

nooit een gunst vragen. Maar mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo,

die tot de vertrouwde omgeving van den paus behoort en door zijn dienst

ieder oogenblik met hem in aanraking komt, is een zeer welwillend man;

als het noodig is, gaan we naar hem toe, en hij zal ongetwijfeld wel

een middel weten, om een audiëntie voor u te verkrijgen, hoewel zijn

groote voorzichtigheid hem een enkele maal bang doet zijn, dat hij

zich zal compromitteeren... Dus, dat is afgesproken, vertrouw in alle

dingen maar op mij."

"Niets liever dan dat, waarde heer," riep Pierre verlicht en gelukkig

uit; "u weet niet welk een balsem u mij geeft, want sedert ik hier

ben, tracht iedereen mij te ontmoedigen; u bent de eerste, die mij

weer wat kracht geeft door de zaken op zijn Fransch te behandelen."

Fluisterend vertelde hij hem zijn onderhoud met kardinaal Boccanera,

van wien hij niet de minste hulp te verwachten had, de slechte

tijdingen, die kardinaal Sanguinetti gebracht had, en ten slotte

den wedijver, die, zooals hij voelde, tusschen de beide kardinalen

bestond. Narcisse luisterde glimlachend naar hem en liet zich ook tot

vertrouwlijke mededeelingen bewegen. Die wedijver, die voorbarige

twist om de tiara, waarnaar beiden hartstochtelijk streefden,

bracht reeds lang de zwarte kringen in opwinding. Het waren allerlei

gecompliceerde dessous, niemand zou met zekerheid kunnen zeggen

wie de uitgebreide intriges leidde. In het algemeen wist men,

dat Boccanera het intransigente Katholicisme vertegenwoordigde,

dat van geen compromis met de moderne maatschappij weten wilde,

rustig afwachtte, dat God over Satan regeeren, het koninkrijk Rome

aan den Heiligen Vader teruggegeven worden, Italië berouwvol voor

zijn heiligschennis boete doen zou; Sanguinetti daarentegen, een

zeer soepel en politiek man, zou voorstander zijn van even nieuwe als

vermetele combinaties, een soort republikeinsche federatie van alle

oude kleine Italiaansche staten onder protectoraat van den paus. In

één woord het was de strijd tusschen twee tegengestelde richtingen:

de eene wilde de Kerk redden door een volmaakten eerbied voor de

oude traditie; de andere kondigt haar onvermijdelijken ondergang aan,

indien zij weigert de evolutie der komende eeuw mede te maken. Maar

dit alles was zoo vaag, zoo onbestemd, dat ten slotte de meening post

vatte, dat, wanneer de tegenwoordige paus nog eenige jaren leefde,

noch Boccanera, noch Sanguinetti hem zouden opvolgen.

Plotseling viel Pierre Narcisse in de rede.

"En monsignor Nani, kent u dien? Gisterenavond heb ik met hem

gesproken... Kijk, daar komt hij juist binnen!"

Inderdaad kwam Nani met zijn eeuwigen glimlach en zijn blozend,

vriendelijk prelatengezicht binnen. Zijn fijne soutane en zijn

gordel van violette zijde schitterden in een voornaam-luxueusen en

zachten glans. Hij was zeer hoffelijk tegenover abbé Paparelli, die

hem eerbiedig te gemoet ging en hem vroeg wel te willen wachten tot

Zijne Eminentie hem ontvangen kon.

"O," fluisterde Narcisse, die ernstig geworden was; "monsignor Nani

is iemand, dien men te vriend moet houden."

Hij kende zijn geschiedenis en vertelde die Pierre half fluisterend. Te

Venetië uit een adellijk, maar geruïneerd geslacht, dat verscheidene

helden onder zijn leden geteld had, geboren, was hij, na zijn eerste

onderricht bij de Jezuïeten ontvangen te hebben, naar Rome gekomen,

om aan het Romeinsch College, dat onder leiding der Jezuïeten stond, in

de theologie en wijsbegeerte te studeeren. Op zijn drie-en-twintigste

jaar tot priester gewijd, was hij dadelijk als particulier secretaris

met een nuntius naar Beieren gegaan en vandaar als auditor naar Brussel

en Parijs, in welke laatste stad hij vijf jaar had gewoond. Alles, zijn

schitterend debuut, zijn vlug begrip--hij was een der veelzijdigste en

meest ontwikkelde geesten, die men zich denken kan--scheen hem voor de

diplomatie te bestemmen, toen hij plotseling naar Rome teruggeroepen

werd, waar men hem bijna onmiddellijk na zijn aankomst tot assessor

bij het Heilig College benoemde. Toenmaals ging het gerucht, dat dit op

uitdrukkelijk verlangen van den paus geschied was, die, daar hij zijn

capaciteiten kende en gaarne iemand bij het Heilig College had, op wien

hij kon vertrouwen, hem teruggeroepen had onder voorwendsel, dat hij

te Rome veel meer diensten bewijzen kon dan bij een nuntiatuur. Nani,

reeds sedert langen tijd huisprelaat, was sedert korten tijd kanunnik

van de St. Pieter en apostolisch protonotarius en had, wanneer op een

dag de paus een assessor vinden kon, die nog meer in zijn smaak viel,

groote kans kardinaal te worden.

"O," ging Narcisse voort, "monsignor Nani! Een superieur man, die

het moderne Europa buitengewoon goed kent, en daarenboven een heilig

priester, een oprecht geloovige, volkomen toegewijd aan de Kerk, maar

van een geloof, dat geheel verschillend is van het bekrompen en vage

theologische geloof, zooals wij dat in Frankrijk kennen! Daarom zal

het u moeilijk vallen de menschen en dingen hier te begrijpen. Zij

laten God in Zijn heiligdom, zij regeeren in Zijn naam, ten volle

overtuigd, dat het Katholicisme de menschelijke organisatie van

het Godsbestuur, de eenige, eeuwige en volmaakte is, buiten welke

er slechts leugen en sociaal gevaar bestaat. Terwijl wij in onze

godsdienstige twistgesprekken nog steeds hartstochtelijk over het

bestaan van God discussieeren, geven zij niet eens toe, dat aan dat

bestaan getwijfeld worden kan, omdat zij de door God gezonden ministers

zijn; zij gaan geheel in hun rol van onafzetbare ministers op, oefenen

hun macht uit tot het grootst mogelijke welzijn der menschheid,

gebruiken al hun intelligentie, al hun energie om de door de volken

aanvaarde meesters te blijven. Bedenk eens, een man als monsignor Nani

is, na met de politiek der geheele wereld te doen gehad te hebben,

sedert tien jaar te Rome met de meest kiesche en moeilijke opdrachten

belast en daardoor met de meest verschillende en belangrijke zaken

vertrouwd. Hij blijft heel Europa, dat in Rome komt, zien, weet alles,

heeft in alles de hand. Daarenboven is hij buitengewoon bescheiden

en welwillend, zóó volmaakt bescheiden schijnbaar, dat men zich

onwillekeurig afvraagt, of hij met zijn zachten stap niet naar het

hoogste doel van 's menschen eerzucht, naar de tiara, schrijdt."

"Nog een candidaat voor den Heiligen Stoel!" dacht Pierre, die zeer

aandachtig geluisterd had, want deze Nani interesseerde hem, gaf

hem een soort instinctieve onrust, alsof hij achter het blozende en

glimlachende gezicht iets beangstigend oneindigs voelde. Bovendien

begreep hij de verklaringen van zijn vriend maar half; de angst,

die hem bij zijn aankomst in deze nieuwe wereld, een wereld,

wier onverwachte aanblik al zijn verwachtingen den bodem insloeg,

aangegrepen had, maakte zich ook nu weer van hem meester.

Maar monsignor Nani had de twee jonge mannen gezien en kwam hartelijk

en met uitgestoken hand naar hen toe.

"Zoo, mijnheer de abbé Froment! Het is mij aangenaam u weer te

zien. Ik behoef u niet te vragen, of u goed geslapen hebt, want men

slaapt te Rome altijd goed... Dag, mijnheer Habert, nog altijd even

gezond als toen ik u vol bewondering aantrof voor de Heilige Theresia

van Bernini?... En ik zie, dat u elkaar kent. Prachtig! Mijnheer de

abbé, ik mag u zeker wel verraden, dat mijnheer Habert een van de

vurigste bewonderaars onzer stad is, die u de mooiste plekjes zal

kunnen laten zien."

Dan wilde hij dadelijk weer hooren over het onderhoud tusschen Pierre

en den kardinaal. Hij luisterde zeer aandachtig naar het verhaal,

terwijl hij bij sommige bijzonderheden zijn hoofd schudde en dikwijls

zijn fijn glimlachje onderdrukken moest. De strenge ontvangst van den

kardinaal en de overtuiging van den priester, dat hij van dezen geen

hulp behoefde te verwachten, verwonderden hem in het minst niet, als

had hij geen ander resultaat verwacht. Maar bij den naam van kardinaal

Sanguinetti en toen hij hoorde, dat deze aan kardinaal Boccanera

gezegd had, dat die quaestie van het boek zeer ernstig was, scheen

hij zich een oogenblik te vergeten en sprak met plotselinge heftigheid:

"Dan ben ik te laat gekomen, mijn waarde zoon! Zoodra ik van die

vervolging hoorde, ben ik dadelijk naar Zijne Eminentie kardinaal

Sanguinetti gegaan, om hem te zeggen, dat men voor uw werk een groote

reclame zou maken. Is dat verstandig? Waar is dat goed voor? Wij

weten, dat u wat geëxalteerd, geestdriftig en strijdlustig is. Wat

zouden wij erbij winnen, indien wij een jongen priester, die met een

boek, waarvan reeds duizenden exemplaren verkocht zijn, tegen ons

in het krijt zou kunnen treden, tegen ons in het harnas joegen? Van

den beginne af aan heb ik gewild, dat men het boek met rust liet,

en ik moet eerlijk zeggen, dat de kardinaal, die een verstandig man

is, dezelfde meening toegedaan is. Hij hief zijn armen ten hemel en

riep opgewonden uit, dat men hem nooit raadpleegde, dat de dwaasheid

nu begaan was en dat het onmogelijk was het proces tegen te houden,

nu het eenmaal ten gevolge van beschuldigingen, die van de meest

bevoegde zijden en om de ernstigste motieven ingebracht waren,

aanhangig gemaakt was. ...Enfin, zooals hij zeide, de domheid was

begaan, en ik moest iets anders bedenken."

Maar hij hield op; hij zag, dat de vurige oogen van Pierre op de zijne

gericht waren en trachtten te begrijpen. Een bijna onmerkbare blos

kleurde zijn gezicht, terwijl hij, zonder het onaangename gevoel, dat

hij te veel gezegd had, te laten blijken, zeer onbevangen voortging:

"Ja, ik wilde u met mijn zwakken invloed helpen, om u de

onaangenaamheden, waarin deze geschiedenis u ongetwijfeld brengen zal,

te besparen."

In Pierre steeg bij het heimelijke besef, dat men misschien met hem

speelde, een verzet op. Waarom zou hij zijn geloof, dat zoo rein, zoo

geheel onbaatzuchtig, zóó brandend van Christelijke naastenliefde was,

niet bekennen?

"Nooit," zeide hij, "nooit zal ik uit eigen beweging mijn boek

terugnemen of vernietigen, zooals men mij aanraadt. Het zou een

lafheid en een leugen zijn, want ik heb nergens berouw over, loochen

niets. Waar ik geloof, dat mijn werk eenige waarheid brengt, daar

kan ik het niet vernietigen, zonder een misdaad te begaan tegenover

mezelf en de anderen... Nooit, verstaat u, nooit!"

Er volgde een stilte. En bijna onmiddellijk ging hij voort:

"Aan de voeten van den Heiligen Vader zal ik hetzelfde zeggen. Hij

zal mij begrijpen, hij zal het met mij eens zijn!"

Nani glimlachte niet meer. Zijn gelaat was thans onbeweeglijk en

als gesloten. Hij scheen de plotselinge heftigheid van den priester,

dien hij dan door zijn rustige welwillendheid trachtte te kalmeeren,

aandachtig te bestudeeren.

"Zeker, zeker... Gehoorzaamheid en ootmoed hebben hun groote

bekoring. Maar ik begrijp heel goed, dat u vóór alles met Zijne

Heiligheid zoudt willen spreken. En dan kunt u verder zien, niet waar,

dan kunt u verder zien?"

En hij interesseerde zich opnieuw voor de audiëntie. Hij betreurde

het zeer, dat Pierre de aanvrage niet van uit Parijs gedaan had,

vóór hij naar Rome kwam; dat zou de zekerste manier geweest zijn, om

die toegestaan te krijgen. Men hield in het Vaticaan niet van lawaai,

en wanneer het bericht van de aankomst van den jongen priester zich

verspreidde, en er over de motieven, die hem hier brachten, gesproken

werd, zou alles verloren zijn.

Maar toen Nani hoorde, dat Narcisse aangeboden had Pierre voor te

stellen aan den Franschen gezant bij den Heiligen Stoel, scheen hij

weer ongerust te worden en protesteerde daar krachtig tegen.

"Neen, neen, doe dat niet! dat zou uiterst onverstandig en

onvoorzichtig zijn!... In de eerste plaats loopt u gevaar den gezant,

wiens positie in die soort van zaken steeds zeer delicaat is, in

ongelegenheid te brengen. En als het hem mislukt, zou het uit zijn,

zoudt ge niet de minste kans hebben de gevraagde audiëntie door

bemiddeling van anderen te verkrijgen, want men zou de eigenliefde

van den gezant niet willen kwetsen door aan een ander wel toe te

staan wat men hem weigert."

Angstig keek Pierre Narcisse aan, die weifelend en aarzelend zijn

hoofd schudde.

"Inderdaad," begon Narcisse eindelijk, "hebben we onlangs

voor een hoogen Franschen politicus een audiëntie gevraagd,

die geweigerd is. Dat heeft een zeer onaangenamen indruk op ons

gemaakt... Monseigneur heeft gelijk. Wij moeten den gezant in

reserve houden en hem slechts gebruiken, wanneer alle andere middelen

uitgeput zijn."

En toen hij de teleurstelling van Pierre zag, ging hij met zijn gewone

welwillendheid voort:

"Ons eerste bezoek zal dus aan mijn neef op het Vaticaan zijn."

Verbaasd keek Nani den jongen man opnieuw aan.

"Op het Vaticaan? Hebt u daar een neef?"

"Ja zeker, monsignor Gamba del Zoppo."

"Gamba!... Gamba!... Ja, ja, neem me niet kwalijk, nu herinner ik het

me... Wilt u probeeren door Gamba toegang te krijgen bij den paus? Het

is ongetwijfeld een idee... We zullen zien... we zullen zien..."

Verscheidene malen herhaalde hij den zin om zich tijd te geven het

denkbeeld bij zichzelf te overwegen. Monsignor Gamba del Zoppo was

een braaf man, speelde in het geheel geen rol; in het Vaticaan was

het reeds een legende geworden, dat hij een nul was. Hij amuseerde

met zijn praatjes den paus, dien hij op overdreven wijze vleide en die

graag aan zijn arm in de tuinen wandelde. Op die wandelingen kreeg hij

makkelijk allerlei kleine gunsten. Maar hij was buitengewoon bang,

hij vreesde zoo zeer zijn invloed te compromitteeren, dat hij geen

verzoek waagde, zonder lang en breed overwogen te hebben of er geen

schade voor hem zelf uit kon voortvloeien.

"Het idee is niet kwaad," verklaarde Nani eindelijk. "Gamba zal zeker

een audiëntie voor u kunnen verkrijgen, als hij wil... Ik zal ook

met hem gaan spreken en hem de zaak uitleggen..."

Ten slotte gaf hij nogmaals den raad uiterst voorzichtig te zijn. Hij

waagde het zelfs te zeggen, dat men tegenover de omgeving van den

paus niet wantrouwend genoeg kon zijn. Ach ja, Zijne Heiligheid

was zoo goed, geloofde zoo blindelings in het goede, dat zij niet

altijd haar vertrouwde gekozen had met die kritische zorgvuldigheid,

welke daartoe eigenlijk noodig was. Nooit wist men tot wien men zich

wendde noch in welke val men zijn voet zetten kon. Zelfs gaf hij te

verstaan, dat men zich in geen geval direct tot Zijne Eminentie den

Staatssecretaris wenden moest, omdat deze zelf niet vrij was en zich

in het middelpunt bevond van een haard van intriges, die zijn beste

bedoelingen verlamde. Terwijl hij langzaam en zalvend zoo sprak,

rees het Vaticaan voor de beide anderen op als een land, dat door

ijverzuchtige en verraderlijke draken bewaakt wordt, een land, waarin

men geen drempel overschrijden, geen pas wagen, geen hand uitsteken

kon, zonder zich van te voren vergewist te hebben, dat men er niet

zijn geheele lichaam bij verliezen zou.

Meer en meer verkild en weer in onzekerheid terugvallend, bleef Pierre

naar hem luisteren.

"Lieve God!" riep hij uit; "ik weet heusch niet meer wat ik doen

moet... U beneemt mij allen moed, monseigneur!"

Nani vond zijn hartelijk glimlachje terug.

"Ik, mijn waarde zoon? Dat zou mij zeer spijten... Ik wil u slechts

herhalen: wacht, denk na! En vooral geen overijling! Er is niets geen

haast bij, dat bezweer ik u, want eerst gisteren is een deskundige

benoemd, die rapport over uw boek moet uitbrengen. U hebt nog een

heele maand voor u... Vermijd zooveel mogelijk alle gezelschappen,

leef zonder dat men van uw bestaan iets weet, bezoek Rome kalm en

rustig, dat is de beste manier om uw zaak te bevorderen."

En terwijl hij de hand van den priester in zijn beide aristocratische,

volle en zachte handen nam:

"U begrijpt wel, dat ik mijn redenen heb, om zoo met u te spreken... Ik

zou mezelf aangeboden hebben, het zou me een eer geweest zijn u

regelrecht naar Zijne Heiligheid te brengen. Maar ik wil er mij op dit

oogenblik nog niet in mengen, ik geloof, dat zulks op dit oogenblik

nog niet goed zijn zou. Later, wanneer niemand geslaagd is, zal ik

voor u een audiëntie weten te verkrijgen. Daar verbind ik me plechtig

toe... Maar vermijd, wat ik u bidden mag, intusschen woorden als nieuwe

godsdienst, die ongelukkigerwijze in uw boek voorkomen en die ik u

gisterenavond nog heb hooren uitspreken. Er kan geen nieuwe godsdienst

zijn, mijn waarde zoon, er is slechts één eeuwige godsdienst, waarbij

geen compromis of vergelijk mogelijk is, de Katholieke, Apostolische,

Roomsche godsdienst. Laat eveneens uw Parijsche vrienden waar zij

zijn, en reken niet al te zeer op kardinaal Bergerot, wiens groote

godsvrucht hier te Rome niet genoeg gewaardeerd wordt... Ik verzeker u,

dat ik dat zeg als uw vriend."

Toen hij echter zag, dat Pierre geheel overstuur en als gebroken

was en niet meer wist van welken kant hij de zaak moest aanvatten,

troostte hij hem opnieuw.

"Kom, kom, het zal wel gaan. Alles zal zich ten goede schikken tot

heil van de Kerk en van u zelf. Maar nu moet ik u verlaten, ik zal

Zijne Eminentie vandaag niet meer zien, want het is mij onmogelijk

langer te wachten."

Abbé Paparelli, dien Pierre loerend achter hen had zien rondsluipen,

snelde toe en zeide tot monsignor Nani, dat er nog slechts twee

personen voor hem waren. Maar de prelaat antwoordde zeer vriendelijk,

dat hij terug zou komen: de zaak, waarover hij Zijne Eminentie spreken

wilde, had volstrekt geen haast. En met een beleefden groet aan allen

ging hij heen.

Bijna onmiddellijk daarna kwam de beurt aan Narcisse. Voor hij de

troonzaal binnenging, drukte hij Pierre de hand en zeide nogmaals:

"Dus dat is afgesproken. Ik zal morgen met mijn neef op het Vaticaan

gaan spreken; en zoodra ik een antwoord heb, zal ik het u doen

weten. Tot ziens!"

Het was over twaalven, er was niemand meer dan een der twee oude dames,

die ingeslapen scheen te zijn. Aan zijn klein tafeltje schreef don

Vigilio nog steeds met zijn krabbelschrift op de groote, geelachtige

vellen. Slechts nu en dan keek hij van het papier op als om zich in

zijn voortdurend wantrouwen te vergewissen, dat er geen gevaar voor

hem was.

In de droefgeestige stilte, die weer neerviel, bleef Pierre nog een

oogenblik onbeweeglijk in de groote vensternis staan. Hoe vol angst

was zijn arme, gevoelige dwepersziel. Toen hij Parijs verliet, had

hij alles zoo eenvoudig, zoo natuurlijk gevonden! Men beschuldigde hem

onrechtvaardig: welnu, hij ging zich verdedigen, kwam aan, wierp zich

voor de voeten van den paus, die welwillend naar hem luisterde. Was

de paus niet de levende godsdienst, de geest, die begrijpt, de

gerechtigheid, die de waarheid maakt! En was hij niet vóór alles de

Vader, de afgezant van de eindelooze vergiffenis, van de goddelijke

barmhartigheid, wiens armen geopend bleven voor alle kinderen der

Kerk, zelfs de meest schuldigen? Moest hij zijn deur niet wijd open

laten staan, opdat de nederigsten van zijn kinderen zouden kunnen

binnentreden, om hem hun leed te klagen, hun schuld te bekennen, hun

gedrag te verklaren, uit de bron der eeuwige goedheid te drinken? En

op den eersten dag van zijn aankomst sloten zich alle deuren, viel

hij in een vijandige wereld, bezaaid met valstrikken en versperd

door afgronden. Allen riepen hem toe op zijn hoede te zijn, alsof

hij de ernstigste gevaren liep, wanneer hij zich daarin waagde. De

wensch den paus te spreken was een exorbitante aanmatiging, een zoo

moeilijke zaak, dat zij de belangen, de hartstochten en de invloeden

van het Vaticaan in beweging bracht. Het waren raadgevingen zonder

eind, handigheden, die lang besproken werden, taktieken van generaals,

die een leger ter overwinning leiden, onophoudelijk nieuw ontstaande

verwikkelingen te midden van duizenden intriges, die men onder zich

voelde voortwoekeren! Groote God, wat was dat alles heel anders dan

de verwachte liefderijke ontvangst, dan het huis van den herder aan

den weg, dat voor alle schapen, de gedweeë en de verdwaalde, openstaat!

Wat Pierre echter het meest bang maakte was, dat hij voelde,

dat zich in de donkerte iets slechts bewoog. Kardinaal Bergerot

verdacht, aangezien voor een revolutionnair, zoo compromitteerend,

dat men hem aanried zijn naam niet meer te noemen! Hij zag weer den

minachtend-spottenden trek om den mond van kardinaal Boccanera, wanneer

hij over zijn collega sprak. En monsignor Nani, die hem waarschuwde

woorden als nieuwe godsdienst niet meer te gebruiken, alsof het

voor allen niet duidelijk was, dat die woorden den terugkeer van

het Katholicisme tot de oorspronkelijke reinheid van het Christendom

beteekenden? Was dat dan een der misdaden, die bij de Indexcongregatie

aangegeven waren? Hij begon langzamerhand te vermoeden, wie die

aanklagers waren, en hij werd bang, want hij was zich thans bewust,

dat een onderaardsche aanval, een krachtige poging gedaan werd om

zijn werk neer te slaan en te vernietigen. Alles wat hem omgaf,

scheen hem nu verdacht toe. Hij wilde zijn krachten verzamelen, om

zich heen zien en die zwarte kringen in Rome, die hij nooit verwacht

had daar te zullen aantreffen, bestudeeren. Maar in het verzet van

zijn apostelgeloof zwoer hij zichzelf een plechtigen eed, dat hij,

zooals hij reeds gezegd had, nooit zou wijken of toegeven, niets

zou veranderen, geen bladzijde, geen regel van zijn boek, dat hij

in het openbaar als het onwankelbare getuigenis van zijn geloof zou

handhaven. Wanneer het moest, zou hij de Kerk verlaten, een afvallige

worden, den nieuwen godsdienst blijven prediken, een nieuw boek

schrijven--het ware Rome thans, zooals hij het nu vaag begon te zien.

Inmiddels was don Vigilio opgehouden met schrijven en keek Pierre met

zulk een strakken blik aan, dat deze eindelijk uit beleefdheid naar

hem toe ging, om afscheid te nemen. Ondanks zijn angst toegevend aan

een drang om te spreken, fluisterde de secretaris:

"U begrijpt zeker wel, dat hij voor u alleen gekomen is, hij wilde

alleen het resultaat van uw onderhoud met Zijne Eminentie weten."

De naam van monsignor Nani behoefde niet uitgesproken te worden.

"Gelooft u dat werkelijk?"

"Daaraan valt niet te twijfelen... En indien u van mij een goeden raad

wilt aannemen, doe dan onmiddellijk uit eigen beweging wat hij van u

verlangt, want het is absoluut zeker, dat u het later toch doen zult."

Dat maakte Pierre nog angstiger en wanhopiger. Met een uitdagend gebaar

ging hij weg. Zij zouden wel merken, of hij gehoorzaamde. En de drie

antichambres, die hij weer doorging, schenen nu nog donkerder, nog

lediger, nog doodscher. In de tweede groette abbé Paparelli hem met

een kleine, zwijgende buiging; in de eerste scheen de ingedommelde

knecht hem zelfs niet te zien. Onder den baldakijn weefde tusschen de

kwasten van den grooten rooden hoed een spin zijn net. Zou het niet

beter geweest zijn het houweel te zetten in dat geheele rottende,

in puin vallende verleden, opdat de zon vrij binnen schijnen en aan

den gereinigden bodem de vruchtbaarheid der jeugd teruggeven kon?

De drie steden: Rome · 第 11 / 27 题