Door verschillende vertragingen tusschen Pisa en Civita-Vecchia
kwam abbé Pierre Froment na een moeilijke en vermoeiende reis
van vijf-en-twintig uur eerst tegen negen uur 's ochtends te Rome
aan. Hij had slechts een handkoffertje bij zich, sprong, te midden
van het gedrang der aankomst, vlug uit de coupé, ontweek, daar hij
gaarne alleen zijn en zien wilde, de op hem toeschietende witkielen
en droeg zelf zijn lichte bagage. Voor het station, op het Plein der
Vijfhonderd, stapte hij in een der langs het trottoir gestationneerde
open rijtuigen, zette zijn handkoffertje naast zich en riep den
koetsier het adres toe:
"Villa Giulia, palazzo Boccanera."
Het was 3 September, een Maandag, de hemel was helder, mild en
wondermooi-doorschijnend. De koetsier, een klein, rond mannetje,
met schitterende oogen en witte tanden, glimlachte, toen hij aan het
accent een Franschen priester herkende. Hij legde de zweep over zijn
paard en het rijtuig schoot dadelijk voort in den vluggen gang, die
deze zoo zindelijke en vroolijke Romeinsche rijtuigjes kenmerkt. Maar
bijna onmiddellijk nadat zij de boompjes van het kleine pleintje
voorbijgereden en op het plein der Thermen [1] gekomen waren, keerde
hij zich om en wees, nog steeds glimlachend, wet zijn zweep op de
bouwvallen.
"De Thermen van Diocletianus," zeide hij, als voorkomend koetsier, die
er steeds op uit was bij de vreemdelingen in een goed blaadje te komen,
ten einde zich van hun clientèle te verzekeren, in slecht Fransch.
Van de hoogten van den Viminalis, waarop het station staat, reed
het rijtuigje in snelle vaart de sterk-hellende Via Nazionale af. En
van dat oogenblik hield hij niet op, bij ieder monument zijn hoofd
om te draaien en er met de zweep op te wijzen. In dat gedeelte van
de lange straat waren slechts nieuwe gebouwen. Iets verderop rechts
verhieven zich met groen bedekte heuvels, waarop een eindeloos geel
en kaal gebouw, een klooster of een kazerne, oprees.
"Het Quirinaal, het paleis van den koning," zeide de koetsier.
Sedert, een week geleden, tot de reis besloten was, had Pierre
alle dagen ijverig op plattegronden en in boeken de topographie van
Rome bestudeerd, zoodat hij zich uitstekend had kunnen oriënteeren,
zonder naar den weg te vragen. De aanwijzingen van den koetsier had
hij dan ook volstrekt niet noodig. Doch de plotselinge dalingen,
de onophoudelijke stijgingen, die sommige wijken als in etagevormige
terrassen verdeelden, brachten hem toch telkens even in de war. Maar
de stem van den koetsier verhief zich, hoewel eenigszins ironisch,
en zijn zweep beschreef een wijderen kring, toen hij den naam van
een reusachtig, nieuw en nog vochtig gebouw aan den linkerkant
wees, een reusachtig blok van steenen, overladen met beeldhouwwerk,
gevelversieringen en beelden.
"De Nationale Bank."
Lager, toen het rijtuigje een driehoekig plein opreed, zag Pierre,
opkijkend, tot zijn verrukking op een hoogen, gladden muur een
hangenden tuin, waarin het elegante en krachtige profiel van een
honderdjarigen piniepijnboom zich in den helderen hemel verhief. Hij
voelde den vollen trots en de volle bekoring van Rome.
"De villa Aldobrandini."
Nog verder en lager deed een vlug en vluchtig visioen zijn geestdrift
nog meer ontvlammen. Weer maakte de straat een plotselinge bocht,
toen zich plotseling in den hoek een lichte opening toonde. Van boven
naar beneden gezien was het een wit plein als een zonneschacht,
gevuld met een verblindend goudstof; en in die ochtendpracht rees
een reusachtige marmeren zuil, die aan den kant, waar de dagvorstin
haar bij haar opkomst in haar stralen baadde, als verguld was. Hij
was verrast, toen de koetsier hem den naam noemde, want hij had zich
haar niet zoo voorgesteld in dat verblindend witte gat te midden der
naburige schaduwen.
"De Trajanuszuil."
Onder aan de helling maakte de straat een laatste kromming. Steeds
weer noemde in de snelle vaart de koetsier nieuwe namen: den palazzo
Colonna, welks tuin door slanke cypressen omgeven is; den palazzo
Torlonia, voor de helft met den grond gelijk gemaakt ter wille van
nieuwe verfraaiingen; den palazzo di Venezia kaal en angstaanjagend
door zijn met kanteelen voorziene muren en zijn tragische strengheid
van middeleeuwsche, in het hedendaagsche burgerlijke leven vergeten
vesting. Tegenover dat onverwachte aspect der dingen nam Pierre's
verbazing steeds toe. Maar vooral werd hij getroffen, toen de koetsier
hem triomphantelijk met zijn zweep den Corso wees, een lange, nauwe
straat, nauwelijks zoo breed als de Parijsche rue Saint-Honoré,
links in den vollen zonneschijn, rechts in donkere schaduwen liggend,
terwijl in de verte de piazza del Popolo als het ware een ster van
licht vormde: was dat nu het hart der stad, de beroemde promenade,
de levende hoofdader, waarheen al het bloed van Rome stroomde?
Reeds sloeg het rijtuigje den corso Victor-Emanuele in, de
voortzetting van de Via Nazionale; dat zijn de twee openingen, die
van het eene einde der oude stad naar het andere, van het station
tot de Heilige-Engelenbrug gesneden zijn. Links lag de ronde apsis
van de kerk Il Gesù blond in de vroolijke ochtendzon. Tusschen de
kerk en den loggen palazzo Altieri, dien men niet tegen den grond
had durven werpen, werd de straat nauwer, kwam men in een vochtige,
koude donkerte. Doch daar voorbij, vóór den gevel van de kerk Il
Gesù, op het plein, scheen de zon weer verblindend en fel, terwijl
in de verte, op den achtergrond van de Via d'Aracoeli, die eveneens
in schaduw gehuld was, bezonde palmboomen opschoten.
"Daar ginds ligt het Capitool," zeide de koetsier.
De priester boog zich uit het rijtuigje, maar hij zag niets dan een
groene vlek aan het einde van de donkere steile helling. De plotselinge
overgangen van warm licht in koude schaduw deden hem huiveren. Voor
den palazzo di Venezia en voor de kerk Il Gesù had hij een gevoel
gehad alsof de geheele nacht van lang vervlogen dagen op hem drukte;
dan bij ieder plein, bij iedere verbreeding der nieuwe straten was
het als een terugkeer in het licht, in de vroolijke, milde warmte
van het leven. De stralen van de gele zon vielen langs de daken af
en teekenden duidelijk de violette schaduwen af. Tusschen de gevels
door zag men plekken diepblauwen, zeer helderen hemel. De lucht,
die hij inademde, gaf hem een bijzonderen, onbestemden smaak, een
vruchtensmaak, die in hem zijn reiskoorts verhoogde.
Ondanks zijn onregelmatigheid is de corso Victor-Emanuele een
zeer mooie, moderne straat; en Pierre kon zich in de een of andere
groote stad met groote huurkazernes wanen. Maar toen hij langs de
Cancellaria, het meesterwerk van Bramante, het karakteristieke monument
in Romeinsche Renaissance, reed, kwam zijn verwondering weer en keerde
hij in zijn geest terug naar de reeds geziene paleizen, naar die kale,
kolossale en plompe architectuur, die reusachtige steenkubussen,
die denken deden aan hospitalen of gevangenissen. Nooit had hij
zich de beroemde Romeinsche paleizen zoo zonder gratie of phantasie,
zoo zonder uiterlijke pracht voorgesteld. Het was beslist heel mooi,
hij zou het ten slotte wel begrijpen, maar hij moest er aan wennen,
zich erin leven.
Plotseling verliet het rijtuigje den drukken corso Victor-Emanuele
en sloeg kronkelende straatjes in, waarin het slechts met moeite
vooruitkwam. Na de heldere zon in de drukte der nieuwe stad kwam de
kalmte, de eenzaamheid der slapende en koude, oude stad. Hij riep de
plattegronden, die hij bestudeerd had, in zijn geheugen terug en zeide
tot zichzelf, dat hij nu in de nabijheid der Via Giulia zijn moest;
en zijn steeds grooter geworden nieuwsgierigheid nam nu zelfs zoo
toe, dat hij er pijn van begon te krijgen, wanhopig, dat hij er niet
dadelijk meer van zag, meer van wist. Zijn verbazing de dingen niet zóó
te vinden als hij ze verwacht had, en de schokken, die zijn phantasie
kreeg, deden den koortsachtigen toestand, waarin hij zich sedert zijn
vertrek bevond, nog erger worden, deden de vurige begeerte in hem
ontstaan, om zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk te bevredigen. Het
was pas even over negenen, hij had den geheelen ochtend voor zich,
om zich aan den palazzo Boccanera aan te melden: waarom zou hij zich
niet dadelijk naar de klassieke plek, naar den heuveltop rijden laten,
vanwaar men geheel Rome op zijn zeven heuvelen zag liggen? Toen die
gedachte eenmaal bij hem opgekomen was, kwelde zij hem zóó, dat hij
ten slotte eraan toegaf.
De koetsier keerde zich niet meer om en Pierre moest opstaan, om hem
het nieuwe adres te geven.
"Naar San Pietro in Montorio."
De man was verbaasd, scheen hem niet te begrijpen. Met zijn zweep
wees hij, dat het daarginds, heel in de verte was. Toen echter de
priester bleef volhouden, begon hij weer vriendelijk te glimlachen
en knikte amicaal met zijn hoofd. Goed, goed, hij had er niets tegen.
Het paard draafde te midden van den doolhof der nauwe straten in
sneller tempo verder. Eerst volgden zij er een, dat als beklemd lag
tusschen hooge muren en waarin de zon als onder in een put scheen. Aan
het einde ervan werd het plotseling weder licht en staken zij over
de oude brug van Sixtus IV den Tiber over. Rechts en links strekten
zich in den ravage en tusschen het nieuwe cement der bouwwerken de
nieuwe kaden uit. Aan de overzijde was de Trastevere geheel tegen
den grond geworpen; het rijtuigje reed langs een breeden weg, die
zooals op groote borden te lezen was, den naam Garibaldi droeg,
de helling van den Janiculus op. Voor de laatste maal maakte de
koetsier zijn gemoedelijk-trotsch gebaar, toen hij den naam van de
triomfstraat noemde.
"Via Garibaldi."
Het paard moest zijn gang wat inhouden, en Pierre, aangegrepen door
een kinderlijk ongeduld, keerde zich om, om te zien, naarmate achter
hem de stad zich meer uitbreidde en ontrolde. Het stijgen duurde lang,
steeds weer rezen tot aan de verre heuvels nieuwe stadswijken op. Dan
vond hij in de toenemende opwinding, welke zijn hart deed kloppen, dat
hij de bevrediging van zijn begeerte bedierf door haar in deze langzame
en gedeeltelijke overwinning van den horizont te verbrokkelen. Hij
wilde in eens alles zien, geheel Rome, de heilige stad, in één blik
omvatten. En ondanks zijn hartstochtelijk verlangen had hij de kracht,
niet meer om te kijken.
Boven bevindt zich een uitgestrekt terras. De kerk San Pietro in
Montorio bevindt zich daar op de plaats, waar volgens de overlevering
Petrus gekruisigd werd. De plaats is kaal en door te felle zomerzon
roodachtig gebrand, terwijl iets verder daarachter het heldere,
ruischende water der Acqua Paola in een eeuwige frischheid in dikke
bellen uit de drie bekkens van de monumentale fontein stroomt. Tegen
de borstwering, die langs het loodrecht op den Trastevere neerziende
terras loopt, rijen zich steeds touristen, magere Engelschen,
breedgeschouderde Duitschers, die, gapend van traditioneele
bewondering, hun reisgids, dien zij raadplegen, om de monumenten te
herkennen, in hun hand houden.
Pierre sprong vlug uit zijn rijtuig, liet zijn handkoffertje op het
bankje liggen en gaf den koetsier een teeken om te wachten; deze
bracht zijn rijtuigje in de rij en bleef in wijsgeerige kalmte op den
bok zitten, in de volle zon, zijn hoofd voorovergebogen evenals zijn
paard, beiden bij voorbaat berustend in het lange wachten, dat zij
daar gewoonlijk doen moesten.
Reeds stond Pierre in zijn nieuwe zwarte soutane, zijn bloote
handen zenuwachtig samengeknepen en brandend van koorts, tegen de
borstwering en keek, keek met zijn geheele ziel. Rome! Rome! De Stad
der Caesars, de Stad der Pausen, de Eeuwige Stad, die tweemaal de
wereld veroverd heeft, de uitverkoren Stad van den vurigen droom,
dien hij sedert maanden droomde! Daar was zij eindelijk, zag hij
haar! De onweersbuien der vorige dagen hadden de groote Augustushitte
verjaagd. De wondermooie Septemberochtend lag frisch onder den
doorzichtig-blauwen, vlekkeloozen, eindeloozen hemel. Het was een
in zachtheid badend Rome, een droom-Rome, dat zich in de heldere
ochtendzon scheen te vervluchtigen. Een fijn, blauwachtig waas, maar
nauwlijks zichtbaar en teer als gaas, zweefde over de dalen der lager
gelegen wijken, terwijl de uitgestrekte Campagna en de verre bergen
zich in een licht-rose verloren.
In den beginne kon hij niets onderscheiden, wilde hij zich
tot geen enkele bijzonderheid bepalen, gaf hij zich aan geheel
Rome, aan den levenden kolos, die daar op dezen door het stof van
geslachten gevormden bodem voor hem lag. Iedere eeuw had als door de
groeikracht van een onsterfelijke jeugd zijn roem hernieuwd. Maar wat
hem vooral aangreep, wat zijn hart met groote slagen kloppen deed,
dat was, dat hij Rome vond, zooals hij ernaar verlangd had: in zijn
ochtend-frischheid en verjongd, licht en vroolijk, onlichamelijk
bijna en in dezen helderen dageraad van een mooien dag glimlachend
in de hoop op een nieuw leven.
Toen doorleefde Pierre, onbeweeglijk staande voor den verheven
horizont, zijn brandende handen nog steeds saamgeknepen, in enkele
minuten opnieuw de drie laatste jaren van zijn leven. O, welk een
vreeselijk jaar was dat eerste geweest, dat hij in zijn klein huisje
te Neuilly doorgebracht had, de deuren en ramen steeds gesloten;
hij had zich ingegraven als een gewond dier, dat in doodsstrijd
verkeert. Hij was met een gestorven ziel, met bloedend hart uit
Lourdes teruggekomen; niets was in hem overgebleven dan asch. Stilte
en nacht waren op de puinhoopen van zijn liefde en van zijn geloof
neergedaald. Dagen en dagen verliepen zonder dat hij zijn aderen
hoorde kloppen, zonder dat een licht opkwam, dat het duister van zijn
verlatenheid verhelderde. Hij leefde als een machine, hij wachtte tot
zijn moed terugkeeren zou, om het leven in naam van de souvereine
rede, die hem alles had doen opofferen, weer op te vatten. Waarom
was hij niet veerkrachtiger en sterker, waarom paste hij zijn leven
niet kalm aan zijn nieuwe overtuigingen aan? Waarom wijdde hij zich,
nu hij, trouw aan een innige liefde en met afschuw voor een meineed, de
soutane niet wilde afleggen, niet aan een wetenschap, die den priester
veroorloofd is, de sterrenkunde of de archaeologie? Maar iemand in
hem weende, zijn moeder ongetwijfeld, een grenzenlooze teederheid
die nog nooit bevredigd was en eraan wanhoopte ooit bevrediging te
zullen vinden. Het was de voortdurende smart over zijn eenzaamheid,
de opengebleven wond in zijn ziel, ondanks den eerbied, dien zijn
herwonnen rede hem weer voor zichzelf had doen krijgen.
Dan, op een herfstavond, bij een sombere regenlucht, bracht het toeval
hem in aanraking met een ouden priester, abbé Rose, vicaris aan de
Sainte-Marguerite in de voorstad Saint-Antoine. Hij zocht hem op in
zijn woning in de rue de Charonne, een vochtigen rez-de-chaussée,
bestaande uit drie vertrekken, welke hij in een asyl voor kleine
kinderen, die hij in de naburige straten vond, veranderd had. Van
dat oogenblik af kwam er een geheele omkeer in zijn leven, een
nieuw en machtig belang was er als het ware in binnengetreden, hij
werd langzamerhand de hartstochtelijk-ijverige helper van den ouden
priester. Van Neuilly naar de rue de Charonne was een lange weg. In
den beginne ging hij slechts tweemaal per week, later dagelijks al
's morgens vroeg, om 's avonds pas naar huis terug te gaan.
De drie vertrekken waren niet voldoende meer, hij had er de eerste
etage bij gehuurd en daar een kamer voor zich zelf gereserveerd, waar
hij dikwijls slapen bleef. Zijn geheele kleine rente ging met deze
hulp aan de arme kinderen, die onmiddellijk verleend moest worden,
weg; en de oude priester, verrukt en tot tranen toe geroerd door
deze jeugdige toewijding, die als het ware uit den hemel kwam vallen,
omhelsde hem weenend en noemde hem een kind Gods.
Nu leerde Pierre de ellende, de misdadige, afschuwelijke ellende,
kennen, leefde twee jaar lang met en bij haar. Het begon met kleine
wezentjes, die hij op straat opraapte of die, nu het asyl in de geheele
wijk bekend was, medelijdende buren bij hem brachten: jongetjes en
meisjes, de allerkleinsten, die op straat terecht gekomen waren,
terwijl de vaders en moeders werkten, dronken of stierven. Dikwijls
was de vader verdwenen, gaf de moeder zich aan prostitutie over;
dronkenschap en ontucht waren met den stilstand van het werk de woning
binnengetreden. Dan kwam het nest op straat, de jongsten stierven van
koude en honger in de goot, terwijl de oudsten wegvlogen, ontucht en
misdaad tegemoet.
Op een avond had hij in de rue de Charonne twee kleine jongetjes,
broertjes, die hem zelfs niet eens konden zeggen waar zij vandaan
kwamen, onder de wielen van een zwaren lastwagen gehaald. Een anderen
avond kwam hij met een klein meisje in zijn armen thuis, een blond
engeltje van een jaar of drie, dat hij huilende op een bank, waar
haar moeder haar te vondeling gelegd had, had gevonden. Later ging
hij van die magere en jammerlijke uit het nest getuimelde vogeltjes
als vanzelf tot de ouders over, drong hij van de straten de donkere
holen binnen, waagde hij zich iederen dag verder in die hel, waarvan
hij langzamerhand de vreeselijke verschrikking kennen leerde. Zijn
hart bloedde van angst en ontzetting in het diep-treurige bewustzijn,
dat zijn hulp vergeefsch was.
O, welke verschrikkelijke tochten maakte hij gedurende die twee
jaar, welke zijn geheele wezen schokten, in die jammerlijke stad van
ellende, den bodemloozen afgrond van menschelijk verval en menschelijke
ellende! In deze wijk Sainte-Marguerite, midden in het hart van de
drukke en bedrijvige voorstad Saint-Antoine ontdekte hij smerige
huizen, geheele steegjes lucht- en lichtlooze woningen, vochtig
als kelders, waarin, vergiftigd, een geheele bevolking ongelukkigen
vervuilde en met den dood streed. Op de wankele trap gleed de voet
in het opgehoopte vuil uit. Op iedere verdieping begon steeds weer
dezelfde armoede, die tot de grootste onreinheid, tot de afschuwlijkste
manier van samenleven vervallen was. Ramen ontbraken, de wind joeg door
de vertrekken, de regen sloeg in stroomen binnen. Velen sliepen op den
kalen grond zonder zich ooit uit te kleeden. Geen meubels, geen linnen,
het was als het leven van dieren, zij zochten bevrediging en troost,
waar zij die vinden konden.
Alle geslachten, alle leeftijden waren daar opgehoopt; al die
menschen keerden door gebrek aan het allernoodzakelijkste, door zulk
een armoede, dat men er om de kruimels, die van de tafels der rijken
geveegd werden, vocht, tot het dierlijke terug. Het ergste daar was
het zedelijk verval der menschelijke natuur: het was niet meer de
vrije wilde, die in de oerwouden naakt rondliep, joeg en zijn buit
opat, maar de geciviliseerde, weer tot het dier teruggekeerde mensch
met al de brandmerken van zijn verval, bezoedeld, verliederlijkt,
verzwakt te midden van de luxe en de verfijning van een stad, die de
koningin der wereld is.
In iedere woning vond Pierre dezelfde geschiedenis terug. In den
beginne was er jeugd en vroolijkheid geweest, was de wet van den arbeid
moedig erkend. Daarna was de onvoldaanheid gekomen: waartoe diende
het altijd te werken, als men toch niet rijk werd. De man begon te
drinken, om ook zijn deel aan het geluk te hebben, de vrouw had haar
huishouden veronachtzaamd, dronk soms zelfs ook, liet de kinderen
in het wilde opgroeien. Het jammerlijke milieu, de onwetendheid en
het op elkaar wonen hadden het overige gedaan. Nog meer was echter
werkeloosheid de schuld van alles. Deze stelt er zich niet tevreden
mede het overgespaarde geld op te maken, maar zij put ook den moed uit,
went aan luiheid. Terwijl maandenlang de werkplaatsen leeg staan,
worden de armen slap. Onmogelijk in dat zoo koortsachtig drukke en
werkende Parijs het minste werk te vinden.
's Avonds komt de man huilend thuis; overal heeft hij zijn armen
aangeboden, het is hem zelfs niet gelukt voor straatveger in aanmerking
te komen, want het baantje is gewild en je hebt er protectie voor
noodig. Is het niet monsterachtig dat in deze groote stad, waar de
millioenen op het plaveisel fonkelen en rinkelen, een man, die werk
zoekt, dat niet vinden en daarom niet eten kan. De vrouw eet niet,
de kinderen eten niet. Dan komt de zwarte honger, de verdierlijking,
dan het verzet en de opstand; alle maatschappelijke banden worden
onder die schandelijke onrechtvaardigheid tegenover arme schepsels,
die hun zwakheid ter dood veroordeelde, verbroken. En op welk een
lijdenssponde valt de oude werkman, wiens armen door vijftig jaren van
zwaren arbeid geheel opgebruikt zijn, zonder dat hij een cent ter zijde
heeft kunnen leggen, neer om te sterven? Of moest men hem op den dag,
dat hij, daar hij niet meer werken kon, niet meer at, met een hamer
moeten afmaken als een tot niets nut meer zijnd lastdier? Bijna allen
sterven in het ziekenhuis. Anderen verdwijnen, zonder dat iemand zich
om hen bekommert, medegesleept door den modderstroom der straat. Op een
ochtend vond Pierre in een walgelijk krot op half vergaan stroo er een,
die verhongerd was, daar, terwijl de ratten zijn gezicht afgeknaagd
hadden, een week gelegen had, zonder dat iemand naar hem had omgekeken.
Maar op een avond van den laatsten winter vloeide zijn hart van
medelijden over. 's Winters wordt het lijden der ongelukkigen in
die onverwarmde krotten, waar de sneeuw door de spleten dringt,
afzichtelijk. De Seine kruit, de grond is met ijs bedekt, verschillende
takken van industrie moeten stilliggen. In de wijken der voddenrapers,
die tot niets doen gedwongen zijn, loopen benden jongens blootsvoets en
nauwlijks gekleed, hongerig en hoestend rond en worden door plotselinge
windvlagen der tering weggemaaid. Hij vond heele huisgezinnen,
moeders met vijf of zes kinderen, op elkaar gedrukt, om het toch maar
'n beetje warm te hebben, en die in drie dagen niets gegeten hadden.
En toen kwam die vreeselijke avond, toen hij achter in een donkere
gang doordrong in die jammerkamer, waar een moeder zich en haar vijf
kinderen uit wanhoop en honger gedood had, een drama van ellende, waar
heel Parijs eenige uren van zou huiveren. Geen meubelstuk meer, geen
stuk linnengoed meer, alles was stuk voor stuk in de naastbijzijnde
bank van leening gebracht. Alleen het fornuis rookte nog. Op een half
ledigen stroozak was de moeder neergevallen, toen zij haar jongste,
een zuigeling van drie maanden, voedde; een droppel bloed parelde nog
op haar borst, waarnaar de gulzige lippen van den kleinen doode zich
uitstrekten. De twee meisjes, drie en vijf jaar oud, twee aardige
blondinetjes, sliepen daar ook naast elkaar haar eeuwigen slaap,
terwijl van de beide oudere jongens de een met zijn hoofd tusschen
zijn handen, tegen den muur aangedrukt lag en de andere op den grond
zijn doodsstrijd gestreden had, als had hij zich op zijn knieën
voortgesleept, om het raam open te maken.
Toegeschoten buren vertelden de alledaagsche, vreeselijke geschiedenis:
een langzame ondergang, de vader, die geen werk meer vond en misschien
aan den drank geraakt was; de huisbaas, die, het wachten moede,
dreigde het huisgezin op straat te zetten; de moeder, die, het
hoofd verliezend, wilde sterven en haar nest met haar sterven liet,
terwijl de vader vergeefs half Parijs afliep om werk te vinden. Toen
de commissaris van politie bezig was de doodsoorzaak vast te stellen,
kwam de ongelukkige juist thuis; en nadat hij gezien, nadat hij
begrepen had, sloeg hij als een gedold rund neer en begon hij te
brullen met zulke jammerlijke doodskreten, dat de geheele straat,
door ontzetting aangegrepen, mede weende.
Deze vreeselijke kreet van een ter dood veroordeeld ras, dat in ellende
en honger ondergaat, bleef in Pierre's ooren, bleef in zijn hart
doorklinken; hij kon dien avond niet eten, den slaap niet vatten. Was
het mogelijk, dat een dergelijke gruwel, een zoo volslagen armoede,
een zoo zwarte, met den dood eindigende ellende voorkwam midden in
het groote, met rijkdommen pronkende, van genietingen en genot dronken
Parijs, dat voor zijn vermaak millioenen op straat smeet? Wat, aan den
eenen kant zooveel groote fortuinen, zooveel nuttelooze, bevredigde
grillen en luimen, zooveel levens vervuld met alle mogelijke geluk;
en aan den anderen kant een zoo hardnekkige armoede, zelfs geen brood,
geen enkele hoop, moeders, die zich dooden met haar zuigelingen,
waaraan zij niets meer te geven hadden dan het bloed van haar
uitgedroogde borsten!
Een woest verzet kwam in hem op; een oogenblik drong het bewustzijn
tot hem door hoe belachelijk nutteloos weldadigheid en naastenliefde
was. Waartoe diende het te doen wat hij deed, waartoe diende het
de kleinen van de straat op te rapen, den ouders hulp te brengen,
het lijden der ouden te verlengen? Het maatschappelijk gebouw was
verrot tot in zijn grondvesten, alles moest in modder en bloed ten
onder gaan. Slechts een groote daad van gerechtigheid kon de oude
wereld wegvagen, om de nieuwe op te bouwen. En op dat oogenblik zag
hij zoo duidelijk de onherstelbare breuk, de ongeneeslijke kwaal,
den zeker doodelijken kanker der ellende, dat hij de heftige plannen
van geweldenaren begreep, dat hij zelf bereid was te erkennen, dat
een verwoestende en reinigende orkaan komen, dat de aarde door vuur
en zwaard herboren worden moest, zooals vroeger, toen de vreeselijke
God branden zond, om de vervloekte steden weer gezond te maken.
Toen abbé Rose hem dien avond hoorde snikken, ging hij naar boven,
om hem op vaderlijke wijze te beknorren. Die man was een heilige
vol oneindige zachtheid en vertrouwen. Wat, wanhopig zijn, lieve
God, terwijl het Evangelie bestaat! Was de goddelijke grondstelling:
"Hebt elkander lief!" niet voldoende voor het heil der menschheid? Hij
had een afschuw van geweld en zeide, dat, hoe groot de ellende ook
zijn mocht, er toch snel een einde aan zou komen, zoodra men terug
zou keeren tot het tijdperk van eenvoud, deemoed en reinheid, toen
de Christenen als schuldelooze broeders met elkaar leefden. Welk
een heerlijke schildering gaf hij van de Evangelische maatschappij,
welker terugkeer hij met een rustige vroolijkheid opriep, alsof deze
zich den volgenden dag verwezenlijken zou. En Pierre moest ten slotte
glimlachen, behagen scheppen in dat mooie troostende sprookje, in zijn
behoefte om aan die vreeselijke nachtmerrie te ontkomen. Zij praatten
tot laat in den nacht en zetten de volgende dagen het gesprek over
dit onderwerp, dat den ouden priester zoo lief was, voort. Telkens
weer weidde hij uit over nieuwe bijzonderheden, sprak hij van het
komend koninkrijk van liefde en rechtvaardigheid met de ontroerende
overtuiging van een goed man, die zeker was niet te zullen sterven
zonder God op aarde gezien te hebben.
Toen vond in Pierre een nieuwe omwenteling plaats. De uitoefening der
liefdadigheid in die arme wijk had hem met een eindelooze deernis
vervuld: zijn hart was door het zien van die ellende, aan welker
genezing hij wanhoopte, geschokt, verscheurd. En door het weder
ontwaken van zijn gevoeligheid voelde hij dikwijls, dat zijn rede naar
den achtergrond gedrongen werd; hij keerde tot zijn kindsheid terug,
tot die behoefte aan universeele liefde, welke zijn moeder in hem
gelegd had. Hij droomde van hersenschimmige opbeuring, verwachtte een
hulp van onbekende machten. Zijn vrees, zijn haat voor de brutaliteit
der feiten wierpen hem in een steeds grooter wordend verlangen naar
redding door liefde. Het was de hoogste tijd, om de vreeselijke,
onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de
oude wereld zou wegvagen, welke veroordeeld was onder de opeenhooping
van misdaden te verdwijnen, te bezweren. Tot in het diepst van zijn
ziel overtuigd, dat de ongerechtigheid haar toppunt bereikt had, dat
het wraakuur spoedig slaan zou, waarop de armen de rijken dwingen
zouden om te deelen, gaf hij zich van dat oogenblik over aan zijn
droom van een vredige oplossing, van een broederkus tusschen alle
menschen, van den terugkeer tot de zuivere moraal van het Evangelie,
die Jezus gepredikt had.
In den beginne werd hij door twijfel gekweld: was die verjonging van
het oude Katholicisme mogelijk, kon men tot de jeugd, tot de reinheid
van het primitieve Christendom terugkeeren? Hij begon studies te
maken, te lezen, te vragen, zich steeds meer op te winden voor die
groote vraag van het Katholieke socialisme, die sedert eenige jaren
zoo druk en luidruchtig besproken werd; en in zijn hem doorhuiverende
liefde voor de armen en geheel voorbereid als hij was op het wonder
der broederschap, verloor hij langzamerhand de scrupules van zijn
rede, dwong hij zich tot de overtuiging, dat de Christus een tweede
maal komen zou, om de lijdende menschheid te verlossen. Ten slotte
formuleerde dit alles zich in zijn geest tot de zekerheid, dat het
gelouterde Christendom, tot zijn oorsprong teruggebracht, de eenige
macht was, die de tegenwoordige maatschappij zou kunnen redden,
door de bloedige crisis, waarmede zij bedreigd werd, te bezweren.
Toen hij twee jaren geleden Lourdes vol verzet tegen dien lagen
afgodendienst verlaten had, toen zijn geloof voor altijd gestorven
was, maar zijn hart toch door de eeuwige behoefte aan het goddelijke,
die alle schepselen kwelt, verontrust werd, was uit het diepst van
zijn ziel een kreet in hem opgestegen: "Een nieuwe godsdienst! Een
nieuwe godsdienst!" En nu meende hij dien nieuwen godsdienst of
liever dien hernieuwden godsdienst ontdekt te hebben. Zijn doel
was de maatschappelijke redding; tot het geluk der menschheid zou
hij de eenige nog krachtige moreele autoriteit gebruiken, de ver om
zich heen grijpende organisatie van het wonderbaarlijkste werktuig,
dat men ooit voor het regeeren van volkeren gesmeed heeft.
Gedurende de langzame ontwikkelingsperiode, die Pierre doormaakte,
hadden, behalve abbé Rose, twee mannen een grooten invloed op
hem. Een goed werk had hem in aanraking gebracht met monseigneur
Bergerot, een bisschop, dien de paus, ter belooning van een heel
leven vol bewonderenswaardige liefdadigheid, onlangs tot kardinaal
verheven had, niettegenstaande het heimelijk verzet van zijn omgeving,
welke in den Franschen prelaat, die zijn diocees als vader regeerde,
een vrijgeest vermoedde. Pierre geraakte door den omgang met dezen
apostel, dezen zielenherder, een van die eenvoudige en goede leiders,
zooals hij ze voor de toekomstige gemeenschap wenschte, nog meer in
geestdrift. Maar zijn samenwerken met vicomte Philibert de la Choue,
dien hij in Katholieke werkliedenvereenigingen ontmoet had, was nog
beslissender voor zijn apostolaat.
De vicomte, een knappe man met militaire allures en een lang,
edel gezicht, dat echter door een ingedrukten en te kleinen neus
ontsierd werd, wat het eindéchec van een slecht geëquilibreerde natuur
scheen aan te duiden, was een der ijverigste leiders van het Fransche
Katholieke socialisme. Hij bezat groote domeinen en een groot fortuin,
hoewel men beweerde, dat een mislukte landbouwonderneming het reeds
bijna tot op de helft verminderd had. In zijn departement had hij
getracht modelboerderijen op te richten, waar hij zijn denkbeelden
in zake Christelijk socialisme in toepassing bracht. Maar het succes
scheen hem ook daar niet aan te moedigen. Wel was het hem daardoor
gelukt afgevaardigde te worden. Hij sprak dikwijls in de Kamer en zette
in lange, schitterende redevoeringen het programma van zijn partij
uiteen. Onvermoeibaar in zijn ijver trad hij bovendien als leider van
pelgrimstochten naar Rome op, als voorzitter van vergaderingen, hield
lezingen, gaf zich geheel aan het volk, welks verovering, zooals hij
tot zijn vertrouwden zeide, alleen de triomf der Kerk verzekeren kon.
Op die wijze oefende hij een grooten invloed uit op Pierre, die
naïevelijk in hem de eigenschappen bewonderde, welke hij voelde
zelf niet te bezitten, een organisatietalent, een strijdbaren,
eenigszins onrustigen wil, die er enkel en alleen op gericht was
om in Frankrijk de Christelijke maatschappij te hervormen. De jonge
priester leerde veel uit zijn omgang met dezen Christen-socialist,
maar hij bleef toch de man van het gevoel, de droomer, die, zonder
te letten op politieke noodzakelijkheden, regelrecht zijn vlucht
nam naar de toekomststad van het algemeen geluk, terwijl de vicomte
daarentegen de pretentie had de vernietiging der liberale idee van
'89 te willen voltooien door voor den terugkeer tot het verleden
gebruik te maken van de desillusie en den toorn der democratie.
Pierre doorleefde eenige verrukkelijke maanden. Nog nooit had een
neophyt zoo geheel en al voor het geluk van anderen geleefd. Hij was
een en al liefde, hij brandde van hartstocht voor zijn apostolaat. Zijn
bezoeken bij het ongelukkige volk, bij de mannen, die geen werk hadden,
bij de moeders en kinderen zonder brood, gaven hem dagelijks een steeds
grootere zekerheid, dat een nieuwe godsdienst ontstaan moest, om een
ongerechtigheid te doen ophouden, waaraan de in opstand gekomen wereld
een gewelddadigen dood zou moeten sterven. En aan dit ingrijpen van
het goddelijke, aan die wedergeboorte van het primitieve Christendom
was hij vast besloten mede te werken; hij wilde alle krachten van
zijn geheele wezen geven, om die te verhaasten.
Zijn Katholiek geloof bleef dood; hij geloofde niet meer aan dogma's,
mysteriën en wonderen. Maar één hoop bleef hem bij, n.l. dat de Kerk
nog iets goeds kon uitwerken, door de onweerstaanbare, moderne,
democratische beweging te leiden, ten einde de volkeren voor de
dreigende sociale catastrophe te behoeden. Sedert hij zich tot taak
gesteld had het Evangelie weer terug te brengen in het hart van het
hongerende en morrende volk der voorsteden, was in zijn ziel de rust
teruggekeerd. Hij was nu werkzaam, hij leed minder onder het vreeselijk
gevoel van het Niet, dat hij uit Lourdes had medegebracht, en daar hij
zich niet meer met vragen kwelde, verteerde de angst der onzekerheid
hem niet langer. Met de kalme opgewektheid, welke een eenvoudige
plichtsvervulling met zich brengt, bleef hij de mis lezen. Zelfs
begon hij tot de meening te komen, dat het mysterie, hetwelk hij aldus
celebreerde, dat alle mysteriën en alle dogma's ten slotte niets waren
dan symbolen, kerkelijke gebruiken, die noodig waren voor de kindsheid
der menschheid en waarvan men zich weer los zou kunnen maken, wanneer
de grooter geworden, gelouterde en beschaafde menschheid in staat
zijn zou den verblindenden glans der naakte waarheid te verdragen.
In zijn drang om nuttig te zijn, in zijn hartstochtelijk verlangen,
om zijn geloof luide uit te schreeuwen, zette Pierre zich op een
ochtend aan zijn tafel en begon een boek te schrijven. Het was zoo
geheel natuurlijk gekomen; dat boek was als een hartekreet buiten
iedere letterkundige idee om. In een nacht, dat hij niet slapen kon,
was de titel in de duisternis plotseling voor hem opgevlamd: Het
Nieuwe Rome. Dat zeide alles, want moest niet van Rome, het eeuwige
en heilige Rome, de verlossing der volkeren uitgaan? De eenige, nog
bestaande autoriteit was dáár; de verjonging kon slechts geboren worden
uit de gewijde aarde, waarin de oude Katholieke eik opgegroeid was.
In twee maanden schreef hij dit boek, dat hij sedert een jaar, zonder
er zich bewust van te zijn, door zijn studies over het hedendaagsche
socialisme voorbereid had. Het was in hem als een dichterlijke
opbruising; menigmaal scheen het hem toe alsof hij die bladzijden
droomde, terwijl een innerlijke en als uit de verte klinkende stem ze
hem dicteerde. Dikwijls gaf vicomte Philibert de la Choue, wanneer
hij hem het den vorigen dag geschrevene voorlas, levendig uit een
oogpunt van propaganda zijn goedkeuring te kennen, want, zeide hij,
men moet het volk ontroeren, om het te kunnen leiden. Ook moest men
vrome, maar tegelijk toch onderhoudende liederen componeeren, die in
de werkplaatsen gezongen behoorden te worden.
Monseigneur Bergerot, dien het boek uit een oogpunt van dogmatiek vrij
koud liet, was daarentegen diep getroffen door de vurige inspiratie
van naastenliefde, die uit iedere bladzijde sprak. Ja zelfs beging
hij de onvoorzichtigheid den auteur een brief met verlof, om het
boek te drukken, te schrijven en hem toe te staan dien als voorwoord
daarin af te laten drukken. Dit werk nu, dat in Juni verschenen was,
had de Indexcongregatie verboden en ter verdediging van dat boek was
de jonge priester vol verbazing en geestdrift naar Rome gesneld;
hij brandde van verlangen om zijn overtuiging te doen zegevieren,
vastbesloten zijn zaak te verdedigen voor den Heiligen Vader zelf,
wiens denkbeelden hij meende uitgesproken te hebben.
Terwijl Pierre aldus zijn drie laatste jaren herleefde, had hij zich
niet bewogen; hij stond nog steeds tegen de borstwering tegenover het
Rome van zijn droomen en van zijn begeerte. Achter hem reden nog steeds
rijtuigen af en aan; magere Engelschen en corpulente Duitschers liepen
langs hem heen, na aan den klassieken horizont de vijf in den reisgids
aangegeven minuten geschonken te hebben, terwijl de koetsier en het
paard van zijn rijtuig kalm met gebogen hoofd in de zon wachtten,
die het op het bankje staande handkoffertje stoofde. Pierre zelf
scheen in zijn zwarte soutane nog slanker, teerder, fijner geworden te
zijn, terwijl hij zich geheel onbeweeglijk overgaf aan het verheven
schouwspel. Na zijn terugkeer uit Lourdes was hij vermagerd, zijn
gezicht smaller geworden. Sedert zijn moeder weer de overwinning in
hem behaald had, scheen het groote, rechte voorhoofd--de toren der
rede, die hij aan zijn vader te danken had--af te nemen, terwijl de
goedige, ietwat groote mond, de teere, oneindig liefderijke kin nu
zijn gelaat beheerschten en zijn ziel verrieden, die ook in de milde
vlam van zijn oogen brandde.
O, met welke liefderijke en vurige blikken aanschouwde hij het Rome van
zijn boek, het nieuwe Rome, waarvan hij droomde. Had in den beginne in
de eenigszins wazige zachtheid van den wondermooien ochtend het geheel
hem aangegrepen, thans kon hij de bijzonderheden onderscheiden. Met
een kinderlijke blijdschap herkende hij alle monumenten, die hij zoo
lang op plattegronden en in photographieënverzamelingen bestudeerd
had. Daar aan zijn voeten, beneden den Janiculus strekte de Trastevere
zich uit met zijn chaos van zijn oude, roodachtige huizen, wier door
de zon verbrande daken den loop van den Tiber verborgen. Het vlakke
uitzicht op de stad verbaasde hem eenigszins. Van af dit hooge terras
zag het er, zoo in vogelvlucht gezien, als het ware genivelleerd
uit: de zeven beroemde heuvelen vormden slechts kleine kopjes, een
ternauwernood merkbare deining in de breede zee der gevels.
Ja, daar ginds rechts, tegen het blauwachtig verschiet der Albaansche
bergen donker-violet afstekend, lag wel de Aventinus met zijn
drie tusschen het groen half verscholen kerken; lag daar ook de
ontkroonde Palatinus, door een rij cypressen als met een donkere
franje omzoomd. De Coelius daarachter ging als het ware verloren,
liet slechts de in het goudstof der zon verbleekende boomen der
villa Mattei zien. Slechts de slanke klokketoren en de beide kleine
koepeltjes van Santa Maria Maggiore wezen heel in de verte aan den
anderen kant der stad, den Esquilinus aan, terwijl hij op den top
van den dichter bij gelegen Viminalis niets onderscheidde dan een in
het zonlicht badend gewirwar van witachtige, met kleine bruine lijnen
doorstreepte blokken, die denken deden aan een verlaten steengroeve.
Langen tijd zocht hij naar den Capitolinus, zonder dien te kunnen
ontdekken. Hij trachtte zich te oriënteeren, en maakte zich ten
slotte wijs, dat hij wel den campanile [2] zag, daar in de laagte,
vóór de Santa Maria Maggiore, dat vierkante, zóó bescheiden torentje,
dat het te midden van de omgevende daken verloren ging. Links
kwam dan de Quirinalis, herkenbaar aan den langen gevel van het
koninklijk paleis, dien hospitaal- of kazernegevel, hardgeel, glad
en met een eindeloos aantal kleine raampjes doorboord. Toen hij zich
heelemaal omgekeerd had, deed een plotselinge aanblik hem onbeweeglijk
staan. Buiten de stad, boven de boomen van den tuin Corsini rees de
dom van St. Pieter voor hem op. Hij scheen op het groen te rusten en
leek in den helderblauwen hemel zelf zóó teer hemelsblauw, dat hij
met het eindelooze azuur scheen samen te smelten.
Pierre werd niet moede te kijken en zijn blikken gingen onophoudelijk
van het eene einde van den horizont naar het andere. Lang staarde hij
naar de edele, uitgetande randen en de trotsche gratie der met steden
bezaaide Sabijnsche en Albaansche bergen, welker gordel den horizont
afsloot. Kaal en majestueus, als een doode woestijn, en blauwgroen als
een onbeweeglijke zee strekte de Campagna romana zich in reusachtige
slaglichten uit; eindelijk onderscheidde hij den lagen en ronden toren
van het graf van Caecilia Metella, waarachter een dunne, bleeke lijn de
oude Via Appia aanwees. Puinhoopen van waterleidingen bestrooiden het
gras met het stof van ingestorte werelden. Dan gingen zijn blikken weer
terug--en weer zag hij de nieuwe stad, het gewirwar van gebouwen. Hier
dichtbij herkende hij aan zijn naar de rivier gekeerde loggia den
grooten roodgelen kubus van den palazzo Farnese. Die lage, nauwlijks
zichtbare koepel daar verderop moest die van het Pantheon zijn.
Dan herkende hij, met plotselinge sprongen, de pas weer gewitte muren
van San Paolo fuori le Mura, welke op die van een groote graanschuur
geleken; dan de standbeelden van San Giovanni in Laterano, licht en
nauwlijks zoo groot als insecten; vervolgens de ontelbare koepels, dien
van del Gesù, dien van San Carlo, dien van San Andrea della Valle,
dien van San Giovanni de Fiorentini; eindelijk zooveel andere met
herinneringen vervulde gebouwen nog, het kasteel der Heilige Engelen
met zijn fonkelend standbeeld, de villa Medici, die de geheele stad
beheerschte, het terras van den Pincio, waar tusschen enkele boomen
marmergroepen òplichtten, en in de verte de hooge loofdaken der villa
Borghese, die met hun groene toppen den horizont afsloten.
Vergeefs zocht hij het Colosseum. Toch begon het zachte noordenwindje
de ochtendnevelen uiteen te jagen. In de wazige verte teekenden
geheele stadswijken zich krachtig af als voorgebergten in een door
de zon beschenen zee. Hier en daar lichtte tusschen de onduidelijke
massa der huizen een wit stuk muur òp, flikkerde een rij vensters,
wierp een tuin een groote vlek; alles tezamen vormde een verrassende
kleurenpracht. Het overige, het gewirwar van straten en pleinen, de
tallooze, in alle richtingen gezaaide eilanden, vermengden zich en
losten zich op in de levende glorie der zon, terwijl van de daken
hooge, witte rookkolommen opstegen en langzaam door de oneindige
reinheid der lucht trokken.
Doch weldra concentreerde, door een heimlijk instinct, Pierre's geheele
aandacht zich op drie punten van den grenzenloozen horizont. De lijn
der slanke cypressen, die den top van den Palatinus zwart omzoomden,
ontroerde hem: daarachter was niets meer dan een ledige ruimte: de
paleizen der Caesars waren verdwenen, ingestort, door den tijd met
den grond gelijk gemaakt. Hij riep ze weer voor zijn geest op, hij
meende ze zich weer te zien oprichten als onbestemde en trillende
spoken van goud in het purper van den schitterenden ochtend. Dan
keerden zijn blikken terug naar de Sint Pieter; daar stond de dom
nog en beschermde het Vaticaan, dat, zooals Pierre wist, dicht tegen
de zijde van den kolos rustte; hij vond hem zoo triomphantelijk,
krachtig en groot, dat hij hem toescheen als een reuzenkoning, die
over de stad heerschte en eeuwig van overal zichtbaar was. Vervolgens
wendde hij zijn blikken weer naar den anderen heuvel tegenover zich,
naar den Quirinalis, waar het paleis des konings niets meer dan een
lage, platte, geel geverfde kazerne leek.
De geheele eeuwenoude geschiedenis van Rome met haar voortdurende
omwentelingen, haar telkens weer terugkeerende wederopleving lag daar
in dien symbolischen driehoek, in die drie toppen, welke elkaar over
den Tiber heen aankeken, voor hem: het opbloeiende, oude Rome met
zijn paleizen en tempels, de monsterbloesem van keizerlijke macht
en pracht; het pauselijke Rome, dat in de Middeleeuwen de wereld
beheerschte en deze reusachtige kerk in al haar herwonnen schoonheid
op de Christenheid liet drukken; het hedendaagsche Rome, dat hij niet
kende, dat hij tot nu toe veronachtzaamd had, welks zoo kaal en koud
koninklijk paleis een armoedigen indruk op hem maakte, den indruk
van een jammerlijke, heiligschennende moderniseeringspoging op een
eenige stad, die men liever aan den droom der toekomst had moeten
overlaten. Hij zette het bijna pijnlijke gevoel van een hinderlijk
heden van zich af, hij wilde zich niet ophouden bij een geheel nieuwe
wijk, een klein, kleurloos, blijkbaar nog in aanbouw zijnd stadje,
dat hij duidelijk dicht naast de St. Pieter op den oever der rivier
zag. Hij had van een geheel ander nieuw Rome gedroomd, droomde er
nog van, zelfs tegenover den in het stof der eeuwen vernietigden
Palatinus, tegenover den dom van St. Pieter, in welks breede schaduw
het Vaticaan sliep, tegenover het paleis van den Quirinalis, dat geheel
nieuw opgebouwd en geverfd was en echt burgerlijk heerschte over de
nieuwe wijken, die overal opschoten en groote scheuren maakten in
het lichaam der oude stad met haar roode, in de heldere ochtendzon
schitterende daken.
Het Nieuwe Rome! Weer vlamde voor Pierre's oogen de titel van zijn boek
op en deed hem in een nieuwe overpeinzing wegzinken. Hij doorleefde nog
eenmaal zijn boek, zooals hij daareven zijn leven doorleefd had. Hij
had het met geestdrift geschreven en daarvoor van de op goed geluk af
gemaakte aanteekeningen gebruik gemaakt. Een indeeling in drie deelen
had zich als vanzelf opgedrongen, het verleden, het heden, de toekomst.
Het verleden was de buitengewone geschiedenis van het oorspronkelijke
Christendom, van de langzame evolutie, die van dat Christendom het
tegenwoordige Katholicisme gemaakt had. Hij toonde aan, dat onder
iedere godsdienstige evolutie zich een economische quaestie verborg,
en dat per slot van rekening de eeuwige kwaal niets anders is dan de
eeuwige strijd tusschen de armen en de rijken. Bij de Joden breekt
onmiddellijk na het nomadenleven, wanneer zij Kanaän veroverd hebben
en het bezit ontstaan is, de klassenstrijd uit. Er zijn rijken en er
zijn armen; van af dat oogenblik bestaat de sociale quaestie.
De overgang had plotseling plaats gehad, de nieuwe stand van zaken
verergerde zoo snel, dat de armen, die zich nog de gouden eeuw van
het nomadenleven herinnerden, er dubbel onder leden en met des te meer
kracht hulp eischten. Tot aan Jezus toe zijn de propheten niets anders
dan opstandelingen, die uit de ellende van het volk opkomen, die zijn
lijden uitschreeuwen, de rijken met verwijten overstelpen, aan wie zij
alle rampen voorstellen als straf voor hun onrechtvaardigheid en hun
hardvochtigheid. Jezus zelf is slechts de laatste van hen; hij treedt
als het ware op als de levende opvordering van het recht der armen. De
propheten, socialisten en anarchisten, hadden de maatschappelijke
gelijkheid gepredikt door de vernietiging der wereld, als zij niet
rechtvaardig was, te eischen. Ook hij brengt den armen haat tegen de
rijken bij. Zijn geheele leer is een bedreiging tegen den rijkdom,
tegen het bezit; en wanneer men het Koninkrijk der Hemelen, dat
hij beloofde, als den vrede en de broederschap op deze aarde opvat,
dan zou het slechts een terugkeer zijn tot de gouden eeuw van het
herdersleven, dan de droom der Christelijke gemeenschap, zooals hij
na hem door zijn discipelen verwezenlijkt schijnt te zijn.
Gedurende de drie eerste eeuwen was iedere kerk een communistische
poging, een echte gemeenschap, waarvan de leden alles gemeenschappelijk
bezaten, behalve de vrouwen. De apologeten en de eerste Kerkvaders
leggen er getuigenis van af; het Christendom was toen niets anders
dan de godsdienst der nederigen en der armen, een democratie,
een socialisme, dat de Romeinsche maatschappij bestreed. En toen
deze eindelijk, door het geld verrot en vermolmd, instortte,
toen bezweek zij meer nog dan onder den vloed der barbaren en het
heimelijke termietenwerk der Christenen onder de wormstekige banken
en den financieelen krach. De geldquaestie lag steeds aan alles ten
grondslag. Daarvoor kreeg men een nieuw bewijs, toen het Christendom,
dank zij de historische, maatschappelijke en menschelijke toestanden
eindelijk triompheerde en tot staatsgodsdienst verklaard werd. Om zijn
overwinning ten volle te verzekeren, zag het zich genoodzaakt steun
te zoeken bij de rijken en de machtigen; en het zou, als het niet zoo
treurig was, belachelijk zijn om te zien door welke spitsvondigheden
en sophismen de Kerkvaders ertoe komen in het Evangelie van Jezus de
verdediging van het bezit te ontdekken. Voor het Christendom was het
een politieke bestaansnoodzakelijkheid; slechts ten koste van dezen
prijs is het Katholicisme de universeele godsdienst geworden.
Van af dat oogenblik richt de vreeselijke machine zich als veroverings-
en regeeringswapen steeds meer in de hoogte: bovenaan bevinden zich de
rijken, de machtigen, wier plicht het is met de armen te deelen, maar
die het niet doen; onderaan de armen, de werkers, wien men berusting en
gehoorzaamheid leert door hun het Rijk der toekomst, de goddelijke en
eeuwige schadeloosstelling te beloven. Het is een wonderbaar monument,
dat eeuwen geduurd heeft, waarin alles gebouwd is op de belofte van
het hiernamaals, op die onleschbare dorst naar onsterfelijkheid en
rechtvaardigheid, waardoor de mensch verteerd wordt.
Dat eerste deel van zijn boek, die geschiedenis van het verleden,
had Pierre aangevuld met een in groote trekken ontworpen studie over
het Katholicisme tot aan onze dagen. Eerst was het de Heilige Petrus,
een onwetende, onrustige geest, die door een genialen inval naar Rome
kwam en de oude orakels, die den Capitolinus de eeuwigheid voorspeld
hadden, in verwezenlijking gaan deed. Daarna waren het de eerste
pausen, eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen. Hierna begon
het langzame opklimmen van het almachtige pausdom in een eeuwigen
veroveringsstrijd om de geheele wereld, zonder ophouden trachtend
zijn droom van universeele heerschappij te verwezenlijken. In de
Middeleeuwen onder de groote pausen geloofde het een oogenblik zijn
doel te bereiken, de souvereine heerscher der volkeren te zijn. Was de
absolute waarheid niet de paus, opperpriester en koning der aarde,
heerschend, als God zelf, wiens vertegenwoordiger hij is, over de
zielen en de lichamen van alle menschen. Deze bovenmatige, maar
volkomen logische eerzucht verwezenlijkte zich in Augustus, keizer
en pontifex, meester over de geheele wereld; en steeds weer is het
de uit de ruïnen van het oude Rome oprijzende figuur van Augustus,
die de pausen geen oogenblik losliet; het bloed van Augustus stroomde
door hun aderen.
Maar daar na de instorting van het Romeinsche Rijk de macht
zich gehalveerd had, moest de paus aan den keizer de wereldlijke
heerschappij overlaten en kon hij voor zichzelf slechts het recht
behouden hen in opdracht van God te zalven. Het volk behoorde aan
God, de paus gaf in Gods naam het volk aan den keizer en kon het hem
weer afnemen: een grenzenlooze macht, waarvan de excommunicatie het
vreeselijke wapen was, een opperheerschappij, die voor het pausdom den
weg tot de werkelijke en definitieve inbezitneming van het keizerrijk
baande. In het kort, de eeuwige strijd tusschen paus en keizer ging om
het volk, dat zij elkander betwistten, om de lijdelijk toeziende massa
der eenvoudigen van geest en lijdenden, om het groote zwijgende volk,
welks ongeneeslijk lijden zich slechts nu en dan door een dof gemor
verried. Men beschikte, tot zijn welzijn, er over als over een kind;
maar de Kerk droeg werkelijk tot de beschaving bij, bewees diensten
aan de menschheid en gaf rijke aalmoezen. Steeds weer kwam, ten minste
in de kloosters, de oude droom der Christelijke gemeenschap terug:
een derde gedeelte der opgehoopte rijkdommen voor den eeredienst, een
derde voor de priesters en een derde voor de armen. Werd daardoor het
leven niet vereenvoudigd? Werd den geloovigen door het afstand doen
van aardsche wenschen en door de belofte van ongehoorde, hemelsche
vreugde het leven niet dragelijk gemaakt? Geeft ons de geheele wereld,
dan zullen wij alle aardsche goederen in drie deelen verdeelen, dan
zult gij zien welk een gouden eeuw te midden van aller berusting en
gehoorzaamheid heerschen zal.
Maar vervolgens toonde Pierre aan hoe het pausdom bij het einde der
Middeleeuwen, den tijd van zijn almacht, door de grootste gevaren
bedreigd werd. De Renaissance met haar weelde en verwildering van
zeden, met haar overstroomende levenskracht, die uit de eeuwige,
gedurende eeuwen geminachte en voor dood verklaarde natuur ontsprong,
sleepte het bijna met zich mede. Maar nog dreigender was het onbewust
ontwaken van het volk, den grooten zwijger, wiens tong los scheen
te geraken. De Hervorming barstte los als een protest van de rede en
de gerechtigheid, als een herinnering aan de miskende waarheden van
het Evangelie; en Rome kon van een volkomen verdwijnen slechts gered
worden door de hardhandige verdediging der Inquisitie, het langzame
en hardnekkige werken van het Concilie van Trente, dat het dogma
sterker maakte en de wereldlijke macht bevestigde.
Toen trad het pausdom in twee eeuwen van vrede en van bescheiden op
den achtergrond blijven, want de krachtige, absolute monarchieën, die
Europa onderling verdeeld hadden, konden het buiten de pausen stellen,
sidderden niet meer voor de onschadelijk geworden banbliksems,
aanvaardden den paus slechts als een ceremoniemeester, aan wien
sommige riten opgedragen waren. Onder de bezitters van het volk was het
evenwicht verstoord: de koningen hadden nog steeds het volk Gods in hun
macht, maar de paus moest er zich toe bepalen het geschenk voor eens
en voor altijd te registreeren, zonder zich ooit, welke gelegenheid
zich ook voordeed, in de regeering der staten te kunnen mengen.
Nooit was Rome verder verwijderd geweest van de verwezenlijking van
zijn eeuwigen droom der wereldheerschappij. En toen de Fransche
Revolutie uitbrak, kon men gelooven, dat de verkondiging der
rechten van den mensch het pausdom, dat de bewaarder was van het
goddelijk recht, hetwelk God het over de volkeren had opgedragen,
dooden zou. Welk een angst in den beginne dan ook in het Vaticaan,
welk een woede, welk een wanhopige verdediging tegen het denkbeeld
van vrijheid, tegen het nieuwe Credo der bevrijde rede en der weer
meesteres over zichzelf geworden menschheid. Het was een schijnbare
ontknooping van den langen strijd tusschen keizer en paus om het bezit
van het volk: de keizer verdween, en het volk, vrij in den vervolge
over zichzelf te beschikken, wilde zich ook onttrekken aan den paus:
een onvoorziene oplossing, waarbij de geheele oude stelling van het
Katholicisme in puin scheen te moeten vallen.
Hier eindigde Pierre het eerste gedeelte van zijn boek met een
herinnering aan het primitieve Christendom tegenover het hedendaagsche
Katholicisme, dat de triomf der rijken en machtigen is. Had het
Katholieke Rome de Romeinsche maatschappij, die Jezus in naam der
armen en eenvoudigen van geest was komen verwoesten, na eeuwen met
zijn geld- en hoogmoedspolitiek niet weer opnieuw opgebouwd? Welk een
treurige ironie, wanneer men na achttien eeuwen van het Evangelie nog
constateeren moest, dat de wereld voor de tweede maal instortte door
wormstekige banken, door een financieelen krach, door de schreeuwende
onrechtvaardigheid, dat een paar menschen zich vol konden proppen met
rijkdommen, terwijl duizenden van hun broeders van honger omkwamen! Het
geheele reddingswerk moest weer opnieuw begonnen worden. Maar Pierre
zeide die vreeselijke dingen met zoo zachte, zoo medelijdende,
zoo hoopvolle woorden, dat zij hun revolutionnair gevaar verloren
hadden. Trouwens nergens viel hij het dogma aan. Zijn boek was in zijn
sentimenteelen dichtvorm, waarin een vurige naastenliefde brandde,
niets dan de kreet van een apostel.
Vervolgens kwam het tweede gedeelte van het werk, het heden, een studie
van de tegenwoordige Katholieke maatschappij. Daarin gaf Pierre een
vreeselijke beschrijving van de ellende der armen, van de ellende eener
groote stad, die hij uit eigen aanschouwing kende, waarvan zijn hart
nog bloedde, nu hij de vergiftigde wonden ervan aangeraakt had. De
onrechtvaardigheid was niet langer meer te dulden, de liefdadigheid
werd onmachtig, het lijden zoo verschrikkelijk, dat in het hart van
het volk alle hoop stierf. Had het monsterachtige schouwspel, dat
de Christenheid aan de wereld bood, er niet toe bijgedragen om het
geloof in het volk te dooden? Haar gruwelen bedierven het, maakten
het krankzinnig van haat en wraaklust.
En onmiddellijk na dat beeld van een verrotte, op het punt van
instorten staande beschaving, vatte hij de geschiedenis weer op bij de
Fransche Revolutie, bij den grenzenloozen hoop, die de vrijheidsidee
aan de wereld gegeven had. Bij haar aan het bewind komen had de
bourgeoisie, de groote, liberale partij, op zich genomen eindelijk
het geluk van allen te verzekeren. Maar helaas schijnt de vrijheid,
zooals de ervaring van een eeuw leert, den onterfden niet meer
geluk gegeven te hebben. Op politiek gebied begint een desillusie
te ontstaan. In ieder geval lijdt, al moge de derde stand zich,
sedert hij regeert, voldaan verklaren, de vierde stand, de arbeiders,
blijft nog altijd zijn deel opeischen. Men heeft hen vrij verklaard,
men heeft hun politieke gelijkheid toegekend, maar dat zijn per
slot van rekening belachelijke geschenken, want zij hebben evenals
vroeger onder hun economische slavernij slechts de vrijheid om van
honger te sterven. Alle socialistische eischen komen daaruit voort,
van nu af aan is het verschrikkelijke probleem, welks oplossing de
tegenwoordige maatschappij dreigt te vernietigen, tusschen arbeid en
kapitaal gesteld.
Toen de slavernij uit de oude wereld verdween, om plaats te maken
voor het loonstelsel, was de omwenteling ontzaglijk; en zonder eenigen
twijfel was de Christelijke idee een der machtigste factoren, die de
slavernij vernietigd hebben. Waarom zou dan thans, nu het er om gaat
het loonstelsel door iets anders te vervangen, misschien door het deel
krijgen van de arbeiders in de winst, het Christendom niet trachten
een nieuw aandeel daarin te hebben? Deze naderende, niet tegen te
houden opkomst der democratie is een nieuwe phase in de geschiedenis
der menschheid, de maatschappij van morgen, die zich aan het vormen
is. En Rome kan zich daartegenover niet lijdelijk houden, het pausdom
moest in dien strijd partij kiezen, als het niet van de wereld wilde
verdwijnen als een geheel en al nutteloos geworden raderwerk.
Daaruit ontstond de rechtmatigheid van het Katholieke socialisme. Toen
van alle kanten de socialistische secten elkaar met hun oplossingen
het volksgeluk betwistten, moest de Kerk de hare geven. Hier nu
verscheen het nieuwe Rome, hier verbreedde de evolutie zich in een
herleving van onbegrensde hoop. Het stond vast, dat de Katholieke Kerk
in haar grondstellingen niets tegen de democratie had. Integendeel zij
behoefde slechts de Evangelische traditie weer op te vatten, opnieuw de
Kerk der armen en eenvoudigen van geest te worden, om de universeele
Christelijke gemeenschap te herstellen. Haar wezen is democratisch,
en dat zij zich aan de zijde der rijken en machtigen geschaard heeft,
toen het Christendom het Katholicisme werd, is alleen een gevolg van
het feit, dat zij, met opoffering van haar oorspronkelijke zuiverheid,
gehoorzamen moest aan de noodzakelijkheid van zelfverdediging,
zoodat zij, wanneer zij nu de zijde van de heerschende, maar tot
ondergang gedoemde klassen verlaat, om terug te keeren tot het volk der
ongelukkigen, zich eenvoudig dichter aansluit bij den Christus, een
verjongingskuur ondergaat, zich bevrijdt van politieke compromissen,
waaronder zij zich zoo lang heeft moeten bukken.
In alle tijden heeft de Kerk zich, zonder in één enkel opzicht afstand
te doen van het absolute, weten te plooien naar de omstandigheden;
zij behoudt haar volkomen souvereiniteit, zij duldt eenvoudig wat
zij niet kan verhinderen, zij wacht, zelfs eeuwen lang, geduldig op
het oogenblik, dat zij weer de meesteresse der wereld worden zal. En
zou dat oogenblik niet nu, niet in de naderende crisis slaan? Weer
betwisten alle machten zich het bezit van het volk. Sedert vrijheid
en onderwijs het hebben opgevoed tot een macht, tot een wezen,
dat met volle bewustzijn en krachtigen wil zijn deel opeischt,
willen alle regeeringen het voor zich winnen, erdoor, ja zelfs ermede
regeeren. Het socialisme is de toekomst, het nieuwe regeeringswerktuig;
allen doen aan socialisme, de op hun troonen wankelende koningen, de
bourgeois-leiders van onrustige, woelige republieken, de eerzuchtige
volksmenners, die van macht droomen. Allen zijn het erover eens, dat
de kapitalistische staat de terugkeer tot de heidensche wereld, tot
de slavenmarkt is; allen willen de afschuwelijke ijzeren wet breken,
die van den arbeid een aan de wetten van vraag en aanbod onderworpen
koopwaar maakt, die het loon berekent naar het strikt noodzakelijke,
dat de arbeider noodig heeft, om niet van honger om te komen.
Beneden verergeren de kwalen, worden de arbeiders door ellende en
wanhoop gekweld, terwijl over hun hoofden heen de discussies worden
voortgezet, de stelsels zich kruisen, de goede wil zich uitput in het
beproeven van niets uitwerkende middelen. Het is het rondtrappelen op
één plaats, het is de krankzinnige verbijstering, die aan naderende
catastrophen voorafgaat. En tusschen de andere is het Katholieke
socialisme, even vurig als het revolutionnaire socialisme, op zijn
beurt in den strijd getreden en tracht te overwinnen.
Nu volgde een studie over de krachtsinspanning van het Katholieke
socialisme in de geheele Christenheid. Daarbij was bijzonder opvallend,
dat de strijd levendiger en succesvoller werd, zoodra hij geleverd werd
op een terrein, dat nog niet geheel gewonnen was voor het Christendom,
zooals bijvoorbeeld in die landen, waar het Katholicisme zich tegenover
het Protestantisme bevond. Daar streden de priesters met eene ongewone
heftigheid voor hun leven, betwistten zij den dominé's het bezit van
het volk door vermetel-democratische theorieën.
In Duitschland, het klassieke land van het socialisme was monseigneur
Ketteler een der eersten, die den rijken belastingen wilde opleggen,
stichtte hij later een uitgebreide beweging, die thans met behulp van
talrijke vereenigingen en couranten door den geheelen clerus geleid
wordt. In Zwitserland verdedigde monseigneur Mermillod de zaak der
armen zoo krachtig, dat thans de bisschoppen bijna gemeene zaak maken
met de democratische socialisten, ongetwijfeld in de hoop hen op den
dag der verdeeling te bekeeren.
In Engeland, waar het socialisme zoo langzaam doordringt, behaalde
kardinaal Manning belangrijke successen, koos hij tijdens een
reusachtige staking de zijde der werklieden, riep hij een volksbeweging
in het leven, die talrijke aanhangers kreeg. Maar vooral in Amerika,
in de Vereenigde Staten vierde het Katholieke socialisme triomfen in
die democratische omgeving, welke bisschoppen als monseigneur Ireland
ertoe noodzaakte zich aan het hoofd der arbeiderseischen te stellen:
een geheele nieuwe Kerk schijnt daar te ontkiemen, zonder vaste vormen
nog, maar overvloeiend van levenskracht en bezield met grootsche
verwachtingen, als stond zij reeds aan den dageraad van het verjongde
Christendom. Als men dan naar Oostenrijk en België, Katholieke landen,
oversteekt, ziet men, dat in het eerste het Katholieke socialisme
zich vermengt met het anti-semitisme, en dat het in het tweede geen
uitgesproken karakter bezit, terwijl de beweging minder wordt, ja
zelfs verdwijnt, zoodra men in Spanje en in Italië, die oude landen
van het geloof, komt; Spanje, geheel overgeleverd aan de gewelddaden
van revolutionnairen, met zijn stijfhoofdige bisschoppen, die er zich
mede vergenoegen als in de dagen der Inquisitie hun banbliksems naar de
ongeloovigen te slingeren; Italië verstard in de traditie, zonder eenig
initiatief, rondom den Heiligen Stoel tot zwijgen en eerbied gedwongen.
In Frankrijk echter bleef de strijd levendig, maar was het vooral een
ideeënstrijd; de oorlog ging over het geheel tegen de Revolutie, en
het scheen voldoende te zijn de oude organisatie der monarchistische
tijden te herstellen, om tot de gouden eeuw terug te keeren. Op
die wijze werd het vraagstuk der werkliedencorporaties het punt,
waar alles om draaide, als ware dat de panacee voor alle kwalen der
arbeidende klassen. Maar omtrent de oplossing was men het allesbehalve
met elkaar eens: sommigen, de Katholieken, die de inmenging van
den Staat afwezen en een zuivere moreele actie voorstonden, wilden
vrije corporaties, terwijl anderen, de jongeren, de ongeduldigen,
die tot handelen besloten waren, verplichte, door den Staat erkende
en beschermde corporaties met voldoende eigen kapitaal wilden.
Vicomte Philibert de la Choue vooral had in woord en geschrift een
vurige campagne ten gunste van de verplichte corporaties gevoerd;
en zijn grootste verdriet was, dat hij er den paus nog niet toe
had kunnen bewegen zich uit te spreken, of de corporaties open of
gesloten moesten zijn. Zijns inziens hing het lot der maatschappij,
de vreedzame oplossing der sociale quaestie of de gewelddadige
catastrophe, die alles met zich mede slepen zou, daarvan af. In
den grond der zaak was hij, hoewel hij het niet bekennen wilde,
ten slotte overgegaan tot het staatssocialisme. Ondanks het
gebrek aan overeenstemming bleef de agitatie bestaan, werden
pogingen gedaan, die echter weinig succes hadden: coöperatieve
verbruiksvereenigingen, arbeiderswoningvereenigingen, volksbanken,
louter min of meer gemaskeerde pogingen, om tot de oude Christelijke
gemeenschappen terug te keeren, terwijl te midden van de verwarring
van den tegenwoordigen tijd, te midden van de onrust der geesten en
de politieke moeilijkheden, die het land doormaakte, de militante
Katholieke partij haar hoop met den dag grooter voelde worden, tot
de blinde zekerheid toe, dat de wereldheerschappij spoedig weer in
haar handen zijn zou.
Het tweede deel van het boek eindigde met een schildering van de
intellectueele en moreele malaise, waartegen het einde der eeuw
streed. De groote massa der arbeiders moge lijden onder de slechte
verdeeling en eischen, dat men hun bij een nieuwe deeling ten minste
het dagelijksch brood verzekert, de elite is evenmin meer tevreden:
zij is wanhopig over de leegte, die haar bevrijde rede, haar zich
uitgebreid hebbend begrip in haar achtergelaten hebben. Het is het
beruchte bankroet van het rationalisme, van het positivisme, van
de wetenschap zelf. De geesten, die verteerd worden door den drang
naar het absolute, worden het langzame tasten van die wetenschap
moede, welke alleen de bewezen waarheden aanvaardt; zij worden weer
aangegrepen door den angst voor het mysterie; zij hebben een volkomen
en onmiddellijke synthese noodig, om in vrede te kunnen slapen;
en gebroken, razend gemaakt door de gedachte, dat zij nooit alles
zullen weten, vallen zij onderweg weer op hun knieën, God, het in
een geloofsformule onthulde onbekende, verkiezend.
Inderdaad ook thans nog stilt de wetenschap noch onzen dorst naar
gerechtigheid, noch onze begeerte naar zekerheid, noch de eeuwenoude
idee, die wij ons maken van het geluk, en die in een voortleven,
in eeuwige genietingen bestaat. Zij laat de wereld alleen nog maar
spellen, zij brengt voor een ieder slechts de strenge, solidaire
verplichting te leven, een eenvoudige factor in den universeelen arbeid
te zijn. Hoe begrijpelijk is dan ook de opstand, het verzet des harten,
het verlangen naar den Christelijken hemel met zijn mooie engelen,
vol licht en muziek en geuren. O, wanneer men zijn dooden kussen en
tot zichzelf zeggen kan, dat men ze terug zal vinden, dat men met hen
in een glorierijke onsterfelijkheid herleven zal! Wanneer men deze
zekerheid van een opperste gerechtigheid bezit, om de afschuwlijkheden
van dit aardsche bestaan te kunnen dragen! Wanneer men daardoor aan de
verschrikkelijke gedachte aan het Niet, aan de vreeselijke voorstelling
van het verdwijnen van het Ik ontsnappen en zoodoende eindelijk rust
vinden kan in het onwankelbare geloof, dat de gelukkige oplossing van
alle problemen van het levenslot verschuift naar den dag na den dood.
Dien droom zullen de volkeren nog lang droomen. Dat verklaart ook,
waarom aan het einde dezer eeuw ten gevolge van de overwinning der
geesten, ten gevolge ook van de groote onrust, waarin zich de van
een nieuwe wereld zwanger gaande menschheid verkeert, het religieuse
gevoel weer ontwaakt is. Het is onrustig, snakt naar het ideale en het
oneindige, eischt een moreele wet en de zekerheid van een opperste
gerechtigheid. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het religieuse
gevoel zal er nieuwe scheppen, zelfs met behulp van de wetenschap. Een
nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! En was het niet het oude
Katholicisme, dat op het punt stond in deze hedendaagsche wereld,
waar alles dat wonder scheen te begunstigen, opnieuw zou ontkiemen,
weer groene loten zou doen ontspruiten en zich met een frisschen
bloemenpracht tooien zou?
Eindelijk had, in het derde deel van zijn boek, Pierre met de vlammende
woorden van een apostel geschilderd hoe de toekomst, het verjongde
Katholicisme eruit zou zien, dat aan de in doodsangst verkeerende
volkeren vrede en gezondheid, de vergeten gouden eeuw van het
oorspronkelijke Christendom teruggeven zou. Hij begon met een roerende
en verheerlijkende beschrijving van Leo XIII, den idealen paus, den
uitverkorene, aan wien de redding der volkeren opgedragen was. Hij
had hem zich zoo voor den geest geroepen, hij had hem zoo gezien in
zijn brandend verlangen naar de komst van een herder, die een einde
maken zou aan de ellende. Het was geen buitengewoon gelijkend portret,
neen het was de onmisbare redder, de onuitputtelijke naastenliefde,
het groote hart en de breede geest, zooals hij zich die droomde. Toch
had hij de documenten, de encyclieken bestudeerd, de geheele figuur
op feiten opgebouwd: op zijn religieuse opvoeding te Rome, de korte
nuntiatuur te Brussel, zijn lang episcopaat in Perugia.
Nauwlijks is Leo XIII in den moeilijken, door Pius IX achtergelaten
toestand, paus, of zijn dubbele natuur openbaart zich: hij is de
onwankelbare hoeder van het dogma, de soepele politicus, vast besloten,
de verdraagzaamheid zoo ver mogelijk door te drijven. Hij breekt
onmiddellijk met de moderne philosophie, gaat over de Renaissance
heen terug naar de Middeleeuwen, herstelt in de Katholieke scholen de
Christelijke wijsbegeerte in den geest van Thomas van Aquino. Nadat
het dogma op die wijze beschermd is, bereikt hij het evenwicht,
geeft aan alle mogendheden onderpanden van den vrede, tracht hij
alle gelegenheden te benutten. Men ziet hoe hij met ongekenden
ijver een verzoening tot stand brengt tusschen den Heiligen Stoel
en Duitschland, hoe hij toenadering zoekt tot Rusland, Zwitserland
bevredigt, in vriendschappelijke verhouding met Engeland tracht te
komen, aan den keizer van China vraagt de zendelingen en de Christenen
in zijn rijk bescherming te verleenen. Later zal hij tusschenbeide
komen in Frankrijk en de rechtmatigheid der Republiek erkennen. Van
den beginne af is in al zijn daden één gedachte duidelijk merkbaar,
de gedachte, die van hem een der eerste politieke personen maken
zal. En deze gedachte is niets anders dan het eeuwenoude ideaal
van het pausdom: alle zielen te veroveren, Rome het centrum en de
meesteres der wereld. Hij heeft slechts één wil, één doel: werken aan
de eenheid der Kerk, de afgescheiden gemeenten tot haar terugbrengen,
om haar in den komenden socialen strijd onoverwinlijk te maken.
In Rusland tracht hij de moreele autoriteit van het Vaticaan tot
erkenning te brengen; hij droomt ervan in Engeland de Anglicaansche
Kerk te ontwapenen en haar tot een soort broedervrede te bewegen. Maar
vooral in het Oosten streeft hij naar een hereeniging met de afvallige
Kerken, die hij eenvoudig als gescheiden zusters behandelt, wier
terugkeer zijn vaderhart zoo vurig wenscht. Over welke overwinnende
kracht zou Rome niet beschikken, wanneer het zonder tegenspraak over
alle Christenen der geheele wereld heerschen zou?
Hier kwam de sociale gedachte van Leo XIII terug. Nog als bisschop
van Perugia had hij een herderlijken brief geschreven, waarin een
nog wel vaag humanitair socialisme tot uiting kwam. Nauwlijks echter
heeft hij zich de tiara opgezet, of hij verandert van meening,
dreigt de revolutionnairen, wier vermetelheid toen geheel Italië
schrik aanjoeg, met zijn banbliksems. Onmiddellijk echter wijzigt
hij zijn koers, gewaarschuwd door de feiten, het doodelijk gevaar,
om het socialisme in de handen van de vijanden van het Katholicisme
te laten, inziende. Hij luistert naar de adviezen van de populaire
bisschoppen in de propagandalanden, mengt zich niet meer in de
Iersche quaestie, trekt den banvloek in, dien hij naar de Ridders
van den Arbeid in de Vereenigde Staten geslingerd had, verbiedt de
vermetele boeken van Katholiek-socialistische schrijvers op den Index
te plaatsen. Deze omzwenking naar de democratie vindt men in zijn
meest beroemde encyclieken terug: Immortale Dei over de constitutie
der staten; Libertas over de menschelijke vrijheid; Sapientiae over de
plichten van Christelijke burgers; Rerum novarum over den toestand der
arbeiders. Met name deze laatste schijnt de Kerk verjongd te hebben. De
paus constateert daarin de onverdiende ellende der arbeiders, den te
langen werktijd, het onvoldoende loon. Ieder mensch heeft het recht
om te leven; het door den honger afgeperste contract is onrechtvaardig.
Op een andere plaats verklaart hij, dat men den arbeider niet
onbeschermd mag laten tegenover een uitbuiting, die de ellende
der groote meerderheid in het geluk van enkele anderen verkeeren
doet. Daar hij zich over de organisatiequaestie slechts zeer vaag kan
uiten, bepaalt hij er zich toe de vereenigingsbeweging, die hij onder
de bescherming van den Staat plaatst, aan te moedigen; en nadat hij
aldus de gedachte van het burgerlijk gezag hersteld heeft, brengt hij
God weer op zijn souvereine plaats terug. Hij verwacht voornamelijk
heil van moreele maatregelen, van den ouden eerbied voor familie
en eigendom.
Maar was deze hulpvaardige hand, die de verheven stedehouder van
Christus openlijk aan de eenvoudigen van geest en de armen toestak,
niet het zeker teeken van een nieuwen bond, niet de aankondiging
van een nieuw koninkrijk van Jezus op aarde? Van nu af aan wist het
volk, dat het niet verlaten was. En tot welk een glorie steeg van dat
oogenblik af Leo XIII niet, wiens priester- en bisschopsjubilea door
de gezamenlijke Christenheid gevierd werden onder den toevloed van een
ontzaglijke menigte, van tallooze geschenken, van vleiende brieven,
door alle souvereinen gezonden.
Vervolgens had Pierre de quaestie van de wereldlijke macht behandeld,
wat hij vrijuit meende te mogen doen. Natuurlijk wist hij, dat de paus
in zijn strijd met Italië even hardnekkig als op den eersten dag zijn
rechten op Rome bleef handhaven; maar hij meende, dat dit slechts
een noodzakelijke vormquaestie was, die door politieke overwegingen
opgedrongen werd en verdwijnen zou, zoodra het uur daarvoor sloeg. Hij
voor zich was overtuigd, dat de paus, die nog nooit zoo groot geweest
was als thans, die uitbreiding van zijn autoriteit, die zuivere
schittering van moreele almacht te danken had aan het verlies van zijn
wereldlijke macht. Welk een lange reeks van misslagen en conflicten
was sedert vijftien eeuwen niet de geschiedenis van het bezit van dit
kleine Romeinsche koninkrijk! In de vierde eeuw verlaat Constantijn
Rome, op den ledigen Palatinus blijven nog slechts enkele vergeten
functionarissen achter; de paus maakt zich natuurlijk van de macht
meester en het leven der stad gaat over naar den Lateranus. Maar eerst
vier eeuwen later erkent Karel de Groote het fait accompli door aan
den paus formeel den Kerkelijken Staat te schenken.
Van dat oogenblik af houdt de oorlog tusschen de geestelijke macht
en de wereldlijke machten niet meer op, dikwijls in het verborgene,
meestal echter hevig, vol bloed en vlammen. Is het niet onverstandig
thans te droomen van een pausdom, dat te midden van het gewapende
Europa tegelijk koning van een lapje grond was, waar het blootgesteld
zou zijn aan alle kwellingen, waar het zich slechts met behulp van een
vreemd leger zou kunnen handhaven? Wat zou er van het pausdom worden
in het algemeene bloedbad, dat men dreigend naderen ziet? Hoeveel
veiliger, hoeveel waardiger en hooger is zijn positie, wanneer het,
bevrijd van alle aardsche zorgen, slechts over de wereld der zielen
regeert!
In de eerste tijden der Kerk heeft het pausdom, oorspronkelijk
geheel locaal en zuiver Romeinsch, zich langzamerhand gekatholiseerd,
geüniversaliseerd, door zijn heerschappij over de geheele Christenheid
uit te breiden. Eveneens heeft het Heilig College, dat oorspronkelijk
niets anders was dan een voortzetting van den Romeinschen Senaat,
zich geïnternationaliseerd, zoodat het heden ten dage de meest
universeele van alle vereenigingen geworden is, waarin onderdanen van
alle naties zitting hebben. En is het niet duidelijk, dat de paus,
aldus door de kardinalen gesteund, de eenige groote internationale
autoriteit geworden is, des te machtiger nu hij bevrijd is van
monarchistische belangen en in naam der menschheid spreekt, ja zelfs
boven het begrip vaderland staat. De zoo vurig gezochte oplossing,
waarom zulke langdurige oorlogen gevoerd zijn, bestaat ongetwijfeld
hierin: of men moet den paus de wereldlijke macht over de geheele aarde
geven of hem slechts de geestelijke heerschappij laten. Wanneer hij,
die reeds de meester der zielen is, niet door alle volkeren als de
eenige meester der lichamen, als de koning der koningen erkend wordt,
dan moet hij als stedehouder Gods, als absoluut en onfeilbaar souverein
door goddelijke overdracht in zijn heiligdom blijven.
Maar welk een vreemd avontuur was dit nieuwe ontspruiten van het
pausdom op het door de Fransche Revolutie bezaaide en bemeste
veld! Misschien baant dit het den weg naar de heerschappij, het
streven waarnaar het zooveel eeuwen staande gehouden heeft. Want
nu staat het alleen voor het volk; de koningen zijn neergeworpen;
aan het volk staat het thans vrij zich te geven aan wie het zelf wil;
waarom zou het zich niet geven aan het pausdom? De zekere afbrokkeling,
die de vrijheidsidee ondergaat, geeft het recht alles te hopen. Op
economisch terrein schijnt de liberale partij overwonnen. De arbeiders,
ontevreden over '89, klagen over hun steeds grooter geworden ellende,
roeren zich, zoeken wanhopig naar het geluk. Anderzijds hebben de
nieuwe regeeringsvormen de internationale macht der Kerk doen toenemen;
in de parlementen der republieken en constitutioneele monarchieën
zitten talrijke Katholieken.
Alle omstandigheden schijnen dus het buitengewone geluk van het
verouderende, maar tot nieuwe jeugdkracht ontwakende Katholicisme te
begunstigen. Tot de wetenschap toe, die men bankroet verklaart, wat den
Syllabus van belachelijkheid redt, maakte de geesten ongerust, opent
weer het onbegrensde gebied van het mysterie en van het onmogelijke. En
dan herinnert men zich een prophetie, volgens welke het pausdom meester
der wereld zijn zou, zoodra het zich aan de spits der democratie zou
stellen, na al de afvallige Oostersche Kerken met de apostolische
Roomsch-Katholieke Kerk vereenigd te hebben. Die tijd was blijkbaar
gekomen, nu de paus, de machtigen en rijken dezer aarde van zich
stootend, de van hun troon gejaagde koningen in hun ballingschap liet,
om zich, zooals Jezus, aan de zijde van de arbeiders zonder brood en
de bedelaars te scharen. Misschien nog enkele jaren van vreeselijke
ellende, van verontrustende verwarring--en dan zal het volk, de groote
Zwijger, waarover men tot dusverre naar willekeur beschikt heeft,
zijn mond openen, terugkeeren naar de wieg, naar de geünifieerde Kerk
van Rome, om de dreigende verwoesting der menschelijke maatschappij
te voorkomen.
En Pierre eindigde zijn boek met een hartstochtelijke evocatie van
het nieuwe Rome, het geestelijke Rome, dat weldra heerschen zou over
de verzoende, in een nieuwe gouden eeuw als broeders vereenigde
volkeren. Hij zag daarin zelfs het einde van het bijgeloof in,
hij had, zonder echter de dogma's direct aan te vallen, zich in
zijn dweperij zoozeer vergeten, dat hij van een uitgebreid, van alle
ceremoniën bevrijd, geheel in de bevrediging der naastenliefde opgaand,
religieus gevoel droomde. Nog gewond door zijn reis naar Lourdes, had
hij toegegeven aan den drang, om zijn hart te bevredigen. Was dat zoo
krasse bijgeloof van Lourdes niet het afschuwlijke symptoom van een
tijdvak van al te groot lijden? Den dag, dat het Evangelie over de
geheele wereld verbreid en in toepassing gebracht zou worden, zouden
de lijdenden niet meer zoo ver en onder zoo tragische omstandigheden
een illusoiren troost gaan zoeken, zeker als zij van af dat oogenblik
zouden zijn thuis hulp te vinden, getroost en genezen te worden.
Te Lourdes had men een zondige verdraaiing van het lot, een
voortdurende reden tot strijd, die aan God deed twijfelen, maar
in de echt-Christelijke maatschappij van morgen verdwijnen zou. O,
deze christelijke maatschappij, deze christelijke gemeenschap; het
zwaartepunt van het geheele boek lag in het vurige verlangen naar de
komst daarvan! O, mocht de tijd gauw komen, dat het Christendom weer de
godsdienst van gerechtigheid en waarheid worden zou, die het vroeger
geweest was, voor het zich had laten veroveren door de machtigen
en rijken! De tijd, dat de kleinen en armen regeerden, de aardsche
goederen onderling deelden en slechts gehoorzaamden aan de alles gelijk
makende wet van den arbeid! De tijd, dat de paus alleen aan het hoofd
van de federatie der volkeren staan zou, als een vredesvorst, wiens
eenige en eenvoudige roeping was de regel der moraal, de band van
liefde en barmhartigheid te zijn, die alle wezens samenbindt. Was
dat niet de aanstaande verwezenlijking van Christus' beloften. De
tijden zouden in vervulling gaan, de burgerlijke maatschappij en de
religieuse maatschappij zouden elkaar zóó volkomen dekken, dat zij er
slechts één zouden vormen. Dat zou de door alle propheten voorspelde
eeuw van triomf en geluk zijn: geen strijd meer, geen antagonisme
tusschen lichaam en ziel, een wonderbaar evenwicht, dat de zonde zou
dooden, dat op aarde het koninkrijk Gods brengen zou. Het nieuwe Rome,
het centrum der wereld, dat aan de wereld den nieuwen godsdienst gaf!
Pierre voelde, hoe de tranen hem in de oogen kwamen. Met een onbewust
gebaar en zonder de verbazing van de magere Engelschen en de corpulente
Duitschers, die over het terras heen en weer liepen, op te merken,
breidde hij zijn armen uit naar het werkelijke Rome, dat, badend in
de mooie zon, zich aan zijn voeten uitstrekte. Zou het zijn droom
goedgunstig gezind zijn? Zou hij, zooals hij gezegd had, werkelijk het
geneesmiddel voor al ons ongeduld, voor al onze smart vinden? Kon het
Katholicisme zich hernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijke
Christendom terugkeeren, de godsdienst der democratie zijn, het geloof,
dat de in doodsgevaar verkeerende moderne maatschappij verwacht, om
tot kalmte te komen en verder te leven? Hij was vol edelen hartstocht,
vol geloof. Hij zag den goeden abbé Rose terug, zooals hij bij het
lezen van het boek van ontroering weende; hij hoorde vicomte Philibert
de la Choue tegen hem zeggen, dat een dergelijk boek met een leger
gelijk stond; hij voelde zich vooral sterk door de goedkeuring van
kardinaal Bergerot, den apostel van de onuitputtelijke naastenliefde.
Waarom dreigde dan de congregatie zijn werk op den Index te
plaatsen? Sedert veertien dagen, sedert men hem officieus gewaarschuwd
had naar Rome te gaan, als hij zich verdedigen wilde, stelde hij zich
telkens weer die vraag, zonder te kunnen ontdekken, welke bladzijden
van zijn boek aanstoot konden geven. Het kwam hem voor, dat in alle het
zuiverste Christendom brandde. Maar hij kwam, bevend van geestdrift en
moed, hij verlangde vurig neer te knielen aan de voeten van den paus,
zich onder zijn verheven bescherming te stellen, hem te zeggen, dat hij
geen regel geschreven had, die niet door zijn geest geïnspireerd was,
die niet den triomf van zijn politiek beoogde. Was het mogelijk, dat
men een boek op den Index plaatste, waarin hij in volle oprechtheid
meende Leo XIII verheerlijkt te hebben door hem bij zijn werk van
Christelijke eenheid en algemeenen vrede te helpen?
Een oogenblik bleef Pierre tegen de borstwering staan. Bijna een
uur lang stond hij daar reeds, zonder zich te kunnen verzadigen aan
den aanblik van Rome's grootheid, dat hij dadelijk ondanks al het
onbekende, dat het voor hem verborg, had willen bezitten. O, het
te grijpen, het te kennen, oogenblikkelijk de waarheid te ervaren,
die hij het vragen kwam! Het was een nieuw experiment, een nog
ernstiger dan Lourdes, een beslissend experiment, waaruit hij òf
gesterkt òf voor altijd verpletterd te voorschijn zou komen. Hij
vroeg niet meer het naïeve, absolute kindergeloof, maar het hoogere
geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven ceremoniën en
symbolen en werkt aan het grootst mogelijke geluk der menschheid,
gebaseerd op zijn behoefte aan zekerheid. Zijn hart klopte in zijn
keel: wat zou Rome's antwoord zijn? De zon was verder geklommen,
de hooger gelegen stadswijken teekenden zich scherper tegen den in
vuur staanden achtergrond af. In de verte namen de heuvels gouden en
purperen tinten aan, terwijl de dichtst bij zijnde gevels helder en
duidelijk met hun duizenden vensters te zien waren.
Maar de ochtendnevels waren nog niet geheel opgetrokken, lichte
sluiers schenen uit de lage straten op te stijgen en de toppen te
omhullen, waar zij zich dan in den vurigen, eindeloos blauwen hemel
vervluchtigden. Een oogenblik dacht hij, dat de Palatinus verdwenen
was; hij zag nauwlijks den donkeren zoom der cypressen, alsof hij
door het stof van zijn ruïnen verborgen werd. Voornamelijk echter was
de Quirinalis niet te onderscheiden, het koninklijk paleis met zijn
onbeteekenenden, vlakken en lagen gevel scheen zich teruggetrokken te
hebben en zag er in de verte zoo onbestemd en vaag uit, dat hij het
niet meer onderscheiden kon. Links echter, boven de boomen, stak de
dom van St. Pieter nog hooger uit in het heldere goud van de zon--nam
den geheelen hemel in, beheerschte de geheele stad.
O, met welk een onbegrensde hoop vervulde hem deze eerste aanblik
van Rome--het ochtend-Rome, welks nieuwe wijken hij in de koorts van
zijn aankomst niet eens opgemerkt had, het Rome, dat hij hoopte zóó
te vinden als hij het gedroomd had. En toen hij daar in zijn dunne
zwarte soutane op dezen schitterenden morgen in aanschouwing verzonken
stond--toen meende hij een kreet van naderende verlossing uit de daken
te hooren oprijzen, een belofte van wereldvrede te hooren weerklinken
uit die heilige aarde, welke tweemaal koningin der wereld geweest
was. Dit was het derde Rome, het nieuwe Rome, welks vaderlijke liefde
over de grenzen heen uitging naar alle volkeren, om ze, getroost,
in één omarming aan zijn borst te drukken. Hij zag het, hij hoorde
het--het lag daar zoo verjongd, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden
blauwen hemel, als opgeheven in den heerlijk-frisschen ochtend en de
hartstochtelijke reinheid van zijn droom.
Eindelijk rukte Pierre zich van het verheven schouwspel los. Het paard
en de koetsier hadden zich niet bewogen, met gebogen hoofd stonden
zij in de volle zon. Op het bankje brandde het handkoffertje in de
stralen van de nu reeds hoog staande dagvorstinne. Hij stapte weer
in zijn rijtuigje, riep den koetsier opnieuw het adres toe:
"Via Giulia, palazzo Boccanera."