VII

De oostkust van Mindanao.

Dien eigen avond, omstreeks tien uren, wierpen wij het anker uit in

eene kreek, voor het dorpje Placer. Ik zend mijne lieden naar den

wal om daar te overnachten en houd alleen twee muchachos bij mij.

Toen ik den volgenden morgen wakker werd, bevond ik mij op eenige

kabellengten van de kust en geheel alleen aan boord; gedurende

den nacht hebben de muchachos zich uit de voeten gemaakt en is

de banca losgeraakt. Mijne muchachos waren van Surigao vertrokken

zonder een penning op zak, maar de matrozen hadden nog wat geld, en

overeenkomstig het gebruik bij de Bisayas, hebben allen te zamen dit

geld verdronken. Gelukkig drijft de wind mij naar de kust; ik hijsch

het zeil; na verloop van korten tijd is mijn personeel weer kompleet

en kunnen wij weder vertrekken.

Ten zuiden van Placer is de kust zeer onvolkomen door eilanden

gedekt; de wind wakkert aan, en de zee gaat hoog; ten elf uren zijn

mijne roeiers uitgeput. Ik acht mij gelukkig dat wij onder den wal

van het eilandje Cabgan, eene halve mijl ten zuiden van Gigaquit,

kunnen ankeren.

Wij krijgen nu de zoogenaamde _colla_--dat wil zeggen, onophoudelijke

regenbuien vergezeld van hevige windvlagen;--zij duurt twee dagen

achtereen; aan de windzijde kan men zich, op het strand van het

eilandje, niet dan met moeite op de been houden. Den veertienden

begint de wind wat te bedaren; intusschen kom ik tot de onaangename

ontdekking dat mijne bemanning viermaal meer levensmiddelen heeft

verbruikt dan waarop gerekend was, en dat zij het overige hebben

laten bederven. Wij moeten naar Gigaquit gaan om nieuwen voorraad op

te doen. Ondanks de onstuimige zee, gaan mijne manschappen, zonder

een woord te zeggen, aan boord. Ik laat koers zetten naar den mond

van de kleine rio van Gigaquit, ten zuidwesten van Cabgan; de hevige

noordoosten wind, die bijna tot storm is aangewakkerd, drijft ons

met vliegende snelheid door het met ondiepten en banken bezaaide

water naar de kust; op eenigen afstand van de rio worden de golven

grooter en langer, maar de banca glijdt nog zonder moeite over hare

oppervlakte. Mijne roeiers kennende, kom ik op den gelukkigen inval, de

zeilen te doen hijschen. Het water neemt eene aschgrauwe kleur aan; de

golven worden al breeder en steiler: wij bevinden ons op de baar. Eene

reusachtige golf stort zich op de banca, tilt haar als eene voer omhoog

en vloeit dan onder haar weg; de banca drijft nu op een volkomen

kalm en effen water, grijsgeel van kleur. Maar verre, verre achter

ons verheft zich op die grauwe oppervlakte eene reusachtige golf,

loodrecht als een muur en met een breeden rand van schuim gekroond;

zij nadert in vliegende vaart, aanrollende met onwederstaanbaar geweld:

onder dien loodkleurigen hemel, bij dien huilenden wind, een bode des

verderfs.... Na verloop van eenige sekonden heeft zij ons bereikt;

de banca verdwijnt in wolken van warrelend schuim; het woest geklater

en gekraak overstemt het geschreeuw mijner equipage. De banca is

vol water; dat zij boven drijft, is uitsluitend aan den uitlegger te

danken;--maar wij zijn een eind vooruitgekomen,--en mijne manschappen

hebben den tijd, althans gedeeltelijk het water uit te hoozen, eer

eene nieuwe golf komt; dit tooneel herhaalt zich acht- of tienmaal:

een laatste golf werpt ons in de rio van Gigaquit.

Mijne verschillende instrumenten drijven intusschen, beschadigd en

in hopelooze wanorde, op den bodem van de banca; in drift ontstoken

grijp ik den stuurman bij de keel: "Zeg mij, ellendige _tulisan_

(roover), hoe durft gij als stuurman dienst te doen, daar ge dit

vaarwater niet kent?

--_Dispense Usted_, Señor (Met uw verlof, Mijnheer), ik ken de kust

zeer goed.

--Waarom hebt gij mij dan niet vooruit gewaarschuwd?

--_Dispense Usted_, Señor, gij zaagt er bij ons vertrek zoo toornig

uit, dat ik geene opmerking durfde maken."

Aan den oever van de rio staat de pastorie van Gigaquit; juist toen

ik er binnen wilde gaan, nadert een Europeaan, even druipnat als

ik, van den anderen kant: dat is pater Puntas. Met onze doorweekte,

vast aan het lijf klevende kleederen, zien wij er zoo wonderlijk uit,

dat wij ons niet weerhouden kunnen, in lachen uit te barsten. Pater

Estevan Yepes, missionaris van Grigaquit, komt naar buiten, en ontvangt

mij, als trouwens al zijne achtenswaardige collega's, met de meeste

voorkomendheid. De pastorie is ruim; het zinken dak is tegen den

regen bestand; weldra kan ik mijne kleederen, mijne gereedschappen

en instrumenten en ook mijn persoon bij een goed vuur drogen.

16 Januari.--Het weer wordt steeds slechter; het is onmogelijk zee te

kiezen; geweldige branding en onophoudelijke stormvlagen houden ons

gevangen; en naar het schijnt, is dit het normale weer in dezen tijd

des jaars tot April of Mei! Toch moet ik eene laatste poging wagen,

om mijn tocht naar het zuiden te vervolgen.

Van een vluchtige beterschap gebruik makende, steken wij, bij eb,

van Gigaquit in zee en komen zonder ongeval over de baar. Nu zetten

wij koers naar de landpunt Tugas; maar ondanks alle inspanning van de

equipage, bijgestaan door de muchachos, komen wij niet vooruit. Deze

prauwen, door sommige reizigers zoo geprezen, zijn metterdaad ellendige

vaartuigen; de uitleggers belemmeren hun gang; de vorm van de kiel

belet het aanbrengen van een deugdelijk roer, in welk gemis zeer

onvolkomen wordt voorzien door een korten wrikriem; en bij eene sterke

branding zijn zij niet meer te vertrouwen, zoodra men niet meer voor

den wind stuurt. Bij de slingerende bewegingen stoot de uitlegger te

loefwaart met kracht tegen de golven, die de banca hebben opgetild,

zoodat de rottingbanden, waarmede hij aan de dwarshouten verbonden

is, beginnen los te laten. Dit is ook nu het geval: Francisco, die

den uitlegger aan bakboordzijde moet gaan vastbinden, wordt door eene

golf medegesleept en verdwijnt in de diepte. Gelukkig konden wij hem

weer opvisschen, toen hij, tien vademen verder, weder boven kwam.

Na dit ongeval was mijn besluit genomen. Ik geef mijn voornemen om over

zee naar Bislig te gaan op; ik zal daar spoediger komen wanneer ik over

land naar Bunauan ga; daar gekomen, zal ik het gebergte overtrekken,

dat zich tusschen het meer Linao en den Stillen-oceaan verheft. Ik zet

dus weer koers naar Placer, dat wij niet zonder moeite bereiken; de

wind, die eerst gunstig was, wordt te sterk en de zee is onstuimig;

de wind loopt plotseling naar het noorden en scheurt het groote

zeil aan flarden; mijne manschappen weten niet meer wat hun te doen

staat. Op dat oogenblik vliegt eene ontredderde banca pijlsnel langs

ons heen en wordt op de kust van Placer tot splinters geslagen, eer

ik haar een touw heb kunnen toewerpen. Gelukkig kan de bemanning den

vasten wal bereiken. Eindelijk komen wij, des avonds ten zeven uren,

te Taganaan, waar ik weldra, in gezelschap van pater Jaime Plana en

broeder don Pablo Aguilar, de vermoeienissen van dezen dag vergeet.

Den negentienden Januari kwamen wij te Butuan, Ik vaar de Agusan op:

hetgeen ten gevolge van den sterken was der rivier zeer langzaam

gaat; de nieuwe dorpen van de Manobos conquistados hebben zeer veel

te lijden gehad van de overstroomingen. Op mijn herhaald verzoek om

levensmiddelen, heeft de capitan van Guadelupe geen ander antwoord dan

dit: "Ik sterf van honger". Alle plantages zijn verwoest. Te Amparo is

er gebrek aan menschen, niet minder dan aan levensmiddelen. De hutten

staan ledig; de inwoners hebben alles medegenomen, levensmiddelen en

gereedschappen. Te San-Luis verneem ik, tot mijne verbazing, dat ik

zelf de oorzaak ben van deze vlucht der inlanders. Toen ik op mijne

heenreis de Agusan afzakte, heb ik eenige Manobos, van wie men mij

verzekerde dat zij van het zuiverste bloed waren, gemeten. Deze

operatie, waarvan zij niets begrepen, kwam hun in de hoogste

mate verdacht voor; en hun voormalige dato, die het verlies zijner

vroegere onafhankelijkheid slecht kon verkroppen, heeft hen zonder

moeite overgehaald, met hem naar de bosschen te vluchten. Ook mijne

astronomische waarnemingen hebben het wantrouwen der oeverbewoners

opgewekt, en de Manobos van San-Luis deelen mij openhartig de

reden daarvan mede. "Ziet ge, zeiden zij, dat gaat niet natuurlijk

toe; alleen een toovenaar kan met zulk een wonderlijk instrument

(zij bedoelen mijn sextant) naar de zon kijken. Dit instrument is

betooverd; daardoor ontdekt gij de ligging der hutten, midden in

de dichtste wouden, achter de bergen verborgen; gij teekent die op,

en zult dan met de Castilas terug komen om al de Infieles in hunne

handen over te leveren".

Het doet mij innig leed, aldus zonder mijn weten den arbeid te hebben

verstoord van de missionarissen, die mij met zooveel hartelijkheid

hebben ontvangen. Toch is het te verwonderen, dat dergelijke desertiën

niet meer voorkomen. De _reduccion_ vernietigt de macht van den dato en

laat hem slechts eene enkele vrouw; zijn gezag als capitan of teniente

is uit den aard der zaak onzeker; de _sacopes_ en de slaven kunnen

eerst na verloop van tijd de voordeelen en weldaden van het nieuwe

regeeringsstelsel leeren waardeeren; hunne aangeboren zorgeloosheid

bekommert zich niet om de onzekerheden en wisselvalligheden aan

het wilde leven in de bosschen verbonden; daarentegen kunnen zij

in geenen deele de noodzakelijkheid inzien, om, in strijd met hunne

aloude gewoonte, voor ieder gezin eene afzonderlijke hut te bouwen,

benevens eene kapel, een tribunaal en dergelijke inrichtingen; de

dato eischte wel van hen, dat zij hem in den oorlog zouden volgen,

maar dat viel geheel in hun smaak, want daarbij was in den regel

eenige buit te behalen.

Toch zijn de desertiën doorgaans het gevolg van de knevelarijen

der inlandsche inspecteurs of tolken, die in de dorpen der _nuevos

conquistados_ worden aangesteld, om toezicht te houden en hen bekend

te maken met de eerste beginselen der beschaving. De Bisayas nemen die

betrekkingen alleen aan, omdat zij hopen daarvan voordeel te trekken

door de oneerlijkste praktijken. Spekuleerende op de zorgeloosheid

en ijdelheid der nieuw bekeerden, verkoopen zij hun op krediet

kleederen, snuisterijen en allerlei andere zaken, tegen buitensporig

hooge prijzen en voor belangrijke sommen. De _reducidos_, geen kans

ziende ooit hunne schuld af te betalen, maken zich soms uit de voeten;

maar de schuldeischer verliest er niet veel bij: als hij maar iets

op afrekening ontvangen heeft, is hij doorgaans reeds meer dan gedekt.

Eerst den 27_sten_ Januari kom ik te Bunauan, waar ik de banca, die

ik te Butuan had gehuurd, verwissel tegen twee prauwen. Ik verlaat

nu mijn vroegeren weg en vaar de Simulao op, die sterk gezwollen en

vrij onstuimig is, tot een weinig boven Tudela, een armzalig dorp van

Mandayas, die meer of minder oprechtelijk tot het Christendom zijn

overgegaan. De Simulao is tusschen tamelijk hooge oevers ingesloten,

die eenzaam en verlaten zijn. Het regent maar steeds door; en onder

dien grauwen hemel, maakt Tudela, in de modder verzonken, den treurigen

indruk van een dorp, dat in puin vergaat nog eer het voltooid is. De

inwoners schijnen met verdooving geslagen; de kinderen zelfs, in

de hoeken neergehurkt, met houten sabeltjes spelende, zijn somber en

zwijgend bij hun spel.

Ik moet echter noodwendig dragers hebben, om over den berg Bucan

te trekken, die mij van Bislig scheidt; daar alle aanbiedingen en

bedreigingen zonder uitwerking blijven, maak ik mij meester van

den capitan van Tudela, zeg hem dat hij mijn gevangene is, dat ik

hem zal medenemen en dat hij nimmer de oevers van de Simulao zal

wederzien. Eerst toen besloot hij, mij twee lichte kano's, drie mannen

en vier kinderen van vijf tot twaalf jaar te bezorgen.

Den laatsten dag der maand kwamen wij, na over den berg Bucan

(honderd-dertig el hoog) getrokken te zijn, aan de diepe en breede

rio Bislig. Even als alle andere reeden langs deze kust (alleen

de golf van Pujada uitgezonderd), ligt ook die van Bislig naar het

noordoosten open, waardoor zij gedurende den thans heerschenden moesson

onbruikbaar is.--Bislig, eene der oudste nederzettingen van de Bisayas

aan de kust van den Stillen-oceaan, wordt tot Surigao gerekend en

bestuurd door een bataillonschef. Ik begeef mij naar het tribunaal,

waar ik in mijn armoedige bagage een fatsoenlijk kleedingstuk opzoek,

om mijne opwachting te kunnen maken bij den gouverneur. De kommandant,

don Raphael Piquer y Morales, van mijne komst verwittigd, zendt

aanstonds een ploeg cuadrilleros, die al mijne bagage opnemen. Ik

volg hen, en eenige minuten daarna stelt de kommandant mij aan zijne

echtgenoote voor, en zegt mij dat ik bij hem ben gelogeerd. "Eene

weigering zou u niets baten, voegt hij er aan toe: laat ons maar

dadelijk aan tafel gaan."

Ik breng twee zeer aangename dagen bij mijne gasten door, die alleen

met hun dochtertje in dit dorp, toch niet aan verveling ten prooi zijn

en zich bezigheid hebben weten te verschaffen. De heer en mevrouw

Piquer dringen er op aan, dat ik langer zal blijven; maar ik ben

uitgeput van vermoeienis en ziek; ik gevoel dat het hoog tijd wordt,

mijn tocht door Mindanao ten einde te brengen, omdat anders de krachten

mij zullen gaan begeven.

Het weer schijnt tot beterschap te neigen; den tweeden Februari

vertrek ik van Bislig in eene groote banca met vijf matrozen, die ik

te danken had aan de vriendelijke tusschenkomst van den kommandant

Piquer. Blijft het weer goed, dan zal het mij misschien mogelijk zijn,

ondanks den mousson, de baai van Pujada te bereiken. De ervaring

leerde evenwel al spoedig dat dit niet doenlijk was. Zoodra de wind

maar even aanwakkerde, werd de zee zoo woelig en ontstond er zulk

eene geweldige branding, dat wij niet voort konden komen. Na drie

dagen tobbens, hadden wij het nog niet verder gebracht dan tot Catel

Nuevo; van daar uitzeilende, werd de zee weder zoo ontstuimig, dat

onze banca met mast en al onder de golven verdween. Ik weet wel,

dat onze visschers langs het Kanaal en de Noordzee, in den winter

meermalen zulk weer trotseeren, maar hunne vaartuigen bouwen vrij

wat beter zee dan de banca's van Mindanao; bovendien is er, noch uit

physiek, noch uit moreel oogpunt, eene vergelijking te maken tusschen

onze visschers en de Bisayas.

Ik besluit dus, mijne reis over land, langs de kust, te vervolgen,

en zend naar Catel-Viejo om dragers. Catel-Viejo, een oud pueblo

der Bisayas, wordt tegenwoordig door onderworpen en nieuw bekeerde

Mandayas bewoond, wier traagheid en zorgeloosheid niets te wenschen

overlaat. Als zij zien, dat ik mij in ernst boos maak, loopen zij weg,

zoodat wij hen te water en te land moeten najagen. Na bovenmenschelijke

inspanning krijg ik eindelijk vier mannen, benevens twee buffels

voor sleden gespannen, waarmede wij, naar het zeggen der Mandayas,

over het zandige strand zeer goed zullen opschieten.

Ondanks den onbarmhartigen regen, die op nieuw bij stroomen neervalt,

zou het inderdaad ook goed zijn gegaan, indien de sleden der Mandayas

maar over het zand hadden willen glijden: maar daartoe waren zij

niet te bewegen. Wij moeten dus de bagage van de sleden afnemen en

op de buffels overladen, die daartoe van pakzadels worden voorzien,

op de plaats zelve van lianen vervaardigd. Een dezer dieren, wien

dit prikkelende zadel waarschijnlijk hindert, zet het eensklaps op

een loopen en strooit zijne vracht over het strand. Zijn verschrikte

geleider rent hem na, luid schreeuwende: "_Ayao! ayao!_" Het tooneel is

zoo dwaas, dat ik mij niet boos kan maken. Het is intusschen onmogelijk

verder te gaan, want de duisternis valt en het strand is met drijfhout

bedekt; wij bivouakeeren dus onder den blooten hemel, op een rots,

onder onophoudelijkcn regen, zonder vuur en zonder levensmiddelen.

Den volgenden dag kwamen wij vrij vroegtijdig te San-Juan, wederom

een dorp van onlangs onderworpen Mandayas; de capitan verhuurt mij

een paard, een armzalig dier, dat mij, hoe vermagerd ik ook ben,

niet dragen kan; bij den eersten kuil, dien wij ontmoeten, struikelt

hij en valt op mij. Ik laat dien rosinant vastbinden aan den staart

van een buffel, die hem met moeite voorttrekt. De regen, die sedert

vier-en-twintig uren zonder ophouden valt, wordt een ware zondvloed:

het is alsof de geheele Stille-oceaan zich in damp heeft opgelost om

vervolgens weer in waterstroomen op ons neer te dalen. Het steile pad,

dat over het voorgebergte Bagoso loopt, is bezaaid met puntige rotsen

en steenen, telkens afgebroken door diepe beken en door breede en diepe

poelen. Ik vraag mij af, hoe onze buffels het wel hier maken moeten,

toen eensklaps een dezer dieren, het beste, neervalt en weigert op te

staan; het stervende dier zinkt elk oogenblik dieper in de modder. Twee

muchachos loopen zoo hard zij kunnen naar den naasten pueblo; de hemel

geve, dat die niet ver verwijderd zij! Inmiddels laat ik den armen

buffel van zijne vracht bevrijden, en tot mijne groote verbazing komt

het dier weer bij; wij trekken hem uit de modder en beladen hem weder,

maar slechts met een deel zijner vracht, want de onophoudelijke regen,

die overal doordringt, heeft het gewicht der bagage verdubbeld. Kort

daarop verschijnen een aantal Bisayas van Quinablangan; ik heb het

gelukkig getroffen: het dorp lag in de nabijheid en mijne muchachos

hebben er een missionaris ontmoet, die, zonder dat hij mij kende, hen

aanstonds terugzond met zooveel manschappen, als waarover hij op dat

oogenblik beschikken kon. De buffels, nu van een deel van hun vracht

ontlast, gaan geregeld voort; wij trekken met spoed door de laatste

ravijnen van den berg, en komen tegen vier uren in den namiddag te

Quinablangan, waar ik persoonlijk mijn dank kan brengen aan pater

Raimundo Peruga, die ons op zoo uitstekende wijze geholpen heeft.

8 Februari.--Ik heb heden een reisgenoot: pater Peruga gaat, even als

ik, naar Dapnan, een door Bisayas bewoond dorp, waar wij den eerwaarden

pater Quirico Moré aantreffen, dien ik reeds de eer heb gehad te Davao

te ontmoeten. Dapnan is in geweldige opschudding: twee dagen geleden

hebben de Mandayas een aanval gewaagd op enkele huizen van den pueblo;

zij hebben drie der hunnen verloren, maar hebben zes Bisayas vermoord

en verscheidene anderen medegevoerd; het is waar, dat de Bisayas, kort

te voren, op soortgelijke wijze de Mandayas hadden overvallen. Deze

veeten zijn onuitroeibaar, en de eene gewelddaad lokt de andere uit.

Des avonds komen wij te Baganga, een pueblo die door vijftien-honderd

zoogenaamde oude Christenen (_Christianos viejos_) wordt bewoond,

voor het meerendeel mestiezen van Mandayas en Bisayas.

Den volgenden morgen neem ik afscheid van de missionarissen, wier

levenstaak hen roept om, te midden van allerlei ontberingen en gevaren,

te blijven arbeiden onder de Bisayas en Infieles, ver van de beschaafde

maatschappij, waarin ik weldra zal terugkeeren. In waarheid, hoe meer

ik deze mannen in hun bij de wereld vergeten en zoo vaak bespotten

en geminachten werkkring leerde kennen, des te hooger sloeg mijne

bewondering voor hun geloof en hunne grenzenlooze toewijding.

Pater More, die twee dagen te Baganga blijft, leent mij zijn paard,

dat ik hem op de eerstvolgende pleisterplaats zal terugzenden. De tocht

wordt er, voor mijne dragers en mijne muchachos, niet gemakkelijker

op. Het geheele oostelijke gedeelte van Mindanao is bedekt met eene

vrij hooge bergketen, die van het noorden naar het zuiden loopt,

maar talrijke vertakkingen naar het oosten uitzendt, welke meestal

in hooge voorgebergten eindigen. Het gevolg hiervan is, dat de kust

bestaat uit eene opeenvolging van baaien en inhammen, door steile

hoogten gescheiden, waarover een ter nauwernood gebaand pad loopt, dat

door lianen wordt versperd en telkens door beken en poelen afgebroken.

Ik zal maar niet uitvoerig verhalen, hoe wij van dag tot dag

voortsukkelden langs deze noodlottige onherbergzame kust, die bij

elken voetstap den reiziger nieuwe bezwaren in den weg legt. De regen

hield maar steeds aan, en meermalen moesten wij des nachts onder

den blooten hemel kampeeren. Daar kwam bij, dat mijne dragers nooit

langer dan hoogstens één etmaal bij mij bleven; telkens moest ik dus,

in de ellendige dorpen en gehuchten, die wij ontmoetten, op nieuw

moeite doen om plaatsvervangers te vinden. En had ik eindelijk de

noodige manschappen gevonden, dan kostte het niet minder moeite om

hun te eten te geven; het weinige dat zij medebrachten, was in den

morgen reeds verteerd; kwam ik 's avonds in een dorp, dan gelukte

het mij maar zelden, er een weinig rijst te koopen; doorgaans moeten

wij ons tevreden stellen met bananen en wat pataten. In de maanden,

die op den rijstoogst volgen, heerscht er echter, in dit gedeelte

van het eiland, minder gebrek aan levensmiddelen.

In den namiddag van den zestienden Februari kwamen wij, met helderen

zonneschijn,--wij waren echter zoo uitgeput dat de warmte ons

hinderlijk was,--te Mati, een door Bisayas en onderworpen Moros bewoond

dorp aan de baai van Pujada. Deze baai, waarvan de zuidoostelijke punt

uitloopt in een hoog, bij uitnemendheid schilderachtig voorgebergte,

vormt een ruime, zeer gunstig gelegen, uitmuntende haven, die, wanneer

eenmaal de beschaving op de oostkust van Mindanao vasten voet zal

hebben gewonnen, van overwegend belang zal zijn en waarschijnlijk

eene schitterende toekomst tegemoet zal gaan. De voortreffelijke

ankerplaats is door de landpunt Taucanan geheel gedekt tegen de

noorden- en noordoosten winden; de ingang van de baai is zonder eenig

gevaar; enkele kleine eilandjes schijnen daar opzettelijk geplaatst

om bakens en vuurtorens te ontvangen. De baai van Pujada is het

aangewezen middelpunt voor de handelsbeweging langs deze kust; maar

er zal waarschijnlijk nog wel een groote veertien dagen verloopen,

eer hier van handel sprake kan zijn.

Van Bislig tot hier vond ik de kust woest en verlaten, en

menigmalen trokken wij den ganschen dag voort, zonder een spoor

van een menschelijk wezen te ontmoeten, buiten de weinige ellendige

dorpen en gehuchten. De dorpjes der nieuw bekeerde Mandayas zijn ter

nauwernood omringd door eenige armoedige velden, met pataten en rijst

beplant, en als het ware verloren te midden van het dichte woud. De

nederzettingen van zoogenaamde oude Christenen, _Christianos viejos_,

zijn niet beter; overal is de bevolking even traag, verzonken in

lustelooze dofheid en zorgelooze onnadenkendheid.

17 Februari.--Met een kano vaar ik van Mati naar Puerto Balete (ten

zuidwesten van de baai van Pujada), waar het terrein zich uitmuntend

zou leenen voor den aanleg van dokken en kaaien. Ik ga daar aan land,

om den bergrug over te trekken, die van Surigao tot kaap Sint-Augustijn

evenwijdig met de kust loopt. In haar noordelijk gedeelte heb ik

die bergketen reeds in omgekeerde richting overgetrokken, om van de

oevers van de Simulao de zeekust te bereiken. Hier is de overtocht

gemakkelijker; na over een vrij steile kam te zijn geklauterd, die ten

noordwesten van Puerto Balete oprijst, heeft men slechts een natuurlijk

ravijn te volgen, dat de bergketen doorsnijdt en aan de oostkust van

de golf van Davao uitkomt, te Kuavo, waar twee hutten zijn, maar geen

prauw is te vinden. Een visscher, een _moro_, die naar zijne rancheria

terugkeert, neemt mij met zijne bagage in zijne banca op. Ik zend mijne

dragers weg, en mijne muchachos volgen mij te voet langs het strand.

De visscher gaat niet verder dan Sumlug; de dato van dat gehucht

zou, geloof ik, waar het op bedrog en schraapzucht aankomt, het van

iedereen winnen: na eindelooze onderhandelingen bezorgt hij mij

eindelijk, tegen een buitensporigen prijs, eene verrotte banca en

twee zieke slaven.

Zoo, bovendien door tegenwind opgehouden en telkens verplicht stil

te liggen, sukkelden wij voort langs de kust; hier en daar op het

punt van schipbreuk te lijden.

Den twee-en-twintigsten Februari kwam ik eindelijk te Davao,

waar ik het genoegen had, de meeste vrienden terug te vinden,

die ik den tweeden November had verlaten; hun vriendelijk onthaal

zou mij de doorgestane vermoeienissen spoedig hebben doen vergeten,

wanneer niet de telkens wederkeerende aanvallen van koorts mij er aan

hadden herinnerd. Ik breng hier mijne aanteekeningen en collecties in

orde. Mijne muchachos, die geheel uitgerust en hier goed gevoed zijn,

wenschen te vertrekken; de twee, die ik genoodzaakt ben weg te zenden,

om hen niet geheel aan hunne familie te ontrukken, zijn zeer bedroefd;

maar eene goede gratificatie troost hen spoedig. Zulk een zwervend

leven in het gevolg van een Europeaan staat den Indianen zeer goed

aan; in hun dorp teruggekeerd, zijn zij onuitputtelijk in het verhalen

en verdichten van allerlei avonturen en heldendaden en worden in hun

eigen oogen personages van gewicht.

13 Maart.--Ik neem afscheid van Davao en ga aan boord van de _Francisco

Reyes_, die den 21 het anker uitwerpt in de haven van Manilla. Ik

blijf daar eene geheele maand, vergeefs op mijne genezing hopende, in

de gastvrije woning van onzen landgenoot, den heer Louis Génu, wiens

hartelijke en zorgvuldige verpleging mij ongetwijfeld de gezondheid

zou hebben teruggegeven, indien de koortsen, met inzinking van

krachten gepaard, op andere wijze waren te genezen dan door terugkeer

naar Europa.

Voor zoover de koorts mij vrijliet, bracht ik alleraangenaamste

oogenblikken door met den heer Génu, en met onze te Manilla gevestigde

landgenooten, bepaaldelijk met den heer Bréjard, kanselier van het

fransche consulaat, en den heer Aussenac, gewezen kavalerie-officier;

deze heeren, die bijna alle landen der wereld hebben bezocht, wisten

uit den rijken schat hunner ervaring en waarneming zoo belangrijke

mededeelingen te doen, dat ik de met hen doorgebrachte avonden niet

licht vergeten zal. Maar hoe gaarne ik mijne onderzoekingen ook verder

zou hebben uitgestrekt, en hoezeer ik hoopte nog in staat te zijn,

om de Infieles in het noorden van Luçon te leeren kennen, het mocht

niet zijn. De staat mijner gezondheid noodzaakte mij, naar Europa

terug te keeren.

Een beknopt overzicht van de groep der Philippijnen zal, ten besluite

van dit reisverhaal, onzen lezers wellicht niet ongevallig zijn. De

Philippijnen vormen de noordoostelijkste eilandengroep van den

Oost-Indischen archipel; zij ligt tusschen de Chineesche-zee en den

Stillen-oceaan, en strekt zich uit van 5° 9' tot 21° noorderbreedte,

en van 117° tot 126° oosterlengte. Het eigenlijke middelpunt der groep

vormt in het noorden het eiland Luçon, aan welks zuidpunt zich drie

reeksen van eilanden aansluiten, waarvan twee in zuidoostelijke en

eene in zuidwestelijke richting. Het voornaamste eiland na Luçon is

Mindanao in het zuiden; voorts verdienen nog afzonderlijke vermelding:

Samar, Masbate, Leyte, Panay, Negros, Cebu, Pajol, die met Mindoro en

een groot aantal kleinere eilanden de zoogenoemde Bisayasgroep vormen;

verder de Calamianes met inbegrip van Palawan; de Babuyanen en de

Baschi of Batanen, ten noorden van Luçon. Men schat het aantal van alle

eilanden te zamen op twaalfhonderd, en de oppervlakte, met inbegrip

van de Soeloe-eilanden, op vijfduizend-driehonderd-acht-en-zestig

vierkante mijlen, waarvan ruim drieduizend vierkante mijlen in het

bezit der Spanjaarden zijn. Ongetwijfeld vormen al deze eilanden te

zamen een soort van hoogland, tusschen welks plateaux zich diepe dalen

slingeren, thans door de wateren der zee bedolven. De meeste eilanden

zijn met bergen en heuvels bedekt, terwijl belangrijke bergketenen

hen van het noorden naar het zuiden doorsnijden; bovendien bevatten

zij een aantal deels nog werkzame, deels uitgedoofde vulkanen,

en zijn daarom vaak aan aardbevingen onderhevig.

Men onderscheidt drie jaargetijden: vooreerst het droge en koude

jaargetijde, dat in November met den aanvang van den noordoost-moesson

begint; voorts de _sencas_ of het warme saizoen, dat in Maart begint en

in April en Mei onuitstaanbare hitte aanbrengt; eindelijk de regentijd,

die in het zuidwesten van den archipel in Mei en Juni intreedt en

tot September en October duurt, als wanneer het aan de noordelijke

en oostelijke kusten begint te regenen. De zuidwest-moesson begint

regelmatig in Juni; hij duurt tot September en October; het omslaan

van den wind gaat meestal met geweldige stormen en orkanen gepaard.

De bodem der Philippijnen is bij uitstek vruchtbaar; de eilanden,

die niet alleen uit het planten- maar ook uit het delfstoffenrijk

onuitputtelijke schatten bezitten, welke nog maar voor een gering

deel worden geëxploiteerd, behooren ongetwijfeld tot de schoonste en

vruchtbaarste landen van Azië. Jammer slechts, dat Spanje van deze

kostbare bezitting niet al het voordeel trekt, dat het daarvan zou

kunnen genieten.

Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 6 / 7 题