oogen uit en sprong uit bed. Zij kleedde zich zoo wat aan en ging
toen op haar teentjes naar Lena's kamer. Lena was wakker en lag rond
te kijken.
"O, ik ben blij, dat je komt!" riep zij uit. "Ik ben al lang wakker
en heb zoo'n dorst!"
Elsa ging haastig naar de tafel en schonk een glas water in dat zij
Lena toereikte.
"Is Paul gisteren nog lang bij je gebleven?" vroeg Lena toen zij
gedronken had.
"Paul is een nare jongen en Cesar een nare aap!" riep Elsa uit.
"Hé, hoe komt het, dat je ze naar vindt?" vroeg Lena verwonderd.
"Hij is stilletjes weggegaan," vertelde Elsa verontwaardigd, "en ik
had mijn eigen kwartje nog al gegeven om vijgen voor Cesar te koopen!"
"Stilletjes weggegaan?" herhaalde Lena. "Och kom, je houdt me voor
den gek, Elsa!"
"Neen 't is waar," hield Elsa vol. "Hier zijn de vijgen; je moet er
maar een paar opeten, want Cesar krijgt ze toch niet meer!"
"Maar waarom is Paul niet gebleven? Hij zou immers nog bij mij zijn
gekomen ook!" hernam Lena.
"Eet dan eens een vijg!" drong Elsa.
"Komt Paul vandaag?" vroeg Lena.
Elsa klom zonder complimenten op het ledikant en duwde Lena een groote
vijg in den mond. Tegen wil en dank moest Lena nu eten, en Elsa keek
met het grootste genoegen glimlachend toe.
Toen Elsa weer weg was, lag Lena in gedachten verdiept, waarom Paul
zoo raar zou hebben gedaan!
De dag ging verder voorbij, zonder dat er iets bijzonders
gebeurde. Lena's moeder kwam weer aan, maar ook zij wist niet waar
Paul kon wezen: hij was gisteravond niet thuis gekomen, maar zij
maakte zich niet erg ongerust.
"Och," zeide zij, "jongens zijn precies als het kwade geld: zij komen
altijd weer te voorschijn!"
"Ja maar, moe, Paul kent niemand hier. Waar zou hij vannacht dan
geweest zijn?" vroeg Lena.
"Zeker wel ergens onder dak," antwoordde vrouw Wenzel lachend. "Ik
zal het je komen zeggen, als hij weer boven water komt."
Toen de familie 's avonds om elf uren naar bed zou gaan, gebeurde er
evenwel iets bijzonders.
Mevrouw en mijnheer Doornhof zaten nog de courant te lezen, en de
beide meiden waren juist naar boven gegaan, toen er aan de kamerdeur
werd getikt.
"Binnen!" riep mijnheer, en daar stond de ons reeds bekende Betje op
den drempel.
"Wat is er, Betje?" vroeg mevrouw. "Ben je ziek?"
"Heere neen, mevrouw," antwoordde Betje, die echter erg bleek zag,
"maar als ik zoo vrij mag zijn, wil ik u wel zeggen, dat ik erg
geschrikt ben."
"Nu, drink dan maar wat," zeide mijnheer, "en kruip maar gauw onder
de dekens."
"Ja maar, mijnheer, dat durf ik juist niet," hernam Betje.
"Durf je niet drinken?" vroeg mijnheer verwonderd.
"Jawel, mijnheer, wèl drinken," zeide Betje verontwaardigd, "maar
niet naar bed gaan!"
"Kom, Betje, vertel mij dan eens, wat er gebeurd is," zeide mevrouw,
die wel bemerkte dat mijnheer niet veel verder kwam. "Heb je iets
gezien of gehoord?"
"Ja, mevrouw, gehoord!" fluisterde Betje.
"Zeker ratten of muizen," meende mijnheer lachend. "Nu we zullen een
kat opdoen."
"Neen, mijnheer, geen ratten of muizen," hernam Betje, "maar ik
denk... dieven!"
"Zoo, en hoeveel?" vroeg mijnheer plagend.
"Laat mij maar met haar praten," fluisterde mevrouw haar echtgenoot in,
"anders maak je haar boos."
Mijnheer haalde glimlachend zijn schouders op en verdiepte zich weer
in de courant.
"Zou je heusch denken, dat het dieven zijn?" vroeg mevrouw nu
weer. "Heb je je niet vergist?"
"Neen, mevrouw, 't is zoo; Antje zegt het ook. Als u eens even mee
naar boven wilt gaan, zult u 't ook hooren," zeide Betje.
"'t Is eene heele reis," zeide mevrouw Doornhof, die niet veel lust
had om al de trappen op te klimmen. "Zou je 't nog niet eens kunnen
probeeren om te gaan slapen? Ik weet haast zeker, dat je je vergist
hebt."
"Als mevrouw niet wil komen, moet mevrouw het weten;" hernam Betje
teleurgesteld, "maar als mevrouw morgenochtend het huis leeggestolen
en ons vermoord in ons bed wil zien liggen, dan moet mevrouw het
ook weten."
"Kom, kom, zoo erg zal 't niet wezen," zeide mevrouw bedarend;
"er mocht wel een heel regiment dieven wezen, als zij 't huis leeg
wilden stelen."
"Dus mevrouw gaat niet mee?" vroeg Betje treurig, terwijl zij den
knop van de deur in haar hand nam. "Nu mevrouw moet het zelf weten,
maar Antje en ik willen ons niet zoo maar dood laten steken! Wij
blijven in de keuken op stoelen zitten."
"Nu, als 't er zoo mee staat, dan zal ik even mee gaan," zeide mevrouw
Doornhof. "Jullie moeten fatsoenlijk in je bed slapen."
Mevrouw ging met Betje naar boven. Antje stond haar al aan
de trap op te wachten met een licht, en nu gingen zij naar het
zolderkamertje. Mevrouw Doornhof luisterde... luisterde nog eens..,
maar hoe zij zich ook inspande, zij kon niets van de dieven hooren.
"Geef mij dat licht eens, Antje," zeide zij, na een kwartier geduldig
gewacht te hebben; "dan zal ik eens kijken, of er op zolder iemand is."
"Goede hemel, mevrouw; en als hij u dan vermoordt!" riep Antje
ontsteld uit.
"Zoo'n vaart zal 't wel niet loopen," meende mevrouw Doornhof bedaard,
"en anders moeten jullie maar goed gaan schreeuwen; dan worden de
dieven bang."
"Maar ik ga niet mee met mevrouw," zeide Antje.
"Mijn leven is mij te lief!" voegde Betje er bij.
Zonder een woord te spreken nam mevrouw Doornhof het licht op en ging
naar de deur.
"Neemt u het licht mee, mevrouw?" riep Antje angstig.
"Wel zeker, Antje; hoe zou ik anders kunnen zien?" zeide mevrouw
Doornhof, terwijl zij den zolder opging en in alle hoeken rondkeek.
Maar hoe zij ook zocht en keek, zij vond geen enkelen dief, en toen
eerst Betje en daarna Antje ook op den zolder kwamen, moesten dezen
zich wel overtuigen, dat zij zich noodeloos ongerust hadden gemaakt.
"'t Zijn ratten of muizen geweest," zeide mevrouw Doornhof
eindelijk. "Gaat nu naar bed, en grendelt de deur dan, als je nog
niet gerust bent."
"Maar 't was toch zoo'n raar geluid, mevrouw," zeide Betje nu op
verontschuldigenden toon, "precies alsof er iemand tegen een ander
sprak."
"Je bent nu toch overtuigd," hernam mevrouw Doornhof, terwijl zij
naar de trap ging, die naar beneden leidde.
De volgende morgen brak aan, en tot groote geruststelling van mevrouw
Doornhof zag zij zoowel Antje als Betje, die het hoofd om de deur
harer kamer staken, om haar goeden morgen te zeggen.
Vrouw Wenzel kwam dien dag ook weer haar dochtertje bezoeken en vond
haar beter dan te voren.
"Moe, wat zei Paul wel?" vroeg Lena.
"Ik begin mij nu wel wat ongerust te maken over den armen jongen,"
zeide vrouw Wenzel, "want hij is nog niet bij mij geweest."
"Hoe! Is Paul gisteren avond niet thuis gekomen?" riep Lena verwonderd
uit. "En Cesar ook niet?"
"Wel neen, kindlief, Cesar blijft bij zijn baas. Als Paul maar geen
ongeluk heeft gekregen," zeide vrouw Wenzel.
"Och, moe, hoe akelig! Kunt u niets doen, om hem op te zoeken?" zeide
Lena.
"Ik ben al naar een politiebureau geweest," antwoordde vrouw Wenzel,
"maar daar wisten ze er niets van. Als hij maar niet verdronken is."
Lena begon te schreien.
"Kom, Lena, trek het je niet zoo aan; misschien komt hij nog wel
terecht," troostte vrouw Wenzel. "Hij is misschien verdwaald en komt
vandaag thuis."
"Ik houd zooveel van Paul en van Cesar," snikte Lena, "en ik zou
't zoo akelig vinden als hij d... d... dood was."
"Hij is misschien niet dood," troostte vrouw Wenzel haar; "ik zal
nog eens goed onderzoek doen. Kom Lena, wees nu niet zoo bedroefd;
dan mocht je eens koorts krijgen."
Maar Lena was niet tot bedaren te brengen; en toen mevrouw Doornhof
en Elsa de kamer inkwamen, hadden zij veel moeite het meisje in
wat kalmer stemming te brengen. Eindelijk gelukte het Elsa; en toen
mevrouw Doornhof bemerkte dat Lena wat bedaarder werd, nam zij vrouw
Wenzel mee uit de kamer en liet alleen haar dochtertje bij Lena.
Natuurlijk hoorde Lina van de verdwijning van Paul en van de dieven,
die Antje en Betje den vorigen avond op den zolder meenden gehoord
te hebben. Zij zeide echter niets en grauwde Elsa af, toen deze haar
het verhaal deed, hoe bedroefd Lena was geweest over de verdwijning
van Paul.
Na het eten kwam Tom weder bij zijn nichtjes om, vooral met Lina, wat
te spelen. Elsa ging dan ook maar heen, want zij wist wel, dat zij er
haar toch niet graag bij wilden hebben; maar zij bleef op het portaal,
daar zij in de speelkamer de ledikantjes harer poppen had staan. Zij
kleedde ze dus op een trede zittende uit en vermaakte zich in stilte.
Lina en Tom speelden samen wat, en daar zij nog al op elkaar gesteld
waren, ging het ook doorgaans zonder haspelen; maar eensklaps hoorde
Elsa, dat zij begonnen te twisten.
't Scheen, dat Lina hem iets zeide, en daarna hem verwijtingen
ging doen.
"En jij hebt het gedaan," riep Lina driftig uit. "Je hoeft de schuld
niet op een ander te gooien."
"Jij waart er evengoed bij," antwoordde Tom, "en 't is flauw, dat je
mij alleen de schuld wilt geven."
"Een jongen moet altijd de schuld op zich nemen," verklaarde Lina
deftig.
"Ik zou je bedanken," riep Tom uit. "Je bent een echte kat."
"Waarom kom je dan hier?" hernam Lina scherp. "Met katten zou ik niet
willen spelen, als ik jou was!"
"Met apen ook niet, hé!" sarde Tom.
"Als je me nog langer plaagt dan zal ik aan ma vertellen, wat je
gedaan hebt," gilde Lina.
"Dan zal ik zorgen, dat jij ook je portie krijgt," riep Tom uit. "Je
hebt me opgestookt om dien jongen te plagen, omdat je zoo'n nest bent
en je neus ophaalt voor dat zieke kind."
"Ik wou, dat ik je nooit weer zag," zeide Lina bevend van drift.
"Heel goed; je verveelt me mooi, 't kan me niets schelen," antwoordde
Tom. "Maar als die jongen doodgaat, dan is 't jouw schuld, en dan
kom jij in de gevangenis."
Tom liep Elsa bijna omver en holde zoo gauw hij kon de trappen af
en de voordeur uit. Lina stond nog roerloos in de kamer, toen Elsa,
met haar pop in den arm, binnenkwam.
"Wat meende Tom toch, Lina?" vroeg zij. "Waarom ga je naar de
gevangenis?"
"Och, Tom is gek," antwoordde Lina ruw. "Kind bemoei je met je poppen
en niet met mij!"
"Waarom heb je toch zoo gekibbeld met Tom?" vroeg Elsa weer. "En jullie
hebt mekaar zoo uitgescholden; als maatje het hoort, krijg je knorren."
"Als jij 't ma niet vertelt, hoort zij het niet, langtong," grauwde
Lina haar toe.
Nu had Elsa er genoeg van en besloot maar naar beneden te gaan en
Lena wat op te vroolijken, die erg treurig was, daar zij naar Paul
verlangde en die maar niet kwam opdagen.
Lina bleef nu alleen in de kamer en stond in gedachten verzonken voor
het raam.
"Als ik maar wist, waar Tom dien sleutel had gelaten," zeide zei
zachtjes, "dan zou ik de deur open kunnen doen, en... Als hij eens
dood was gegaan!"
Zij huiverde op deze gedachte en werd zoo angstig, dat zij, ondanks de
kibbelarij die zij met Tom had gehad, besloot om na den middag aan haar
mama te vragen, of zij eens naar haar tante, Tom's mama mocht gaan.
Toen zij zich dit voorgenomen had, gevoelde zij zich geruster, hoewel
zij erg verlangde naar het oogenblik dat zij uit mocht gaan. Nauwelijks
had zij de helft van den weg afgelegd, of zij ontmoette Tom, die van
plan was naar haar toe te gaan.
"Tom, waar is de sleutel?" was het eerste, wat zij tegen hem zeide.
"Ik kan hem nergens vinden," antwoordde deze, die er erg verschrikt
uitzag; "ik heb overal thuis gezocht. Misschien ligt hij bij jullie,
of anders heb ik hem verloren!"
"O, Tom, wat moeten wij dan beginnen?" riep Lina uit, terwijl zij in
tranen uitbarstte.
"Stil, schrei zoo niet: de menschen kijken naar je," waarschuwde Tom.
"Maar, Tom, als die jongen heusch eens doodgaat van honger, of
opgegeten wordt door de ratten," jammerde Lina. "Wat moet ik beginnen!"
"Zijn er dan ratten bij je op de vliering?" vroeg Tom verschrikt.
"Ja, Betje en Antje hebben ze zelf gehoord; ze durfden niet naar bed
gaan. Gebeurt het niet wel eens, dat ze kleine jongens opeten?" vroeg
Lina.
"Ik weet het niet," antwoordde Tom angstig. "Waarom hebben wij er
hem ook niet eerder afgelaten?"
"Maar als de sleutel weg is."
"Kan de smid geen nieuwen maken?" vroeg Tom.
"Ik durf den smid niet halen," zeide Lina; "anders kon hij die deur
opensteken."
"Ik zou mijn horloge wel willen geven, als ik dien sleutel vond!" zeide
Tom.
"Wat zal die jongen een honger en dorst hebben,--en dat kleine
aapje!" riep Lina. "O, Tom, wat zijn we vreeselijk ondeugend geweest!"
"En hoe kan hij er afkomen," peinsde Tom.
"Als ik het eens aan mama of papa zeide," stelde Lina aarzelend voor.
"Maar dan zul je ook geducht knorren krijgen!" riep Tom uit. "Neen,
zeg het maar niet!"
"Maar we moeten misschien naar de gevangenis, als hij doodgaat,"
hernam Lina. "Denk je dat?"
"Misschien wel," zeide Tom aarzelend.
Zij waren nu weer aan de woning van den heer Doornhof gekomen en
gingen naar binnen.
"Wel, Lina, wat ben je gauw terug," zeide haar mama, verwonderd. "Was
tante niet thuis?"
"Ik ben Tom op straat tegengekomen," antwoordde Lina eenigszins
verlegen.
"Nu, gaat dan maar naar binnen; er staat een lekker stuk taart voor
allebei klaar," zeide mevrouw Doornhof.
Lina en Tom haastten zich naar binnen, terwijl mevrouw naar de kamer
van Lena ging. De eerste hap smaakte erg lekker, maar 't was alsof
Lina het niet over zich kon verkrijgen er aan voort te eten; zij
keek Tom even aan en zag, dat deze voor zich keek en de taart nog
niet geproefd had.
"Ik weet niet hoe 't komt," zeide zij eensklaps, "maar ik kan het
niet door mijn keel krijgen, ik ben zoo angstig."
"Ik ook, Lina," antwoordde Tom; "ik kan niet slikken."
"Hoe, de taart nog niet op, kinderen!" riep mevrouw Doornhof, die
een oogenblik later binnenkwam. "Je bent toch niet ziek?"
"Wel neen, ma," antwoordde Lina benauwd.
"En jij, Tom?"
"Ik ben heel wel, Tante."
"Nu, eet dan gauw je portie op; anders loopen de ratten er nog mee
weg," zeide mevrouw Doornhof lachend.
"De ratten! O, o de ratten!" riep Lina eensklaps schreiend uit.
"Stil dan toch," fluisterde Tom haar in.
"Wat is dat?" vroeg mevrouw Doornhof verwonderd, die wel bemerkte,
dat er iets aan haperde. "Wat is er gebeurd, Lina?"
"Och, ma ik durf niet..." stotterde Lina snikkend.
"Tom, wat scheelt Lina?" vroeg mevrouw Doornhof ernstig.
"Ze... ze.. is wat.. angstig," prevelde Tom.
"En waarvoor?" vroeg mevrouw. "Toch niet voor ratten! Die loopen hier
niet in de kamer."
"Neen, maar op de vliering. Antje.. en Betje.. hebben het zelf
gehoord," zeide Lina afgebroken.
"Maar, kind, wat komt er dat op aan; is dat nu een reden om zoo vreemd
te zijn? We zullen een kat nemen. Jij hoeft immers niet op de vliering
te komen."
"Ik niet, ma; maar die jongen zit er op," fluisterde Lina.
"Welke jongen?" vroeg mevrouw Doornhof, die begreep dat er iets ergs
gebeurd was.
"Met den aap," zeide Lina.
"Hoe komt die op de vliering?" vroeg mevrouw. "Hij wilde toch niet
stelen!"
"O, neen, ma," riep Lina. "Wij, Tom en ik, hebben er hem opgesloten."
"Waarom dan toch? En wanneer? Daarstraks?"
"Neen, ma, eergisterenavond," zeide Lina doodelijk benauwd, "toen
hij Lena op kwam zoeken."
"Lina, moet ik dat gelooven!" riep mevrouw Doornhof buiten zichzelf
van schrik uit. "Heeft dat kind daar al dien tijd gezeten, terwijl
vrouw Wenzel dacht, dat hij misschien verdronken was! Ondeugend,
meer dan ondeugend meisje! En jij, Tom, ga heen en kom in de eerste
veertien dagen hier niet aan huis! Ik zal er met je mama over spreken!"
Tom droop af, en mevrouw snelde de kamer uit, naar boven, totdat zij
voor de deur stond, die de vliering afsloot en haastig den sleutel
om wilde draaien. Geen sleutel was er te vinden, hoe zij ook zocht;
en Lina, die haar stil was nageslopen, vertelde nu dat de sleutel
nergens te vinden was.
"Stuur aanstonds een van de meiden naar den smid," beval haar mama,
"en laat haar zeggen, dat hij dadelijk met gereedschap moet komen om
een deur open te steken!"
Onderwijl probeerde mevrouw Doornhof om door het sleutelgat naar binnen
te zien, maar 't was pikdonker; en nu herinnerde zij zich, dat er
alleen maar een houten luik was, dat zeer moeilijk openging. De arme
jongen was al dien tijd dus in het donker geweest. Nu probeerde zij
op de deur te bonzen en te roepen, maar de deur was zoo dik en zwaar,
dat het haar niets hielp en men er op de vliering niets van hoorde.
"Zouden er ratten zijn, ma?" waagde Lina eindelijk te vragen.
"Ik weet het niet," antwoordde deze stroef. "Ga naar beneden op de
kinderkamer, Lina; dan kom ik straks met je spreken."
"Mag ik niet blijven, ma? Ik wou zoo graag!"
"Je hebt mij verstaan, niet waar? Ik begrijp niet, hoe zulk een
ondeugend kind nog iets durft vragen," zeide haar mama streng.
Lina ging zwijgend naar beneden, en nu kwam gelukkig de smid heel
gauw aan. Hij probeerde een paar sleutels; en gelukkig paste er een
van op het slot, de deur sprong open en mevrouw Doornhof snelde de
vliering op.
"Zeg eens, smid, help mij dat luik eens open doen; maar 't gaat stroef,
wees voorzichtig," zeide zij waarschuwend.
"Jawel, mevrouw, zulke akefietjes hebben wij wel meer," zeide de smid;
en weldra was het luik open, en vertrok de zwarte man.
Haastig keek mevrouw Doornhof nu in het rond, en spoedig zag zij Paul
slapend op een hoop oude kleeden liggen, met Cesar in zijn arm.
"Goddank!" riep de dame uit, toen zij bemerkte, dat hij sliep.
"Kom, wordt wakker, mijn jongen, en ga mee!"
Paul sloeg de oogen op en keek, verblind door het licht, onzeker
rondom zich; daarna sloot hij ze weer.
"Kom, probeer eens om op te staan," hernam mevrouw Doornhof weer,
"en kom mee naar beneden."
Cesar werd wakker en begon zachtjes te jammeren, terwijl hij zich
tegen Paul aandrong.
Nu werd deze geheel wakker en richtte zich op.
"O, mevrouw, hebt u wat drinken voor Cesar?" vroeg hij zacht.
"Wel zeker, wel zeker: jij en je arm aapje kunt eten en drinken,
zooveel als je wilt," verzekerde zij, "maar kom dan mee."
Paul stond op en ging achter mevrouw Doornhof naar beneden; hij moest
zich telkens aan de leuning van de trap vasthouden, want hij was erg
duizelig door het licht en flauw, daar hij in zulk een tijd niets
gegeten had.
Eindelijk waren zij beneden, en nu zorgde mevrouw Doornhof allereerst,
dat Paul en Cesar flink eten en drinken kregen. Of dat ons aapje ook
beviel! 't Deed Paul bijna nog meer plezier, dat Cesar het zoo goed
had, dan dat hij zelf zoo genoot, en weldra waren beiden verzadigd.
"Maar arme jongen, hoe kwam je op die vliering?" vroeg mevrouw
Doornhof meelijdend.
Paul bemerkte, dat zij niet wist, hoe Tom hem mishandeld had, en
dus zeide hij eenvoudig, dat hij een verkeerde trap was opgeloopen;
want hij wilde geen aanbrenger zijn.
"En vond je het niet allerakeligst op die donkere vliering?"
"Ja, mevrouw, ik was eerst erg angstig en heb zooveel leven gemaakt,
als ik maar kon, maar later gewende ik er aan. Hoeveel dagen ben ik
er wel geweest?"
"Twee dagen en een nacht!"
"Zoo kort? O! ik dacht, dat ik er wel een week was geweest," hernam
Paul peinzend.
"Wil je nu eens naar je vriendinnetje Lena?" vroeg mevrouw, die
hem graag pleizier wilde doen. "Zij heeft evenals Elsa zoo naar
je verlangd."
Of Paul dat graag wou! Gij kunt begrijpen, hoe blij Lena en Elsa
waren, en zij moest alles haarfijn weten. Aan Lena vertelde hij alles,
toen Elsa even uit de kamer was. Hij vertelde hoe Tom en Lina hem
behandeld hadden, en Lena maakte zich zoo boos op hem, dat de tranen
haar in de oogen sprongen.
"Je moet het maar niet vertellen, Lena," ried hij; "die mevrouw is
zoo lief en vriendelijk voor ons, en 't zou haar zoo'n verdriet doen!"
Den volgenden dag kwam Tom, met zijn mama, en vertelde evenals Lina
openhartig, hoe slecht zij Paul behandeld hadden. Mevrouw Doornhof
was bitter bedroefd over het gedrag van Lina en haar zuster over dat
van Tom.
"Zeker heeft hij u alles ook al verteld, tante?" zeide deze jongeheer.
"Neen, Tom; hij zeide alleen, dat hij een verkeerde trap op was
geloopen; hij is zoo edelmoedig geweest om jullie te willen sparen,"
zeide mevrouw Doornhof treurig. "Ik zal hem vertellen, dat jullie zelf
schuld hebt bekend; dan zal hij ten minste hooren, dat je oprecht bent
geweest. Neemt beiden een voorbeeld aan dien armen jongen. Ik wou,
dat mijn Lina zoo was!"
"En mijn Tom!" zeide haar zuster.
Tom en Lina keken beschaamd voor zich en zeiden geen woord.
Zij vergaten dit voorval nimmer, te meer daar mevrouw en mijnheer
Doornhof aan Paul (die nimmer zijn oom heeft gevonden) een goede
opvoeding lieten geven en hem eindelijk bij zich in huis namen,
daar zij zelf geen zoon hadden.
Lena werd langzamerhand beter; maar toen zij weer bij haar moeder was,
kwam zij elke week een dag bij de familie Doornhof, en bleef altijd
dol veel van haar klein vriendinnetje Elsa houden. Tom en Lina werden
langzamerhand veel liever en aardiger, en ook zij hadden weldra veel
pleizier in
"DEN SAVOYAARD MET ZIJN AAPJE."