V.

Zij zat in het koepeltje, dat hoog tegen den groenen berg schijnt

te hangen; haar handen in de schoot, haar hoofd achter over geleund,

haar oogen gesloten, zoo zat zij moede, doodmoede, te moe om te denken,

te moe om te spreken, te moe om te hopen of te verwachten.

Zij had zich hier naar boven gesleept en een paar maal had zij gedacht

onderweg neer te vallen en daar te blijven liggen tot iemand zich over

haar ontfermde; maar nu was zij er eindelijk en zij zat er reeds uren

en uren lang.

Touristen kwamen langs haar heen, wierpen een verwonderden blik

op haar of zagen haar nauwelijks aan; zij hadden het druk over dat

"wunderhübsche Aussicht" over dit punt over dat gezicht. Oude dames,

die altijd kleine en groote duitsche gezelschappen vergezellen; en ons

den afkeer voor de duitsche "Schwiegermütter" helpen begrijpen, kwamen

hijgend en blazend naast haar zitten, bezorgde moeders lieten angstige

gilletjes als haar lievelingen te dicht bij de ijzeren balustrade

kwamen; andere vonden het de moeite niet waard een gesprek over "de

Kinderwäsche" te interrompeeren alleen omdat men hier op een hoogte is,

welke men beklommen moet hebben voor het mooie gezicht. Een enkelen

keer hoorde zij Hollandsch praten, Hollandsch Duitsch voorlezen uit

Baedeker of Mayer. Zij liet hen praten en hoorde hen als spraken zij

in een droom.

"Slaapt die juffrouw?" hoorde zij een hollandsche oude heer gemoedelijk

vragen.

"Ach gunst: Het schaap zal kou vatten," meende zijn bezorgde vrouw.

En ook zij gingen weer verder en zij bleef over, steeds meer en meer

alleen, want het restje hoop dat haar gesteund en moed gegeven had

om hier boven op te komen, werd kleiner en kleiner en eindelijk bleef

er niets van over.

Ach! zij had het immers wel gedacht, dien langen, langen winter

door! Het was te dwaas daaraan te hechten, en toch blonk dit koepeltje,

dat zij jaren geleden eens in het voorbijgaan had gezien, als een

heldere ster in het doffe grijs dat haar leven en haar gedachten

omhulde; hoe dikwijls droomde zij er van en werd dan wakker, trillend

van vreugde omdat zij zich een oogenblik verbeeld had dat haar wensch

vervuld, haar verwachting bewaarheid werd.

En toen het tijd was op reis te gaan, begaf zij zich op weg, alleen,

altijd alleen, maar toch met zooveel hoop, zoovele illusiën, zij

voelde zich zoo rijk als nooit te voren. Zij bezocht groote steden,

Aken, Keulen, Cassel, zij zag alles wat men zien moest. Zij beklom

den Wartburg, zij wandelde door het Annathal, zij zag alles wat zij

moest zien, maar het was of ze een droomleven leidde, of wat zij

hoorde en zag niet tot het diepste van haar wezen doordrong, want dat

wezen was slechts één wensch, één verlangen. Maar naarmate de bepaalde

dag naderde zonk haar moed, verdwenen haar illusiën, smolt haar droom

inéén; het licht dat uit haar binnenste te voorschijn gloorde en alles

om haar heen zoo fantastisch, zoo onwerkelijk tintte, werd flauwer en

flauwer, zij stond op het punt terug te gaan of verder, veel verder

heen te reizen, zich te verbergen, en toen glimlachte ze weer, een

wreeden, droeven glimlach. Waartoe zou het ook dienen? Hij zou er toch

niet wezen; dat begreep zij immers alsof iemand het haar gezegd had.

Zij voelde zich zwak, zoo zwak, dat zij de groote verrassing, de

namelooze blijdschap niet zou kunnen dragen en als zij hem had zien

staan in het hooge tempeltje, als zij die stem waarvan de klank haar

zonder ophouden in de ooren ruischte weer had mogen hooren, als zij

die armen om haar heen zou voelen en zij zich nestelen kon aan zijn

borst om daar uit te rusten van alles wat haar zoo had afgemat.

Maar hij was er niet; en toen zij dien berg als 't ware was opgekropen

en den koepel ledig vond, toen begreep zij pas hoe groot de hoop

was geweest, waarop zij had geleefd een jaar lang, hoe deze haar

als het ware had voortgedragen en hoe zij nu zwak en hulpeloos werd,

nu deze haar begaf.

Zij zonk op een bank neer, te moe, te teleurgesteld dan dat zij nog

deze ééne gedachte denken kon: "hij kan nog komen!"

Neen, zij wist het nu, hij was weg, weg; hij had het vergeten of

misschien kon hij niet komen, misschien was hij ziek, dood! Zij

glimlachte treurig. Dood, hij die reus vol kracht en levenslust,

terwijl zij zwakke nog leefde, zij nog hierheen kon kruipen.

Geen blik had zij meer voor de bergen om haar heen, voor het liefelijke

dal, dat zich aan haar voeten kronkelde, voor al die donkergroene

heuvels, waartegen ginds de stad met haar villa's aan beide zijden

opsteeg.

Zij dacht aan de legende van dit Gottlobtempeltje; daar tegenover

verhief zich eens de sterke burcht de Schauenburg op den bergtop; hij

werd bewoond door een ongemakkelijk heer, die een eenige dochter bezat.

Tevergeefs wierven de jonge ridders uit den omtrek om haar hand; de

vader gunde haar aan niemand, òf hij moest haar op den arm nemen en

met haar onafgebroken voortloopen tot den tegenoverstaanden heuveltop.

Een ridder zag haar aan en in haar blik lag zeker een aanmoediging

want hij nam de jonkvrouw op den arm, snelde den Schauenburg af, een

anderen berg op. Hijgend volbracht hij den tocht, "Gottlob!" riep hij

uit, zijn kostbaren last op dit plekje neerleggend en op hetzelfde

oogenblik stortte hij dood aan haar voeten.

"Waarom ben ik hier niet dood gevallen? Was mijn last minder

zwaar? mijn liefde, mijn hoop, mijn toekomst, alles heb ik meegedragen,

alles dien berg opgesleept en mijn arbeid is even vergeefsch als van

dien trouwen ridder. Hier lig ik uitgeput, afgetopt!"

De uren vergingen, zij zat er nog steeds; in de eerste oogenblikken had

zij nog onwillekeurig getrild, had zij nog even het hoofd opgelicht

als er vreemden naderkwamen, maar nu deed zij het niet meer. Zij

zou zijn stap immers wel herkennen onder duizend, en hij kwam niet,

neen hij alleen niet!

De duisternis steeg uit het dal op, naar boven, en ontmoette daar

de schaduwen, door dikke wolken geworpen over het landschap; zij

sprong op, groote druppels vielen over haar gelaat. Het was bijna

donker, beneden in de stad ontvonkte het eene lichtje na het andere;

en als wezenloos zag zij rond, een koude wind gierde door de boomen,

kwam van de bergen af en deed de takken buigen en kraken, in de verte

loeide reeds de storm, doffe slagen rommelden reeds dicht bij haar,

het onweer dreigde haar te omringen.

"Gottlob!" zeide zij, blijde dat prikkels van buiten haar dwongen

op te staan, zich te verzetten, die doodelijke loomheid van zich af

te schudden.

Een oogenblik dacht zij in haar exaltatie of het niet mogelijk was

hier te blijven op den grond te liggen en te wachten wat de storm

over haar besloten had; dan zou men haar lijk morgen vinden en dan

las hij het misschien in de couranten hoe trouw zij geweest was,

aan haar woord, trouw tot aan den dood.

Maar neen! een laatste overblijfsel van fierheid richtte haar op;

neen, dat mocht hij niet weten tot geen prijs; zij moest van hier,

hoe spoediger hoe beter! Hij dacht misschien niet eens meer aan

dat zonderlinge samenzijn op de "Columban"; in elk geval hij vond

het blijkbaar te dwaas op het rendez-vous te komen, dat gaf nieuwe

verplichtingen, en als hij nu hoorde, welke dwaasheid zij met het leven

bekocht had, dan dacht hij misschien nog in dat grenzenlooze egoïsme

wat zij toen juist zoo aantrekkelijke, zoo echt mannelijk gevonden had:

"Gelukkig dat zij er alleen was!"

Zij had niets bij zich dan haar wit kanten parasol; haar donkerblauw

foulard kleedje met zooveel zorg gekozen voor dezen dag, was reeds

na de eerste minuten doornat, boven haar zwiepten de takken als in

radeloozen angst dooréén, de wind geeselde hen onbarmhartig, een

akelig geel licht brak tusschen de wolken door en zij sloot rillend

de oogen; hoe zou zij den weg vinden in de aanbrekende duisternis,

en de donderslagen kwamen nader en de wind stak hooger en hooger

op. Zij sloot de oogen en liep voort, altijd voort het pad langs,

dat zonder afwijkingen in zigzags naar beneden voerde.

De wind joeg haar als met doornige prikkels in het gezicht, bij een

kromming van den weg stuwde hij haar vooruit; en zij vloog zoo snel als

een afgevallen blad voort het pad af. De regen stroomde nu in ratelende

stralen over haar heen, de bergpaden dreven in het water. Zij zakte

tot over haar enkels er in, als zij even haar stap matigde. Daar stond

zij voor een kruisweg; wanhopend bleef zij staan en wrong de handen.

"Waarom ben ik zoo alleen, altijd alleen! o God, o God, laat mij

hier sterven!"

Weer die bekoring om neer te vallen op den doorweekten grond en regen

en wind om haar heen te laten bruisen en den dood te wachten; daar

scheurde de duisternis door een bliksemstraal, ja, nu wist zij het,

dien weg moest zij nemen, die ging regelrecht naar beneden.

Zij liet zich zakken van boomstam tot boomstam, dan gleed haar voet

uit, dan scheurde zij het vel harer vingers, dan schrampte zij haar

voorhoofd, en altijd door stroomde het water onder haar voeten,

altijd kreunde de wind boven haar hoofd, altijd slingerden de takken

heen en weer.

"'t Is de moeite niet waard, waarom strijd ik eigenlijk nog voor mijn

leven?" dacht zij telkens en de ziekelijke zucht tot analyseeren van

haar sensaties, tot het opdiepen van haar gevoelens verliet haar nu

zelfs niet, "en toch ik moet voort, ik moet voort, zooals ik daar

straks moest blijven zitten, uren lang!"

En zij werkte zich naar beneden bij het laatste glimpje licht dat nog

tusschen wolken en boomen drong, en altijd door bleef die verkilling

in haar binnenste, dat gevoel alsof haar ziel een doodenkamer was,

waarin stil geweend werd om een gestorven illusie. Zij had haar hoedje

verloren, de parasol moeten opgeven, eindelijk stond zij beneden,

gewond, gehavend, beslijkt, de kleeren in flarden, zonder adem en nog

had de wind niet met haar afgerekend, nog duwde hij haar onbarmhartig

voort, steeds voort. Zij hijgde en streek zich de haren uit de oogen

en onwillekeurig dacht zij weer aan de "Columban," waar zij voor den

spiegel datzelfde haar opstak en zijn gezicht naast het hare verscheen.

Zou het nu altijd zoo blijven, zou zij nu altijd zoo moeten

voortleven, met dat gevoel van een doode met zich mee te dragen in

haar hart? Daarom was dat hart zoo zwaar, tot brekens toe zwaar,

zoo zwaar als men haar hoofd had gemaakt, daarom viel het haar zoo

moeilijk zich voort te slepen; gelukkig de wind droeg haar nu!

O die herinneringen! Het vorige jaar speelde ook de wind om haar heen

toen zij het eerst zijne stem hoorde met haar eigenaardig engelsch

accent; kon zij dan niets denken, niets gevoelen zonder dat als een

bittere nasmaak die heugenis zich daaraan hechtte?

Wat was zij toen anders geweest op de "Columban", zoo pittig, zoo

krachtig, haar hart was ledig, maar daarom ook zoo open voor elken

frisschen indruk. In Staffa had zij geschreid van aandoening omdat

het groote schouwspel haar zoo overweldigde; na dien tijd had zij

nog dikwijls geschreid, maar dan was het van kinderachtig verlangen,

maar nu zou zij het nooit meer doen!

Hij moest haar nu zien, hij, zooals zij hier verloren ronddwaalde,

de natte gescheurde kleeren gekleefd aan haar lichaam, het water

siepelend langs haar huid, druipend uit haar kleeren, zoo klein,

zoo nietig, zoo armzalig, niemand die om haar gaf, niemand die wist

waar ter wereld zij was. Zij had daar op dien berg wel kunnen sterven

zonder dat men haar miste. O, hoe zou hij haar nu vinden, zooals zij

daar stond? Neen, dan zou hij haar juist lief krijgen, haar beklagen,

in zijn sterke armen opnemen, dragen door wind en regen.

En toen snikte zij het uit van medelijden met zich zelf, tranen

rolden langs haar door den regen reeds zoo nat gezichtje: zij drukte

de handen tegen de oogen en rende voort door de stille straten van

het stadje naar de kleine zijstraat waar het huis stond, waarin zij

een kamer bewoonde.

De goede thuringsche vrouw, haar hospita, kwam haar aan de huisdeur

te gemoet. Zij was zoo ongerust, waar "das Fräulein" toch geweest

was. Och, wat klappertandde zij! zij kan niet spreken, zij moest zich

maar spoedig uitkleeden, dadelijk naar bed. Zij zou haar een warm glas

wijn klaar maken en toen zij onder een hoop dekens en donzen bedden lag

in het verlichte kamertje, en de hospita haar een glas gloeienden wijn

bracht, toen doorstroomde Andrée een behagelijke warmte, een gevoel

van veiligheid omving haar en met het gelaat tusschen de kussens

herhaalde zij telkens: "Wat ben ik toch gek geweest, gek, gek, gek!"

In Extremis · 第 15 / 19 题