DE DORPSSCHOOLMEESTER.

Wie heeft hem nimmer ontmoet, den man, dien ge nog niet ontwijfelbaar

herkennen zoudt aan den versleten zwarten rok, den vuilen witten das,

de zilveren ringetjes in de ooren, de lange pijp in den mond en de

nagelkerven op den linkerduim, maar dien ge dadelijk weet t’huis te

brengen, zoodra gij hem maar twee woorden hebt hooren spreken.

„Heeft MIJNheer mensCHen? Dan zal er mogelIJK voor MIJ verhinderING

weZEN!”

„Wat mij betreft, niet, meester!” hebt gij geantwoord, eer gij er om

denkt.

Gij hebt het geraden. Er zijn plus minus drie millioen menschen, die

Hollandsen spreken: maar DAT Hollandsch is het schibboleth van den

dorpsschoolmeester. Daaraan herkent gij hem even zeker, als de mannen

van Gilead die van Efraim aan de uitspraak van de schin. O, het zou hem

niet van het hart kunnen, de taal te verminken, te mishandelen en te

villen, gelijk gij en ik doen: iedere letter heeft rechten op zijn hart

en tong: hij moet ze u allemaal voorspellen: men spelt immers niet om

te spreken, maar spreekt om te spellen!

Deze verbazende juistheid van uitspraak is echter niet de eenige

eigenaardigheid, waaraan ge den dorpsschoolmeester uit zijn wijze van

spreken herkent. Hij is niet minder nauwkeurig en uitgezocht in de

keuze zijner woorden, die allen op het woordenlijstje van Siegenbeek

moeten voorkomen, hetwelk hem voor een soort van index dient. Want van

onduitsche uitdrukkingen heeft hij een walg, en waar ze hem

onvermijdelijk in den weg komen, neemt hij de vrijheid ze in der haast

een hollandsch pak aan te trekken, waarin gij ze echter dikwijls niet

herkent. Voeg hierbij een toon van spreken, die door de afgepastheid en

deftigheid het midden houdt tusschen cijferen en preken, en gij zult u

niet verwonderen, dat de man zich zoo spoedig aan u verried: het is de

dorpsschoolmeester!

In het heilige klaverblad, dat over ieder dorp zijn beschermende

schaduw uitbreidt, van Burgemeester, Dominé en Schoolmeester, staat de

laatste in het midden en dus—althans in zijn eigen oogen—bovenaan. Hij

heeft dan ook verre weg het deftigste voorkomen van de drie. Men zegt

van de beroemde tragédienne Clairon, dat zij in haar huis dezelfde

koninklijke houding aannam, die zij op het tooneel had, om er de

hebbelijkheid niet van te verliezen. Zoo schijnt ook de meester, uit

vrees van den toon van gezag, die hem in de school past, kwijt te

raken, dien buiten de school aan te houden. In zijn mouw verscholen,

draagt hij de plak uit de school overal met zich. Zijn geheele gesprek

is onderwijzend. Hij is de Morning-herald van de boeren, en deelt hun

het nieuws mede, dat hij dagelijks uit de Staats-Courant put, welke hij

van den Burgemeester te lezen krijgt. In die mededeeling vlecht hij op

eene ongemaakte wijze eenige geographische en historische

bijzonderheden, die op het gezicht zijner toehoorders een stillen

glimlach van verbazing en bewondering wekken. Bij de gesprekken over

weêr en wind hangt hij den natuurkundige uit, voor zoover het handboek

der volksnatuurkunde hem in staat stelt. Somtijds stijgt hij een toon

hooger en waagt zich aan bespiegelen van de wonderen der

schepping—volgens den katechismus van Martinet. Zijn politiek bewaart

hij voor den Burgemeester, met wien hij over de gebeurtenissen van

Europa handelt—alles naar aanleiding van de Staats-Courant. Dit dagblad

drukt zoowel den geest als den vorm zijner denkbeelden uit. Hij is zoo

oranjegezind als de koninklijke vlag, en is door eene zonderlinge, maar

gewone tegenspraak, tegelijk de vinnigste aanhanger van Wagenaar, dien

men zien kan. Hij heeft dus een afkeer, neen, dit is te zacht—een

afschuw van Bilderdijk, die voor hem met zijn politische, literarische

en godsdienstige gevoelens een driehoofdige Cerberus is. Zonder ooit

iets van hem gelezen te hebben, bestrijdt hij hem waar hij kan en mag,

met alle wapenen. Nauwelijks had hij vernomen, dat hij de stoutheid had

den „moord” van Oldenbarneveld voor te spreken, of hij hield in ’t Nut

een verhandeling over den Palamedes van Vondel, die de zaak op eens en

voor altoos heeft uitgemaakt. Met den Dominé handelt hij over het

onderwijs. Hij vergoodt de wet van 1806, waarnaar volgens zijn zeggen

eenmaal het onderwijs in de geheele wereld zal zijn ingericht.

Siegenbeek, Prinsen en Anslijn zijn zijne afgoden, wier naam

onophoudelijk op zijn eerbiedige lippen zweeft, vooral de eerste! Zijne

spelling houdt hij voor een meesterstuk van menschelijke vinding en

voor de schepping van een nieuwe taal. Wee hem als Dominé het waagt de

Bilderdijksche spelling met een enkel woord te verdedigen: dan zou hij

bijna vloeken. Over het algemeen houdt hij het er voor, dat Dominé hem

niet al te gunstig is. Dat schrijft hij aan zijn opleiding op de

kweekschool toe, waardoor hij Dominé te knap geworden is. Was het niet

eens gebeurd, dat Dominé niet recht wist, of Neustadt, waarop het

gesprek viel bij gelegenheid van een nieuwen aankoop van koning Willem

Frederik, in Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Saksen-Meiningen,

Saksen-Coburg of Saksen-Hildburghausen lag? Hij had er hem opzettelijk

eens op getoetst, maar hij had zich voor den man moeten schamen. Voor

het oog der menschen evenwel is hij Dominé’s andere Ik, en zendt hem

bij elke feestelijke gelegenheid een vers, waarin hij al de

dichterlijke vrijheden in één regel neemt: wat al te liberaal voor

zoo’n conservatief man! Want—dit spreekt van zelf—hij doet een weinig

„aan de dichtkunde.” Zelfs geeft hij daarin zijn zoon volgens vaste

regelen en met behulp van Witsen Geijsbeek’s Rijmwoordenboek les. Hij

treedt dan ook van tijd tot tijd in de vergadering van ’t Nut met een

dichterlijke bijdrage op. Hij volgt echter geen bepaalde dichtschool.

Vóór het jaar dertig werkte hij meestal in den trant van Tollens; na

dertig nam hij de manier van Helmers aan, en nu helt hij weder meer

over naar Feith. Heeft hij geen tijd om zelfs iets te maken, dan werkt

hij het een of ander uitgegeven stuk naar de behoefte van zijn gehoor

om. Zoo behandelde hij onlangs de geschiedenis van een klein schandaal

in het dorp in de Bedrogen maagd, dat hij naar het Gevallen meisje van

Tollens gefatsoeneerd had. Nergens echter schittert zijn talent met

meer glans, dan in de kerk. In het voorlezen steekt hij Dominé naar de

kroon. Niemand is vlugger dan hij in het verkleeden van de oude

vertaling: zonder haperen heeft hij al de haer’s en hun’s in dezelve’s

en denzelven’s veranderd. Want dezelve is na dewelke zijn

lievelingswoord, Hij heeft dan ook van die taak een groot denkbeeld.

Hij spreekt altijd van de groote opkomst, het groot gehoor, dat wij

hebben. Eens, ja.. eens heeft hij de eer gehad om voor Van der Palm

voor te lezen. Dat was een werk! Hij heeft er nooit zoo in gezeten. Hij

dacht niet, dat hij het volbracht zou hebben, schoon ieder hem een

kompliment maakte, toen hij uit de kerk kwam. Hem dacht echter, dat de

Professor in het Hollandsch zoo zuiver niet was, als hij meende. Eens

onder anderen meende hij hem op de uitspraak van menSCHEN als menSEN

betrapt te hebben: maar de man begon toen ook al oud te worden....

Maar foei, de kleine ruimte aanziende, die mij nog overschiet, bemerk

ik, dat het meer dan tijd is, om den waardigen man van een anderen kant

te teekenen. Want hoe vreemd het luide, onder die belachelijke vormen

verbergt hij het beste hart van de wereld. Hij is in zijn vak een knap

man, en zelfs in het wijsgeerige gedeelte er van geen vreemdeling. Hij

heeft een goede leermethode, waardoor hij bekwame discipelen vormt. Hij

is even bemind bij de kinderen, als geacht bij de ouders. Hij is een

voorbeeldig huisvader, die nacht en dag zwoegt om zijn talrijk gezin te

onderhouden. Zelf een man van zedelijke en godsdienstige beginselen,

zoekt hij die ook aan de jeugd in te prenten. Hij heeft dus geen enkele

groote ondeugd, al heeft hij al de gebreken van zijn stand.

Nieuwenhuizen en de Wet van 1806 hebben hem innerlijk geheel

ontbolsterd. Nu moet er nog slechts een andere Nieuwenhuizen opstaan,

om hem ook uitwendig den zotskap van het hoofd te nemen. Wie weet, als

hij deze schets leest....

Waarheid en droomen · 第 61 / 64 题