DE GROENVROUW VAN ROTTERDAM.

Koopsteden zijn paradijzen, wat de kunst, maar woestijnen, wat de

natuur betreft. De menschengroei, die er plaats heeft, schijnt er den

plantengroei te verstikken. Kom bij voorbeeld te Rotterdam. Hoe dor,

hoe bar, hoe winterachtig ziet alles er uit. Zelfs midden in den zomer!

Alles hout en steen, steen en hout. Men zou denken, dat de menschen er,

even als de oude toovenaars, steenen aten. Maar neen, zie ginds! Daar

meen ik toch iets groens te ontdekken. Inderdaad, het is zoo. Daar is

de groenmarkt. Dat is eene oase in de woestijn. Met welk een wellust

rust het oog, van het flikkeren der zonnige straatsteenen vermoeid, op

dezen groenen grond uit! Laat ons er een oogenblik van genieten.

Wij treden nader. Daar prijkt in haar groentenkraam, even als eene

afbeelding van Ceres of Pomona in eene medaillon harer attributen, de

groenvrouw.

Wij vinden haar bezig met het opmaken van haar loofhut. Dat werk is

belangrijker dan het schijnt. Laat de groenvrouw geene schilderes van

stillevens zijn, zij moet toch iets van de kunst van ordonnantie

verstaan. Wacht u vooral te denken, dat deze bevallige schikking de

vrucht van een blind of linksch toeval is. Integendeel. Mejufvrouw uwe

dochter besteedt niet meer kunst om de bloemen in uwe vazen te

schakeeren, dan de groenvrouw om haar kraam op te maken. Het is dus wel

degelijk met opzet, dat die blanke bloemenkoolen zoo sprekend op dien

rooden grond van peen (Rotterdamsche stijl) uitkomen, dat die harde

komkommers zoo smakelijk tegen de malsche kroppen afsteken, en dat het

geurige boonenkruid zoo verlokkend over de zilveren boonen ligt

uitgespreid.

Is de kraam klaar, dan zit de groenvrouw, even groen en frisch als haar

waar, tusschen haar schepping neder. Een helder gezicht lacht, even als

de witte bloem tusschen de koolblaren, uit haar groenteprieel al de

voorbijgangers tegen. Maar gij moet haar zien als er klanten komen. Dan

is zij geheel beweging en drukte. Zij weet juist wat de „jufvrouw”, de

„vrijster,” of het „vrouwtje” hebben moet. Gister heeft men van deze,

eergisteren van die groente gehad: nu moet men hiervan nemen. Even rad

als haar tong, gaan hare handen. In een oogenblik zijn de wortelen

gekortwiekt, de koolen uitgekleed, de spinazie opgetast, de radijzen

geschoren. Over den prijs wordt nauwelijks gesproken. Er is geen

vreedzamer beurs dan die der tuinvruchten. De lieve natuur is zoo mild

met haar gaven, dat men voor een betrekkelijk kleinen prijs een geheele

moeskraam ledig koopt. Daarenboven regelt de vruchtbaarheid of

onvruchtbaarheid van het weder den marktprijs van den dag. Intusschen

moet het niet ontkend worden, dat de groenvrouw wel eene schrale lente

mag. Als de groenten te gauw aankomen, zit er te weinig winst op. Ach

ja! tot tusschen de groene aardvruchten,—die treffende herinneringen

aan de gouden eeuw, waarin men niets anders at,—is het egoïsmus

doorgedrongen.

Indien ge voldaan zijt, zullen we verder gaan. Want er zijn nog andere

species van het genus groenvrouw. Ziet gij gindsche deern, met dat juk

op den schouder, waaraan twee groote manden slingeren? Dat is ook een

groenvrouw. Die brengt haar waar aan de huizen. Want de markt is voor

den burgerstand. De rijken laten de markt bij zich aan huis komen. In

die manden vindt gij dus de bloem van den moeshof. Zoo veel mogelijk is

ook de eigenares eene bloem onder de groenvrouwen. Want daar zij in de

groote wereld verkeert, heeft zij meer wereldkennis en wereldtoon

noodig, dan op de burgerlijke markt te pas komt. Niet altoos evenwel is

haar taak even teeder en zwaar. Soms heeft zij alleen met de jonge

juffers te doen, die „de week” hebben, of in de proefschool zijn om te

leeren huishouden. Dan is zij spoedig klaar. Want wat weten die van

groenten? Dalen evenwel de mama’s met haar twintig- en dertigjarige

ondervinding en haar sedert aangeleerde huishoudelijkheid naar beneden,

dan moet er heel wat gevleid en gelogen worden, eer de gevraagde prijs

verkregen is. Niets beter dan met keukenmeiden van de kennis of van de

familie te doen te hebben. Die hebben zoo veel te vertellen en te

vragen, dat er geen tijd voor loven of dingen overblijft.

Willen wij de groenvrouw nog verder nagaan, dan moeten wij ze naar hare

woning volgen. Daar komen we eerst bij de groenvrouw primera suerte.

Daar vindt ge een waar luilekkerland, met dit kleine onderscheid, dat

de lekkernijen er u alles behalve van zelve in den mond vliegen. Daar

vindt ge in den winter versche kroppen onder stolpen; daar doen u in

het voorjaar de eerste bakvruchten, snijboontjes, worteltjes en

porselein watertanden; daar vindt men den geheelen zomer, wat de

moeshof edelst en keurigst oplevert. Waar nu al die schatten van daan

komen, is een geheim. Sommigen denken, dat de groenvrouw ze, even als

in Riket met de kuif, uit den grond laat opkomen. Anderen spreken van

eene geheime betrekking met zekere tuinlieden van buitenplaatsen, die

de groenten, welke zij overhebben, voor een prijsje aan haar overdoen.

Er zijn zelfs, die mompelen, dat mijnheer zelf vennoot in die anonyme

compagnieschap zijn zou. Wie zal het uitmaken? Men weet niet, dat een

groenvrouw ooit geklapt heeft.

Om de woningen der mindere groenvrouwen te vinden, moeten wij naar de

achterbuurten. Daar is evenwel het groenste van de groenvrouw af. Want

daar liggen in een bedompt winkeltje de groenten, die niet verkocht

zijn, te verleppen en te vergaan. Zijn ze geheel en al verdroogd, dan

zinken ze nog een stap lager in den pot, en eindelijk in de magen van

de groenvrouw en hare familie: want wacht u voor de dwaling, dat een

groenvrouw ooit iets eet, dat naar versche groente lijkt. Zij leeft als

een konijn, geheel van afval.

Zal er echter aan de teekening van de groenvrouw niets ontbreken, dan

moet moet ik u haar ook in den ruitijd toonen! O, dat de groenvrouw,

als de witte beer, den geheele winter mocht doorslapen! Dan alleen zou

zij de smart ontgaan van de beken van haar bestaan gedurende

verscheidene maanden uitgedroogd te zien. Wat toch blijft haar in den

winter over? Aardappelen, aardappelen, niets dan aardappelen. Komen er

nog aardakers bij, dan is het mooi. Zij blijft dus in haar hokje

verscholen. Geen groenvrouwen op de groenmarkt, geen groenmeisjes op de

straat.—Maar wacht! daar beginnen de boomen te knoppen; de nachtegalen

komen terug; de narcissen gaan bloeien. Nu breken ook de groenvrouwen

weder uit den knop, en versieren de Rotterdamsche straten.

Waarheid en droomen · 第 59 / 64 题