DE ROTTERDAMSCHE ZAKKENDRAGER.

Lezer! Indien gij slechts half zooveel eerbied hebt voor nijvere

arbeidzaamheid als de schrijver van deze schets, dan verzoek ik een

oogenblik uwe belangstelling.

Inderdaad! in de geheele menschelijke maatschappij ken ik geen stand,

die zoo sprekend het denkbeeld van noeste vlijt uitdrukt en als het

ware verpersoonlijkt als die, waartoe de Rotterdamsche Zakkendrager

behoort. In de dierenwereld zijn het de mieren, die bovenal den roem

der arbeidzaamheid wegdragen. De zakkendragers nu zijn de mieren der

maatschappij.—Wie heeft ze nooit gadegeslagen, die nijvere diertjes,

hoe zij op de plaats waar zich hun nest bevindt een grimmelend leger

vormen, dat onophoudelijk heen en weder trekt en door elkander zwiert,

zonder elkander te belemmeren, terwijl zij de zwaarste lasten torsen?

Welnu, hetzelfde schouwspel, in het menschelijke overgebracht, leveren

dagelijks de Rotterdamsche straten in de werkzaamheid der

zakkendragers.

Het hoofdkwartier van dit nijvere leger is het zoogenaamd

zakkendragershuisje. Daar is het getal en de zwaarte der lasten bekend,

die elken dag moeten worden getorst. De verdeeling geschiedt bij het

lot. Een eerlijk soort van dobbelspel. Terwijl elders de aanzienlijke

speler aan een roekeloozen worp het vermogen van vrouw en kinderen

waagt, dobbelen deze kerels om den last, waarmede zij hun brood

verdienen. Schieten er manschappen over, dan worden de hoogste nommers

ontslagen, over welke teleurstelling zij zich gewoonlijk in de kroeg

zoeken te troosten.

Nadat het groote leger in kompagniën en sectiën verdeeld is, begeven

zich de onderscheidene koppels ieder naar de hun aangewezene plaats.

Daar gekomen wordt het werk nader onder hen verdeeld. Ondersteld, zij

zullen turf opdragen. Dan krijgt ieder zijn post. Sommigen staan bij de

schuit en stapelen de manden. Anderen dragen ze aan. Anderen winden ze

op, of brengen ze naar boven. Anderen eindelijk schikken de turven op

den zolder. Bij dit alles nu heerscht een regelmatigheid die mij dit

werk dikwijls met verbazing heeft doen gadeslaan. De acht, tien of

twaalf menschen zijn niet meer zoovele menschen. Het zijn

onderscheidene leden van één lichaam. Het zijn raderen van ééne

machine. Nauwelijks is het sein gegeven, of het levend werktuig raakt

in beweging. Geen raderen, door stoom bewogen, draaien geregelder in

denzelfden kring rond en grijpen juister in elkander, dan de dragers

elkander de hand leenen. Op den weg, dien zij hebben af te leggen, doen

zij nooit een pas meer of minder, komen zij nooit een sekonde te vroeg

of te laat. Bij het overgeven en overnemen van de vracht wisselen zij

geen woord, geen wenk, geen blik zelfs. Ook is hun geheele denkkracht

in hun werk als verzwolgen. Geen automaten kunnen werktuigelijker

arbeiden. Maar daarom bezit ook hun arbeid den regelmatigen en zekeren

gang van een uurwerk. O, dacht ik wel eens bij dit gezicht, wanneer wij

menschen in de wereld even goed onze plaats wisten te kiezen en te

bewaren, en elkander even gedienstig en trouw de hand reikten, welk een

schoon werktuig zou het nu dikwijls verward zamenstel der maatschappij

zijn, en hoe schoon en heerlijk vooral het werk, dat daardoor zou

worden tot stand gebracht.

Het werk is volbracht. Het rad is afgeloopen. Het werktuig staat stil.

Op eens komt er weêr leven in deze houten automaten. Het gelaat,

waarvan het zweet met den arm wordt afgeveegd, ontspant en ontrimpelt

zich en glimt van de voldoening van wel volbrachten arbeid. Men

schertst met de meid, wier zolder men van turf heeft voorzien, die met

een milden teug schiedammer de dorstige harten komt laven. Het verdiend

loon wordt ontvangen en verdeeld. Men gaat uiteen.

Meen echter niet, dat dit werktuigelijke den zakkendragers ook buiten

hun werk bijblijft. Gij zoudt hun grootelijks te kort doen.

Boerenkinkels mogen ook buiten het veld iets van het dommekrachtige

behouden, dat hun op het veld eigen is, bij de wakkere Zakkendragers is

dit anders. Nauwelijks is de arbeid van hun schouders, of zij zijn

zulke vroolijke en flinke kerels als gezonde arbeid ooit gemaakt heeft.

En geen wonder. Zij hebben eene ruime en eerlijke broodwinning. Zij

behooren zeker slechts tot de klasse der sjouwerlieden, maar zijn

echter boven deze verheven. Zij behoeven niet op werk te wachten of er

om te bedelen, gelijk deze, maar vinden iederen morgen hun taak en last

gereed. Daarbij vormen zij onderling een gesloten college, een soort

van gild. Nu zijn de patenten, en de algemeene vrijheid, gelijkheid en

broederschap, waarvan deze het uitvloeisel zijn, wel eene heerlijke

uitvinding: maar niemand zal mij echter tegenspreken, dat daardoor het

eigenaardige, het afgeronde en gemunte, in één woord het typische van

de verschillende standen in ons vaderland wel iets geleden heeft. O

bakkers met uw witte slaapmutsen! O slagers met uw lange messen! O

timmerbazen met uw gele voorschoten! Waar zijt gij gebleven? Neen, wij

hebben geen rechte bakkers, slagers of timmerbazen meer. Wij hebben

lieden, die bakken, slachten, en timmeren: maar het bakkersvoorkomen,

de bakkersgeest, het bakkershart, dit alles is met de witte slaapmuts

verdwenen. Eere daarom den Zakkendragers, die nog iets van het

genootschappelijke en federative hebben behouden, dat vroeger den

grondslag van onze staats- en maatschappelijke huishouding uitmaakte.

Zij vormen een soort van broederschap, die hen met een zweem van esprit

de corps bezielt, dien zij ook door het dragen van een ordeteeken

zoeken aan den dag te leggen. Men heeft hen alleen te zien loopen,

gelijk zij naar werk gaan of daarvan terugkeeren, met den linnen zak

bevallig over het hoofd geslagen, om in hen den Zakkendrager te

herkennen. Wat hun echter noch meer wichtigheid bijzet, is het gevoel,

dat zij min of meer tot de stadsambtenaars behooren, en dus als verre

planeten in de zonnebaan der burgemeesters-kamer wentelen. Zij zijn dan

ook het college, dat bij hooge gelegenheden de lagere standen

vertegenwoordigt; zij hebben het privilege om de paarden van ’s Konings

koets te spannen en den kostelijksten aller lasten te trekken. Het

gebeurt hun dan ook niet zelden, dat het koninklijk oog, met

voorbijgang van anderen, die zich verbeelden hooger te staan, op hen

afdaalt. Zoo wierp het feest, op den laatsten oudenjaarsavond door Z.

M. aan de Haagsche turf- en zakkendragers gegeven, op al hun

ambtgenooten een weerschijn van eer en aanzien, dat hen den zak nog

fierder dan anders over het hoofd doet dragen. Men zegt dan ook, dat op

dien avond menig Zakkendrager zoolang op Willem II heeft geklonken,

totdat het actief van zijn naam in passief was overgegaan.

Doch laat ik niet lasteren. Wel is waar zijn de Zakkendragers

vooralsnog geen leden van het Matigheidsgenootschap, en ik vrees of zij

het ooit zullen worden. Maar even weinig plegen zij dronkaards te

wezen. Zij zijn te bang om den zak, waaruit zij leven, te verliezen.

Overigens zijn zij, als meest allen, die zwaren arbeid verrichten,

kloek van voorkomen, trouw van hart en braaf van inborst. Het gaat hun

als veeltijds: hoe zwaarder last op de schouders, des te lichter last

op het hart!

Waarheid en droomen · 第 57 / 64 题