Als wij de legende gelooven zullen, waren er oudtijds zeemeerminnen.
Hooren wij daarentegen de natuuronderzoekers, dan is haar geheele
bestaan een fabel. Maar nu komen de wijsgeeren tusschen beide, en
vragen: waar komt die fabel dan van daan? want, en dat moet ik hun
toegeven, men noemt geen vrouw meermin, of daar is een staartje aan. Ik
waag het allerzedigst een oplossing van dit belangrijk vraagstuk te
beproeven. Zou de geheele verdichting der zeewijven ook uit een
bijgeloovige vereering van de Vischvrouw kunnen ontstaan zijn?
Lach zoo spotachtig niet, Mevrouw! Wees liever zoo goed mij te volgen.
Wij willen de vischvrouw een bezoek geven.
Zie, ginds tegen het duin aan, als een schelpvisch tegen de rots, hangt
haar woning. Het schijnt ook zelve bijna een schelp, die daar door den
vloed is neêrgeworpen om door de ebbe weêr meêgenomen te worden; zoo
nietig komen die stulpen op het breede strand voor. Evenwel in die
schelp woont een mensch; wat zeg ik, eene geheele verzameling van
menschen. Laat ons binnengaan!—Men zal ter vischvangst uitgaan. De
netten zijn gereed, de knapzak is voorzien, de visschers zullen
vertrekken. Vader met zijn oudsten zoon als knecht en den derde van de
acht, die zoo lang gesmeekt heeft, tot dat moeder hem vergund heeft meê
te gaan. Verwondert gij u over de teederheid van het afscheid van deze
„lompe” menschen? Verwonder u liever over hun blijmoedigheid!—Want, mag
ik u verzoeken? Zie eens even naar buiten. Ziet gij die pink dáár,
gereed om zee te bouwen? Een ijzig gezicht, niet waar? Van hier
beschouwd, lijkt zij betrekkelijk niet grooter dan de notendop, dien
wij als kinderen in de theekom lieten varen. Welnu, die dop zal haar
drie kostbaarste schatten laden. Nog eenige oogenblikken en hij dobbert
met hen op den diepen oceaan, waarvan een enkele golf tien zulke
scheepjes vult. Verbeeld u, Mevrouw, dat Mijnheer uw gemaal en de jonge
Heer de student en.... foei! ik doe u schrikken. Wees gerust! het geldt
deze vischvrouw maar! Doch beken echter, dat er achter dit grove jak
een hart moet kloppen, waaruit men tien harten van uw romanheldinnen
kneeden zou?
Eenige uren later. Hebt ge moed? Het is zeker noodweêr. Het stormt een
orkaan. De bliksem zwaait onophoudelijk zijn blauwen fakkel over de
zwarte golven. De donder buldert tegen den wind in met hortende slagen,
alsof zijn stem telkens door den storm gesmoord werd. Onder dezen
strijd der elementen kookt en schuimt de zee als een ziedende ketel op
een onderaardsch vuur, en spat haar water tot in de hut. Die hut zelve
is een tooneel van verwarring en angst. De zes kinderen, die t’huis
gebleven zijn, loopen half naakt en schreiend door elkander. De oudsten
slaan bevend de lucht gade en staren dan weêr op de zee, als om bij het
licht van den bliksem iets te onderscheiden. De jongsten schuilen aan
moeders schoot en gillen om vader. Door dit rumoer heen klinken de
noodschoten van een strandend schip, en de kreten van het zeevolk, dat
bezig is een boot ter redding uit te zetten.—Gij beeft, Mevrouw! Mag ik
u wat eau de cologne geven? Verman u een weinig. Zie onze
visschersvrouw! zij heeft drie beminde panden op zee. Zij weet, dat de
boot te zwak is om zulk een orkaan te weerstaan. En toch blijft zij
bedaard en kalm. Zij schijnt den storm, die buiten woedt, niet te
bespeuren, en heeft alleen oogen voor de onrust, die binnen heerscht.
Merk op, met hoe veel zielkracht zij haar oudste kinderen zoekt te
bemoedigen, haar jongste te sussen. Het gelukt haar eindelijk. Maar
waar gaat zij heen? Wat doet zij in gindschen hoek? Zie, zij bidt!—Daar
komt zij weder. Welk een stille berusting op haar gelaat. Zij slaat een
schichtigen blik naar buiten, maar heft hem terstond weder naar boven,
en begint zingende haar jongste lieveling in slaap te wiegen. Welk een
treffend gezicht! Is het niet als een standbeeld van de Rust in het hol
van den Storm?
Den volgenden morgen. Het ergst is gebeurd. De boot is aan strand
gekomen,—maar ledig. Alleen haar oudste zoon heeft zich met zwemmen
gered. Willen wij de vischvrouw een rouwbezoek gaan brengen?—Zij is
niet te huis. Daar is niemand dan haar kinderen, die om brood schreien.
Zij zal op het strand zijn. Ja, daar is zij, bij den afslag. Daar koopt
zij haar mand vol visch, dien haar man had moeten t’huis brengen. Met
dien mand op den rug draaft zij naar den stad. Zie eens, hoe bleek zij
ziet en hoe rood haar oogen zijn. Maar haar opgericht hoofd draagt de
ben, en haar naakte voeten loopen in denzelfden draf als altoos.
Moederliefde overwint den storm in haar binnenste, even als gister den
storm buiten. Zoo draaft zij, halfdood van vermoeidheid en uitputting,
de stad op en neder. Huis aan huis biedt zij haar visch te koop. Niet
noodig! is het refrein, hier en daar afgewisseld met een snauw: hoe
veel geld? Het is te veel. Dan wordt er gedongen en beknibbeld, en
somtijds zelfs de arme met hardheid weggezonden, opdat Mijnheer en
Mevrouw hun eerst gerecht toch zoo goedkoop mogelijk op tafel zullen
hebben, terwijl haar zes kinderen van honger versmachten. En toch is
zij te fier om te klagen of te bedelen. Die schande zal zij haren man
in het graf nooit aandoen. Zij zal liever werken totdat zij er bij
neêrvalt, eer zij de hand tot een aalmoes uitstrekt.
Eindelijk is haar vracht verkocht, en keert zij naar het dorp terug. Nu
verzorgt en voedt zij de ongelukkige weezen. Terwijl de kinderen eten,
gaat zij met haar oudsten jongen naar het strand, om met hem over de
herstelling van de gestrande boot te spreken. Want hij moet hoe eer hoe
beter er weder op uit. Zij heeft nog geen schrik van het element, dat
haar pas een man en een kind kost. Zij heeft ook nog geen afkeer van
het leven, dat haar zoo zwaar valt. In een romance zou men haar laten
verlangen om bij haar lievelingen in den schoot der blauwe baren te
rusten. Maar daaraan denkt zij niet. Zij voelt den last des levens op
haar drukken als een taak. Wat dus anderen werkeloos zou doen
nederzitten, spant en prikkelt hare werkzaamheid. Ware het mogelijk,
zij zou er zelve op uitgaan. Maar daar dit niet kan, moet haar zoon de
plaats van zijn vader vervullen. Zij zal hem den tweede tot hulp
medegeven. Wacht hen hetzelfde lot.... het zij zoo! het staat in hooger
hand! zij zal hen zien vertrekken, zonder een traan te laten. Mij
dunkt, gij ziet haar met bewondering aan. Gij hebt van zoo iets
heldhaftigs geen denkbeeld. Gij vindt het boven het vrouwelijke, ja,
boven ’t menschelijke.... Pas op, Mevrouw! anders maakt gij er nog een
zeewijf van.
Ik weet niet of ik u overtuigd heb. Het is altoos slechts een gissing,
die ik voor beter geef. Maar indien ik niet eenige meerdere
ingenomenheid met de Vischvrouw bij u heb opgewekt, dan eer gij dit
opstel in handen naamt, dan heb ik tijd en inkt verloren.