Onder de echt-Hollandsche figuren behoort zeker ook die, welke wij
hierboven hebben zoeken aan te duiden onder den naam van
Hofjesjufvrouw. Wij bedoelen daarmede eene bewoonster van de vele
gestichten van dien aard, in ons land aanwezig, welke van de
waarachtige weldadigheid onzer natie zulk een treffend getuigenis
afleggen, waaraan men de benaming van hof of hofje geeft. Zulke
gestichten zijn een soort van kloosters; met dit onderscheid, dat de
personen die er in wonen niet in activo, maar in passivo zusters van
barmhartigheid, en geene uitdeelsters, maar voorwerpen van weldadigheid
zijn. Ook zij ontvluchten overigens achter de hooge muren de wereld,
welke zij moede zijn geworden. Veelal zijn het gewezen
keukenprinsessen, die met de medaille van vijftigjarige dienst,
(gedurende welke zij bijna altijd in ’t vuur geweest zijn,)
gepasporteerd en met een plaatsje in zulk een vrouwelijk invalidenhuis
begiftigd worden. Daar ziet zich nu de Hofjesjufvrouw op een oogenblik
uit het drukste gewoel der wereld in een kloosterachtige afzondering
overgebracht. Geheele dagen, ja, weken achtereen, ziet zij door de reet
van haar gordijntje niets anders, dan de cellen van hare buurvrouwen en
de leeuwrikkenzode, met een kransje van palm omgeven en met
goudsbloemen en citroenkruid beplant, die zij met fierheid haar tuin
heet. Ook hoort zij van de wereld niet veel meer, dan zij er van ziet.
De ongewoonte van menschen te zien maakt haar gaandeweg menschenschuw,
zoodat zij gedurig zeldzamer haar steenen kooi verlaat. Het moge zoo
zijn, dat zij bij het lezen van de Haarlemmer Courant—die een maand na
den tijd het hofje met dreigende nieuwstijdingen beroert, die al lang
in wind of water vergaan zijn—bij het doorloopen der advertentiën,
onder uitroepen als deze: „Wel, wel, is die ook al dood? Jongens,
jongens, wat krijgt die vrouw een kinderen! Kijk, kijk, dat bruidje heb
ik nog als kind op mijn armen gedragen!” het moge zoo zijn, dat zij
alsdan soms den lust in zich voelt opkomen, om de menschen in kwestie
te bezoeken: maar even zeker is het, dat zij even weinig naar het
sterfhuis, naar de kraamvrouw of naar het bruidje gaat, als ware zij
inderdaad door kloostermuren van haar gescheiden geweest.
Maar wat Eldorado, wat tooverpaleis is het dan, dat haar de geheele
wereld vergeten en verachten doet? Laat ons het eens opnemen.
Het huisje van de hofjesjufvrouw,—dat het bewijs oplevert dat atomen
kunnen verdeeld worden,—is in twee vertrekjes gescheiden, in een van
welke zij slaapt, terwijl het andere haar woonvertrek uitmaakt. Een
beschot, tusschen dat vertrekje en de deur geplaatst, vormt een nauw
gangetje, dat met eenzijdige voorkeur voor pijpenstelen en dunne
menschen is aangelegd. Daar zit ze op een houten vlonder, (de ramen
zijn doorgaans hoog en de bewoonster nieuwsgierig,) en beheerscht van
die hoogte het geheele hofjesplein met hare blikken. Fijne matjes, zoo
glad geboend dat men er op loopen moet als op een stijfgespannen koord,
dekken de verhevenheid, waarop zij woont. Op de tafel, waaraan zij zit,
vindt men onder anderen in den regel: een zwart segrijnen bijbel met
zilveren sloten, en met een zilveren bril tusschen de bladeren
ingestoken, (de knijpbril staat op den neus); een melkkannetje met
hyacinten, seringen, of ook ’s winters zevenjaarsbloempjes, en bij
ontstentenis daarvan, gele of witte papierbloemen; een snuifdoos; een
trommeltje met kokinjes; een breikous van zwart sajet enz. Aan het
schot, tegenover de bewoonster, hangen eenige schilderijen, vooral
Dominees met krulpruiken, tooneelen uit de H. S. als een verloren zoon
in modern kostuum en anderen; soms ook een mislukt heeren- of
damesportret, dat haar als een erfstuk, ter gedachtenis aan haar ouden
meester of meesteres, geschonken is, wier beeld haar dankbaar geheugen
in het monster, dat voor haar oogen hangt, best herkent. Achter de
hofjesjufvrouw staat een kastje van mahonyhout met glazen deuren. Op de
planken van dit prachtmeubel, dat voor haar een etagère vervangt, staat
menig artikel, dat de fraaiste nieuwmodische etagère versieren zou, als
daar zijn: lange lijzen, koppen met de zes merken, roode
Lilliput-potjes, gezwegen nog van de borden van den spinnekop en de
schalen van de krab. Naast dit kastje staat een ijzeren pot, waarop zij
elken middag haar sober maal kookt, en waaraan zij zich ’s winters
verwarmt totdat er aan haar koud bloed geen ontdooien meer is. Op deze
wijze leeft de hofjesjufvrouw het gansche jaar in dezelfde afzondering
en stilte voort, die slechts eenmaal ’s jaars door een dag van drukte
en gewoel wordt afgebroken: het is de dag, als zij de kinderen uit het
huis van haar vorige dienst ten eten genood heeft. Dan worden de
geplooide gordijntjes opengeschoven; dan wordt de dikke poes naar de
vliering verbannen; dan ruimt de bijbel zijn plaats op tafel voor
dobbelsteenen, pachtpenningen en lottospel; dan brandt in huis het vuur
en sist de pan; dan knarst buiten de pomp en klinken de schellen op het
gansche hofje; dan wordt de palm rondom de tuintjes vertreden en de
balsaminen in de bedden geknakt; dan wordt tegen alle ruiten getikt en
over alle onderdeuren geknord; alles tot dat de avond valt en de kleine
hoop, met een komfoor en poffertjespan, om een grooten pot met
melkbeslag vergaderd wordt om poffertjes te bakken, bij welk feest de
arme gastvrouw een droevig slachtoffer van de speelschheid harer gasten
is, terwijl de naweeën eerst recht beginnen, als de knapen naar huis
zijn en alle buren hare klachten komen inbrengen tegen de stoute
bengels, die zij op ’t hof gehaald heeft.
En toch schijnt ze nog te leven voor dien eenen dag; en toch spaart ze
daar alles voor, en heeft er alles voor ten goede; en toch zal zij dien
blijven vieren, tot dat zij de steenen trappen afgedragen wordt.
Zoo hebben dan deze hofjes-jufvrouwen, ondanks haar weinig bekoorlijk
en veelzins belachelijk voorkomen, toch hare eigenaardige deugden, die
haar iets belangrijks, en zelfs bij wijlen iets verhevens geven. Het
hofje is een doos met oude ongangbare potstukken, maar van echt
gehalte. In deze gebroken vaten ligt een schat van verknochtheid en
trouw aan hen, wie ze vroeger hebben toebehoord, helaas! die gedurig
zeldzamer wordt. Misschien is het een zwartgallige inval, maar ik
vrees, dat onze dienstboden niet meer zoo vele hofjes met oude trouwe
zielen zullen kunnen vullen als ik gekend heb. O tijden! o zeden! moet
dan het bederf uwer nieuwigheden zelfs de hofjes, die wijkplaatsen des
ouderdoms, aantasten? Doch ik wil mij aan die treurige denkbeelden niet
overgeven. Voor als nog zijn er op deze musea van antiquiteiten een
menigte van zulke gebroken standbeelden der godin Fides. Daarheen neem
ik mijn toevlucht, wanneer de wuftheid en ondankbaarheid der jonge
wereld mij bedroeft, en verkwik mij aan die levende toonbeelden eener
trouw, als die—de hofdames vergeven mij de vergelijking—van den ouden
Fidel, die van zijn hartstocht voor hazen- en patrijzenbouten, als
laatste en eenige liefde, de verkleefdheid aan zijn meester heeft
overgehouden. Ik denk, dat op dit oogenblik menigeen met verteedering
aan de liefde denkt, hem als kind door zulke oude getrouwen om zijner
ouderen wil bewezen, en tevens met schaamte om de jongensachtige
ruwheid, waarmede hij die liefde heeft betaald. Nu, de goede oudjes
hebben het ons vergeven, en zijn met goede wenschen en beden voor ons
op de lippen ter ruste gegaan naar dat andere hof, waar de trouw van
hen, die er hun intrek nemen, nog betere belooning vindt.