DE SCHOORSTEENVEGER.

Indien gij uw kort begrip van de aardrijkskunde opslaat, dan vindt gij

in ’t hoofdstuk Italië, onder het opschrift Voortbrengselen:

Granen, rijst, wijn, honing, olie, zijde, citroenen, amandelen,

oranjeappelen en—schoorsteenvegers.

Arme schoorsteenveger! Hoe ongelukkig staat zijn verachte naam onder al

die heerlijkheden;—zijn zwarte gestalte tusschen die sneeuwwitte

bloesems en die goudgele zijde;—zijn rookerig pak tusschen die

welriekende bloemen en geurige vruchten;—zijn nikkersgedaante tusschen

die schatten van het paradijs der aarde.

Arme schoorsteenveger! Onder Savoye’s heerlijken hemel stond zijn wieg.

Italië’s zon ontstak het vuur in de zwarte kolen, die onder zijn

voorhoofd glinsteren, en de frissche blos, dien het roet niet geheel

kan doen verdwijnen, is door de stralen van den zuiderhemel op zijn

gelaat geschilderd. Geuren waren de eerste lucht, welke hij als kind

inademde, bloemen het bed, waarop hij sluimerde, abrikozen en perziken,

vijgen en druiven het eerste voedsel, dat hij smaakte. Hij wist niet,

dat er een Noorden bestond; hij vermoedde nauwelijks, wat koude, wat

vuur, wat rook was.

Arme schoorsteenveger! De armoede van den vader stiet den twaalfjarigen

Leonard ter deur uit. Men hing hem een oude mandoline om den hals,

zette er een marmot op, gaf hem een stuk brood in den zak, en wees hem

den weg naar het Noorden. Schreiende ging het jongske op weg. Men moest

hem van zijne ouders losscheuren; men moest hem met geweld

voortdrijven; het was als voorzag hij, wat hem te wachten stond.—Nooit

had Leonard gedacht, dat er landen waren, zoo karig door de natuur

bedeeld, als het vlakke moerassige landje, waar hij eindelijk van zijn

lange reis uitrustte. Met iederen dag was hij treuriger geworden. Want

met iederen dag dat hij verder trok, vond hij het minder schoon dan in

zijn vaderland, en iederen dag werd tevens het verlangen naar dat

vaderland sterker. Als hij zijn marmotje niet gehad had, zou hij van

heimwee gestorven zijn.—Zijn vader had hem een brief aan een ouden

vriend medegegeven, die in Holland het bedrijf van schoorsteenveger

uitoefende. Op zekeren avond stond hij voor huis waar een bordje

uitstak, met het opschrift: Gebroeders Leoni, Italiaansche

schoorsteenvegers en rookverdrijvers. Voor de deur lagen eenige zwarte

garden, wier onaangenaame reuk Leonard het hoofd onwillekeurig deed

afwenden. De deur werd geopend. De jongste der Leoni’s ontving hem

vriendelijk. Hij werd in huis opgenomen. Onder het avondeten werd er in

het Italiaansch over Italië gesproken. Men sprak in zijn moedertaal

over zijn vaderland. Leonard was bijna weder gelukkig. ’s Nachts

droomde hij van Italië en het ouderlijke huis.

Arme schoorsteenveger! Den anderen morgen werden hem zijn lompen

uitgetrokken, en hij in een grof linnen kleed gestoken met een lossen

kap over ’t hoofd. Toen hij zich in den spiegel bezag, had hij in zijn

eigen oogen veel van een monnik uit zijn vaderland. Ook zag hij er in

het nieuwe pak alleraardigst uit: en een ieder die hem op straat, aan

de zijde van den oudsten Leoni, op zijn eerste proef zag uitgaan, kon

de oogen nauwelijks van hem afhouden. Al de meisjes knikten tegen den

jongen helderen schoorsteenveger.—Maar die vreugd duurde kort. Weinige

oogenblikken daarna stond hij met zijn meester onder een schoorsteen,

waarin hij bijna niet zien kon zonder duizelig te worden, zoo hoog was

de donkere nauwe koker, waardoor ter nauwernood een flauwe straal licht

viel, even als een omgekeerde diepe put. Lang duurde het, eer hij zijn

meester begreep. Hij moest met zijn nieuwe pakje den vuilen schoorsteen

in. Had hij daarvoor leeren klimmen als een eekhorentje? Maar de

meester was onverbiddelijk. Toen hij beneden kwam, was hij even vuil

als de schoorsteen zelf. Bij het naar huis gaan zag niemand hem meer

aan. Nog erger! De jongens bespotteden hem en riepen hem een

gekscherend: boe! boe! na; de meisjes gingen, zooveel zij konden, voor

hem uit den weg, en de kinderen begonnen te huilen, als zij hem zagen.

Hij had ook wel willen huilen.—Het is waar, ’s middags kreeg hij goed

eten, beter dan hij in langen tijd gehad had: maar het smaakte hem

bijna niet van de rooklucht, die hij nog altijd in den neus had. Alles,

wat hij in den mond stak, smaakte naar roet. En dit verwonderde hem

niet meer, toen hij bemerkte, dat hij zeker in den schoorsteen zijn

kapje had laten afvallen, want zijn mooi zwart haar zat vol van een dik

en vetachtig roet, zoodat hij het half moest afsnijden. Het was jammer

van de mooie lokken, waar ieder zoo’n zin in gehad had.

Arme schoorsteenveger! Wel gewende hij langzamerhand aan de guurheid

van het land, even als aan de lasten zijner betrekking. Maar toch kon

hij zijn vaderland niet vergeten. Dikwijls, wanneer hij zijn dagwerk

had afgedaan, kroop hij naar de vliering, kreeg daar zijn mandoline en

marmot, die zijn meester hem vergund had te behouden, en speelde nog

eens een Savoyaardsch deuntje. En dan werd het hem zoo wonderlijk wèl

en wee om het hart, dat de kop van zijn diertje nat werd van tranen.

Ook hield hij van niemand in het geheele land half zooveel als van zijn

marmot. Hij spaarde voor haar de lekkerste beetjes uit zijn mond. Het

was nu voor hem zijn geheele gezin, zijn vaderland, zijn wereld!—Als

het maar altijd winter gebleven ware! Doch daar werd het lente. Een

Noordsche lente. Maar toch, de ontwakende natuur en zijn eigen gestel

zeide hem, dat het lente werd, lente in zijn vaderland. Dan bruiste hem

het Italiaansche bloed heftig door de aderen. Dan werd het hem in

Holland te eng, als een gevangen vogel, die, tegen den verhuistijd van

zijn geslacht, met den kop tegen de tralies stoot. Dan droomde hij

elken nacht van Savoye, en voelde de lauwe zuiderzon, en zag de

bloeiende amandeltakken, en dronk den geur der oranjebloesems, en

hoorde het gegons der bijen, en ontwaakte op het gezang van den

nachtegaal.... Maar neen! het was de nachtegaal niet, het was de

meester, die hem kwam roepen om op te staan: want het was voorjaar! er

was veel werk aan den winkel. Er moesten met het schoonmaken veel

schoorsteenen geveegd worden. Daarom moest hij vroeg aan den gang. „De

lente was de beste tijd voor schoorsteenvegers!” zeide zijn meester.

Arme schoorsteenveger! Zoo duurt het met hem reeds jaren achtereen.

Maar toch heeft het dus ’t langste met hem geduurd. Hij heeft door

oppassendheid en spaarzaamheid een klein sommetje bijeengegaard. Nog

drie jaren, dan is de som rond. Dan verlaat hij Holland en keert naar

Savoye terug. Dan koopt hij daar een kleinen wijnberg en een huisje. En

als buurmans Jansje dan nog zoo mooi en lief is als toen hij wegging,

dan maakt hij haar zijn vrouw. En in hare armen vergeet hij voor altoos

het leed van den armen schoorsteenveger!

Waarheid en droomen · 第 51 / 64 题