DE SCHAATSENRIJDER.

Hoe een duimbreed ijzer iemand veranderen kan!

Geen volk ter wereld is ongevoeliger voor den zedelijken invloed van

het schoeisel op den geheelen mensch, dan de Nederlander. Trek den

Nederlander dansschoenen aan; gesp hem sporen aan de hielen; rust hem

uit met jachtstevels; schoei hem met de treurspellaars of den

blijspelmuil; gij verandert daarmede de man niet. Hij wordt daarom nog

geen ware danser, ruiter, jager of komediant. Hij blijft een

Nederlander, die danst, rijdt, jaagt of komedie speelt. Maar geef den

Nederlander een paar schaatsen onder de voeten—en hij is geen

Nederlander meer. Hij is schaatsenrijder, zoo geheel schaatsenrijder,

als ooit een Spanjaard danser, een Engelschman ruiter, of een

Franschman komediant was. Hij is een man-schaats—un homme patin, zouden

de Franschen zeggen—geworden. De laarzen van zevenmijlen, die van klein

Duimpje een Gerrit Langbeen maakten, veranderden den houthakkersknaap

niet meer, dan de schaats den Nederlander, die haar aandoet. Het

schijnt eene betoovering, eene spokerij, eene gedaanteverwisseling, als

uit de metamorfosen van Ovidius.

Nauwelijks raakt de geheele natuur in rust, nauwelijks trekt de aarde

zich het wollen sneeuwdek over neus en ooren, nauwelijks legt de stroom

zich in zijn bed te slapen, of de Nederlander wordt wakker, de

Nederlander ontdooit, de Nederlander verandert in de omgekeerde orde

van temperament. Hij brandt en kookt, als de Hekla onder de sneeuw.

Eindelijk is het tijd! Het is waar, het ijs is nog zwak en nauwelijks

twee guldens dik: men spreekt zelfs van gevaar. Maar daar vraagt de

schaatsenrijder niet naar. Anders is de Nederlander de voorzichtigste

der menschen: hij zal zich tienmaal bedenken, eer hij op een schommel,

vijftigmaal eer hij in een bootje, honderdmaal eer hij in een

stoomrijtuig stapt. Maar op het ijs is hij een waaghals. Daar

ontwikkelt hij een moed en vermetelheid, die een gemzenjager zouden

doen beven. Daar lijkt hij „de logge eend” een meeuw, die met haar

vleugelen langs het water scheert.

Mij dunkt, men kan het een schaatsenrijder aanzien, waar hij heengaat.

Niet alleen aan zijne uitrusting, aan den toegeknoopten duffel, aan de

roode bouffante om den hals, aan het groen geschilderde haakje op den

schouder, aan de gladgewreven schaatsen in de hand: maar aan zijn

geheele voorkomen, aan den blos op zijn gezicht, aan den glans van

zijne oogen, aan zijn luchtigen gang, aan het vuur en ongeduld, die uit

zijne geheele houding spreken. Zoo komt hij aan de baan. Met van koude

en drift bevende vingers worden de schaatsen aangebonden. Hij is klaar.

Een—twee! drie—vier! vijf—zes! Daar drijft hij heen, als een vogel op

zijn wieken. Even vlug, even licht, even vroolijk. Hij heeft al het

gemakkelijke van gedragen te worden, met al het aangename van zich

zelven te dragen. Zijn gevoel is eene benijdenswaardige mengeling van

bewustheid van kracht en genot van beweging. Zoo lang hij de schaatsen

onder de voeten heeft, is een schaatsenrijder de gelukkigste der

menschen.

Maar het is den mensch niet genoeg, gelukkig te wezen. Ook op het ijs

niet. De schaatsenrijder haakt ook naar bewondering. Van daar dat hij

spoedig niet meer alleen rijdt om te rijden. Hij wil ook kunstig

rijden. Hij moet leeren beentje-over te slaan. Hij moet ten minste, als

een arend, aan beide zijden drie ellen vlucht hebben. Hij moet zijn

meisjes naam in ’t ijs kunnen snijden. Na eenigen tijd in die school

geoefend te zijn, en niet zonder van tijd tot tijd duur leergeld

betaald te hebben, is hij eindelijk de bol van de baan. Welk een

weelde! Niemand die hem kan bijhouden. Niemand vooral, die in

zwierigheid van rijden met hem kan wedijveren. Hij beschrijft met zijn

schaatsen de golvende lijn der schoonheid. Even als een danseres in het

cirque, geeft hij zich beurtelings schilderachtig aan beide zijden

over, en beweegt zich met de bevallige krommingen der zwaan. Ieder

bewondert hem. De heeren benijden hem. De dames zien hem met

welgevallen na. Overal waar hij komt, gaat er een gemompel van

toejuiching rondom hem op.

Maar niet ieder begeert die toejuiching. Sommigen kiezen stiller

genoegens. De liefde op het ijs is een liedje van Tollens, maar het is

te gelijk een Hollandsch spreekwoord. Nergens is de vrijerij bij ons

meer t’huis dan op ’t ijs. Wat wonder? Nergens elders geeft de

gelegenheid meer recht tot onschuldige vrijheden. De minnaar en het

meisje vormen een paar: zij rijden hand aan hand: misschien draaien zij

hier of daar een eenzame vliet in en bevinden zich alleen. Als men even

rusten zal, moet hij haar met zijn arm tegenhouden: als zij valt, vangt

hij haar aan zijn borst op: hij moet de schaatsen aan het kleine voetje

aan- en afbinden. Op het ijs is alles zonder erg. De luchtigheid der

beweging schijnt zich aan de harten mede te deelen. Men vraagt en

vergunt, wat men op het land niet zou durven nemen of geven. Wat elders

de jeugd op het dansperk onder de groene boomen vindt, vindt de jeugd

hier op het ijs. Bij ons is het ijs, als Hooft zou zeggen, de sullebaan

der liefde.

Anderen evenwel doen aan het ijs weder andere eischen. Zij maken het

tot een strijdperk. De kastelein kondigt eene hardrijderij aan

Hardrijderijen zijn voor ons, wat de hardrennerijen te Epsom voor

Engeland zijn. De meesters bieden zich tot den kamp aan. De overigen

komen als toeschouwers. De baan wordt gemeten en afgepaald. De strijd

begint. Vogelvlug ijlen de wedijverende paren langs de baan. Met

ingehouden adem volgen hen duizend hoofden. Hoe lang de kamp duurt, hoe

hard de koude nijpt, hoe fel de honger prangt, de deelneming verflauwt

niet. Eindelijk is de laatste rid gedaan, het vaantje waait, de vlag

klappert, de muziek klinkt, het hoera gaat op, en de geheele menigte

stroomt toe om den prijs te zien uitreiken. Somtijds nemen ook

Atalante’s deel aan dezen strijd, waarin zij gouden appelen rapen, in

plaats van ze te strooien. Misschien is het om dit verschil, dat die

vrouwenkamp mij niet bevallen wil. Wie zou het afkeuren, dat een meisje

op net ijs mede een zedig schaatsje slaat? Maar in de renbaan, om het

hardst, om het wildst... dit gaat al te ver buiten ons volkskarakter.

Zeker zou ik nu in staat zijn, tegenover dit tafereel een akelig

tegenstuk van de nadeelen en gevaren van het ijsvermaak op te hangen.

Gij verstaat mij. Reeds ziet gij in uwe verbeelding gebroken armen,

bloedige neuzen, blauwe oogen, natte pakken en ontvelde voeten dooreen

wemelen: misschien ook wel in het verschiet een bleeke gedaante; koud

als het ijs, waaruit zij werd opgetogen—een bevrozen bloem!... Maar ik

wil de moeders, die dit lezen geen angst aanjagen, en de jongens, die

er bij staan, geen ondienst doen. Ik voor mij hoop, dat er in Nederland

schaatsenrijders zijn mogen, zoo lang er in Nederland ijs zijn zal. Het

is een gezonde, eigenaardige en nationale uitspanning. En wanneer dan

de vreemdelingen schimpen, dat wij niet weten wat een fiksche beweging

is, brengen wij hen op het ijs en laten hen staroogen op onze

schaatsenrijders.

Waarheid en droomen · 第 49 / 64 题