DE HARINGKOOPER.

Heden is de eerste haringjager aangekomen, aan boord hebbende zóó- of

zóóveel vaten haring.

Wanneer deze advertentie in de couranten gelezen wordt, is het feest in

het vaderland van Willem Beukelszoon. Dan heft men daar het haringlied

van een vaderlandsch Dichter aan:

Triomf! de vreugde stijg’ ten top!

Hijsch, Holland, vlag en wimpel op,

En laat den jubelkreet nu daav’ren langs het strand.

Daar komt de kiel met goud belaân;

Zij brengt ons d’ eersten haring aan;

’t Is feest in Nederland.

Daar haalt men braveerend het oude spreekwoord uit den hoek:

Haring in ’t land,

Zieken aan kant.

Dan smakken in het zelfde oogenblik honderdduizend smulgrage lippen als

visschen naar ’t water.

Maar nergens is het grooter feest, dan in het huis van den haringkooper

zelven. Voor hem begint een nieuw leven. Hoe doodsch was het sedert

maanden in zijn winkel. Het haringvat stond achteloos en vergeten in

een hoek. Er was bijna geen vraag naar. De voorgrond werd door

citroenen en chinaasappelen ingenomen. De gerookte riviervorst bezette

den troon der gezouten zeekoninkjes. Met wat verlangen zag dus de

haringkooper naar de aankomst van zijn handelsartikelen uit. Hij is de

uitgezeilde haringvloot met zijne gedachten gevolgd, als een koning het

uitgezonden oorlogs-eskader: hij heeft naar weêr en wind uitgezien en

alle kansen berekend: hij heeft het bericht van elke vangst in een

memorieboekje aangeteekend: hij heeft zich de aankomst van den jager

door eene estafette laten berichten. Eindelijk komt de verwachte schat!

Neen, de haringkooper kan de vreugde, die hem vervult, niet in zijn

huis besluiten: de geheele stad moet getuige van zijn blijdschap zijn.

Daar wordt de kroon, die reeds lang te voren klaar gemaakt, met frisch

groen en goud bekranst, en van binnen met een nieuw opgeschilderde

houten haring versierd was, naar buiten gebracht en opgehangen. Zie,

hoe zij in de zon glimt en blinkt. Hoor, hoe zij door den wind bewogen,

ratelt en klatert. Het is of zij ons met al die gouden tongetjes

toeroept: Nieuwe haring! Nieuwe haring!

Wat heerscht er nu bij den haringkooper een beweging en drokte! Op de

advertentie in de couranten geplaatst: „Nieuwe groene haring te bekomen

bij Van der Zout,” komen van alle kanten brieven en boodschappen aan.

Hij weet nauwelijks hoe al de liefhebbers te helpen. De eerstelingen

worden, half in het geheim, aan de beste vrienden (klanten)

toegestoken. Voor de kleinigheid van een daalder hebben zij ’t genot

van ’t eerste vischje. Maar welhaast stroomt de haringvloed met

onbekrompen ruimte. Dan gelijkt de winkel van Van der Zout op een

pakhuis. Het versche zeebanket wordt, in dozijnen en halve dozijnen

verdeeld, in grooter en kleiner vaatjes gekuipt. Onder die bezigheid

komt de eene smulpaap voor, de andere na, eens hooren. „wat hij kost,”

om naar gelang daarvan bestellingen te doen. De nieuwe haringtijd is

het Sinterklaasfeest der groote menschen. Hij is ook daarin aan het

kinderfeest gelijk, dat hij de tijd van allerlei verrassingen is. Papa,

die weet, dat moeder veel van een versch haringje houdt, loopt, van de

societeit naar huis gaande, even bij Van der Zout aan en fluistert hem

iets in het oor, waarop hij lachende ja! knikt. Een oogenblik later

komt een jonge klerk binnen, en geeft den naam van zijn patroon op, met

verzoek om aan dat adres een half dozijntje te bezorgen. Intusschen

staat eene dame met ongeduld te wachten en roept, zoodra zij aan de

beurt komt, met een vleiend stemmetje: „Van der Zout! zes aan de

kostschool, je weet wel.” En terwijl zij de deur uitgaat, wordt zij

tegen het lijf geloopen door een langen jongen heer, die gewichtige

geheimen met Van der Zout schijnt te hebben, daar hij, na eenigen tijd

zacht met hem gesproken te hebben, met een blos op het gezicht

heengaat, nog wel twee, driemalen herhalende: „je weet niet van wien ze

komen, hoor!” waarop deze met een goedhartigen lach antwoordt: „neen,

mijnheer! ik weet niets!”—Zie, zoo wordt dit zoute vischje in de hand

der vriendschap, der dankbaarheid en der liefde een zoet geschenk, dat

voor menigeen zijn hoogsten smaak ontleent van het gevoel, dat het

schonk. En indien Van der Zout in den nieuwen haringtijd klappen mocht,

zou het ons blijken, dat de menschen, nog zoo gierig, liefdeloos en

ondankbaar niet zijn, als sommige zoute haringen onder de menschen ons

wel zouden willen wijs maken.

Kon ik nu ook zeggen, dat zij ongelijk hebben, die beweren, dat met den

achteruitgang der haringvisscherij ook eene der mildste bronnen van ’s

lands welvaart is opgedroogd. Maar, helaas! dat kan ik niet. De dagen

zijn voorbij, toen het gebed „voor de groote visscherij,” een openbaar

nationaal volksgebed was. Laten wij ons troosten met andere bronnen van

voorspoed, die, als ter vergoeding, zooveel rijker vlieten. Vangt men

minder haringen in de Noordzee, de zilveren vischjes in de Indische zee

gevangen, zijn nog welkomer. Gods zegen is aan geen tak van handel of

nijverheid gebonden!

Intusschen verloopt ook met het naderen van den herfst het tij van den

haringkooper. De haring verhuist van den disch der rijken naar de tafel

der armen. Rondventers, die het nu niet meer versch banket in de

schamele buurten rondbrengen, zijn zijne voornaamste klanten. De kroon

wordt weder in huis gehaald en naar den zolder gebracht. De zalm komt

weêr op den troon. Van der zout verkoopt weer zure citroenen en zoete

chinaasappelen. Zoo gaat het in de wereld. Gelukkig wie den vloed zoo

wèl heeft waargenomen, dat hij de ebbe kan afwachten.

Men kan dezen regel echter overdrijven. Het spijt mij te moeten zeggen,

dat sommige haringkoopers dat ook schijnen te weten. Ik heb mij eens

laten influisteren, dat tot de geheimen van het vak een zeker kunstje

behoort om oude haringen van het vorige jaar als nieuw op te maken. En

had ik het nog maar alleen van hooren zeggen! Maar ik ben zeker, dat de

haringlievende lezer mijne treurige ervaring wel eens gedeeld heeft. Ik

althans heb mij meermalen aan een mootje haring verslikt, dat mij voor

nieuw werd aangeboden, maar dat even weinig wist, wat er in het laatste

jaar in de diepte der Noordzee gebeurd was, als ik. Zeker is het een

verleidelijk kunstje. Bij de komst van den nieuwen haring loopen de

aanvragen over de hand: de voorraad raakt op: de nood dringt: een greep

in het vat: een kleine handigheid—en de verjongingskuur is geschied.

Maar mijn maag komt in den naam van alle kiesche magen tegen zulk eene

industrie op. Ik weet niet of er in het strafwetboek tegen voorzien is,

zoo als tegen het zemelbrood en dergelijke. Maar dit weet ik, dat zulke

bedriegerijen zich zelve straffen. Eerlijk duurt het langst, is een

spreuk uit den tijd toen de haringhandel in zijn fleur was. En die

spreuk zal wel waar blijven, zoolang de baren der zee zout zijn en alle

jaren haar nieuwe schatting leveren aan den eerlijken haringkooper!

Waarheid en droomen · 第 47 / 64 题