HET MELKMEISJE.

Meestal, wanneer gij des morgens vóór dag en vóór dauw de stad verlaat

en naar buiten gaat, zult gij op uwen weg iemand ontmoeten, die u met

een vriendelijke stem: Goeden morgen! wenscht.

Die iemand is een meisje, en dat meisje is een melkmeisje.

Onwillekeurig blijft uw oog op het lieve kind rusten. Ja, zoo gij niet

al te grootsch of al te stijf zijt, knoopt gij een praatje met haar

aan, tot aan het hek van de wei, waar zij wezen moet.

Gedurende dien tijd hebt ge overvloedige gelegenheid haar op te nemen.

Wat ziet zij er frisch uit, niet waar? Als melk en bloed, een rechte

Galathea, zoo als de Ouden haars gelijken schilderachtig noemden. Dat

komt omdat de tocht, dien zij doet, haar zoo ongewoon niet is als u.

Zoo vroeg als gij nu, is zij elken morgen op de been en in de lucht, en

dankt aan de rozen van den dageraad het blosje, dat op hare wangen

bloeit. Het is waar, Aurora heeft wel eens op fijner paneel

geschilderd: haar huid is zoo eêl niet als die van uwe lelies uit de

stad; maar het zou haar ook niet lijken, zulk een wassen pop te wezen.

Eilieve, til eens even aan haar juk! Wat dunkt u? Tien tegen één, dat

gij ’t haar zoo vlug niet nadraagt. Het zou haar dus slecht te pas

komen, zoo zij niet wat grover en sterker dan uw steedsch

kraakporselein ware. Zoo moet gij er u ook niet aan ergeren, al zijn

haar handen wat ruw of rood van kleur. Kijk liever eens naar de koperen

emmers. Of ze blinken, niet waar? Welnu; dat hebben die handen zoo

blank geschuurd. Erger u dan nog, dat ze niet witter zien! Maar wat bij

het melkmeisje zoo blank is, als bij de blankste van haar geslacht, het

is het gemoed, dat in dat grove omkleedsel schuilt. Dat is zoo blank

als de zuivel, waarnaar zij heet. Zie haar aan! onschuld en reinheid

blinken uit de heldere duivenoogen. Schoon verre van de idealische

herderin van Theocritus of Geszner te zijn, heeft zij echter op het

land en onder hare kudden iets van den eenvoud en de onnoozelheid der

gouden herderseeuw behouden.

Zonder begrip of vermoeden te hebben van hetgeen wij over haar spreken,

is de deern intusschen aan de bestemde weide gekomen. Dat hebt gij

reeds kunnen merken aan het geblaat van haar koetjes, die haar met

vollen uier staan te verbeiden, om hoe eer hoe beter van haar last

bevrijd te worden. Zij komen haar te gemoeten vrijen om de eerste te

zijn. Maar neen! zij heeft haar lieveling.—ja waarlijk, Mejufvrouw!—zij

heeft haar lieveling onder die groote, leelijke beesten; haar

uitverkorene, haar zwart- of wit- bont, haar Brunon of Nera; deze komt

dus eerst aan de beurt, en krijgt misschien nog een kleine

versnapering, een lekker stukje lijnkoek of een nap vol warme melk toe.

Doch wij hebben geen tijd te blijven staan totdat zij geheel afgemelkt

heeft.

Maar let op! terwijl gij eenige uren later door de stad gaat, daar ziet

gij haar op eens weêr. Zij is nu bezig de melk rond te brengen, die gij

haar in den vroegen morgen hebt zien inzamelen. Met denzelfden vluggen,

luchtigen tred stapt zij door de drokke straten. Gij kunt aan haar

houding niet eens merken, of haar emmers vol of ledig zijn. Zelfs heeft

zij een bijzonderen slag om met haar breed juk door de menigte te

glippen, zonder met de slingerende emmers iemand te raken.

Zoo stapt zij de eene stoep af, de andere op. Het ongelukkigste voor

haar is, dat zij onder het harde verband ligt om overal aan de huizen

twee, drie en viermaal te schellen, dat is met andere woorden aan de

meiden te zeggen: „het is de melkmeid maar! gij kunt dus twee, drie, of

viermaal zoo lang wachten als anders! dat is: zeer lang.” Maar dat

oponthoud schijnt haar zoo boos niet te maken als het u en mij zou

doen. Want, zie! als de meid eindelijk komt, heeft zij een lachje voor

haar gereed, waarmede zij bij ’t overnemen van de kan vraagt:

„Hoeveel, vrijster?”

Daarop duikelt haar nap eenige malen in het blanke nat, waartegen de

roode hand helder afsteekt, waarmede zij vervolgens de kan, netjes

afgewischt, met een handigen zwaai weder overgeeft.

Na die beweging raakt die hand van zelf in de zijde, en nu? Ja, nu moet

er een oogenblikje—een kort oogenblikje maar—voor een praatje af.

Het zou onbescheiden zijn, dat praatje te beluisteren. Maar dit

verzeker ik u, dat ik voor u en voor mij wilde, dat er nooit

onstichtelijker praatjes aan onze deuren gehouden werden.

Een twee, drie! met gelijkmatige tempo’s, even als een soldaat zijn

geweer, heeft intusschen het melkmeisje haar emmer dicht geslagen, het

hengsel aangehaakt, en haar juk weder opgepakt, en vervolgt met een

vroolijk gezicht en een luchtigen tred haren weg. Dat gezicht behoudt

zij onder alle weêr en wind. De zon, al schijnt zij wat fel, hindert

haar niet: de koude, al blaast zij wat scherp, is niet in staat het

lachje om haar mond te bevriezen: de regen—maar foei! zij zeggen, dat

ze juist daarvan het meest houden zou, en er met opzet het deksel van

haar emmers voor openzetten! Doch dat wil ik niet gelooven. Zoo gaat

dan het lieve kind onder zoo veel woelens en zorgens onbezorgd en

onbekommerd daar heen. Ja, haar rust zou geheel ongestoord blijven,

zonder den overlast van de jonge honden, die van haar melk snoepen, van

de jonge knapen, die de vingers in haar emmer steken, en de jonge

heeren, die haar in ’t voorbijgaan onder de kin strijken.

Meen evenwel niet, dat haar leven, hoe rustig ook, altijd even

eentoonig is. Dat kunt gij nu en dan op den zondag eens anders zien.

Dan ziet gij haar weder in de stad, maar nu zoo mooi, zoo mooi en

zwierig gekleed, dat gij haar bijkans niet herkennen zoudt. Onder het

eigenaardige boerinnenhoedje blinkt het gouden ijzer om de glimmende

wangen: het roode jak valt laag over een blauw damasten rok, van voren

bedekt door een zwartzijden boezelaar: de voet, met sneeuwwitte kousjes

bekleed, steekt in fluweelen schoenen. Om den hals spant een snoer van

monsterachtige bloedkralen, waarmede de groote boot in den gouden

vingerring spreekt. Maar het mooiste van alles heeft zij aan haar

zijde—in een vrijer, een helderen, frisschen boerenknaap, insgelijks op

zijn zondags opgedirkt, met kort lakensch wambuis, fluweelen broek en

groote zilveren schoengespen. Deze is de Thirsis, die het hart van deze

Galathea heeft weten te vermurwen. Met paschen zal het tot een huwelijk

komen. Dan koopt Teunis een knappe boerderij: Maartje, nu vrouw

geworden, verlaat het juk voor de karn, en houdt op haar beurt

melkmeisjes.

Waarheid en droomen · 第 45 / 64 题