DE STRAATJONGEN.

Geen woord is er in de taal, dat den persoon, dien het moet aanduiden,

beter schildert dan het woord: straatjongen. Want indedaad is dit soort

van wezens één met de straat, waarnaar zij heeten, en, indien ik het

gelooven mocht, gaarne zou ik mij laten wijs maken, dat zij, even als

de menschen van Deucalion en Pyrrha, uit de steenen zelve geboren zijn.

Dit is zeker: plaveit een straat, terstond groeien er de straatjongens

van zelf op. Waar zij van daan komen, is onverklaarbaar. Van ’s morgens

vroeg, dat de klapperluî naar huis gaan, en de bakkers hun deur openen,

tot ’s avonds laat, als de taptoe slaat en de herbergen sluiten,

belegeren zij de straten, als vliegen de boterton. Zelfs zou ik in

verzoeking kunnen komen te denken, dat zij, even als de straathonden,

van de opbrengst der straat leven, zoo getrouw vindt men ze op alle

uren van den dag op hun post zonder ze ooit te missen. Een andere

geheimzinnige hoedanigheid bezitten zij in een soort van halve

alwetendheid omtrent al wat er in de stad gebeurt. Het is wonderlijk.

Op het ééne oogenblik zijn de straten en de straatjongens in rust; even

als een geordend leger schijnen zij hun benden evenredig door de stad

verdeeld en alle posten behoorlijk bezet te hebben; maar ziet! daar

komt een oploop, een kleine nietsbeduidende oploop, aan den uitersten

uithoek der stad, en, eer gij omziet, is er een gansch heir van

straatjongens bijeen; de policie is er gauw bij, heel gauw: maar de

straatjongens altijd nog veel gauwer. Zij schijnen onder elkander een

soort van electrische telegraaf te hebben, waarmede ze malkaâr op de

hoogte houden van al wat er omgaat. Nu moet ik erkennen, dat dan ook

hunne voorzorgen met het grootste beleid genomen zijn. Op alle

belangrijke punten hebben zij hunne gecommitteerden. Buiten de poorten

der stad, aan alle schuitenveren staan er op de wacht: in de poorten

zelve wedijveren zij met de kommiezen in nieuwsgierigheid en

beleefdheid: binnen de poorten is er geen bureau van diligences, of zij

staan er naast de verversch-paarden de aankomst van den nieuwen wagen

te verbeiden. Voor het stadhuis, voor de hoofdwacht, voor het

gevangenhuis, voor de komedie, voor alle publieke gebouwen in één woord

worden zij vertegenwoordigd. Zij spreiden zich over de stad uit als een

groot spinneweb, waaraan geen vlieg ontkomen kan. Hierbij komt nog, dat

zij in hun weetgierige onderzoekingen door een groote vrijmoedigheid

geholpen worden. Zien zij iets dat hun aandacht trekt, of hetwelk zij

vermoeden dat belangrijk worden kan, terstond nemen zij de vrijheid er

zich bij te voegen en den draad te volgen tot aan het kluwen. Achter

ieder rijtuig, dat in de stad komt, kiezen zij zich een plaatsje: elken

vreemdeling, waaraan zij iets bijzonders zien, geven zij zich de moeite

van te volgen: ja, met alle reizigers beginnen zij een praatje: „heeft

mijnheer wat te dragen? wil ik mijnheer den weg wijzen? waar moet

mijnheer wezen?”—Maar van daar dan ook, dat zij van al wat er gebeurt

honderdmaal beter onderricht zijn dan de openbare nieuwsbladen en de

geheime policie: van daar dat er niets in de stad plaats kan hebben, of

zij nemen er deel aan. Bij alle parades inspecteeren zij mede: met alle

wachten trekken zij op: alle taptoe’s accompagneeren zij met hun

klompen: bij alle plechtige receptiën gaan zij met de boden vóór het

stadsbestuur uit: alle volksoploopen vereeren zij met hunne

tegenwoordigheid: iederen dief die opgebracht wordt strekken zij tot

eerewacht: ja, zelfs de dooden bewijzen zij de laatste eere en

vertiendubbelen als ongenoodigden den stoet der noodigers en

genoodigden ter begrafenis. Iedere Janklaassen-kast, iedere paillas,

iedere goochelaar, iedere koordedanser, iedere kunstenmaker, kortom

alles wat, naar den trant der ouden, zijn vertooningen in de open lucht

geeft kan op hun bijzijn en belangstelling rekenen: op het hooren van

een enkel trompetgetoet, van een enkelen trommelslag, snellen zij als

een eenig man aan en verhoogen door hun gewoel en gejoel de algemeene

levendigheid en vreugde.

Vraag mij niet, hoe de straatjongen gekleed is. Vraag mij liever, hoe

hij niet gekleed is. Alle stoffaadjes, alle kostumen, alle modes treft

gij bij hem aan. Van het afgedragen ronde buisje van den jongenheer van

den burgemeester tot den versleten kuitendekker van den president van

’t oudenmannenhuis, van het fijne kasimiren vest tot den ongeschoren

duffel, van de engelsch-leêren pantalon tot den pikbroek vindt gij om

zijn lijf hangen. Hij heeft slechts één zwak, niets van het geen hij

aan heeft moet heel zijn. Een echte straatjongen moet even zoo als de

straat, waarop hij leeft, vol gaten wezen. Ja, het schijnt, of hij

zelfs naijverig is om de kleur van de straat te dragen; want een vuil

grijs in zijn geliefkoosd verfje. Voor al wat tot versiering dient,

heeft hij weinig over; maar zoo hij voor iets gevoelig is, het is voor

het een of andere militair onderscheidingsteeken, vooral is hij dol op

een oude politiemuts, of een koperen uniformknoop met het nommer van de

afdeeling. Zijn klompen, die hem in geval van nood tot knods, of ook

wel tot werptuig dienen, laten gewoonlijk onder het loopen zijn naakten

voetzool zien, tot dat zij, geheel uit elkander vallende, in een

schuitje hervormd worden.

Doch waren de straatjongens maar enkel slordig, als ze er ook niet

ondeugend bij waren! Doch ondeugendheid behoort tot het karakter van

een straatjongen, gelijk moed tot het karakter van een soldaat. Zij

zijn de kaboutermannetjes en kwelduivels van de openbare wegen. Alles

wekt hun spotzucht op: alles verleidt hen tot kwaaddoen: zij kunnen kip

noch kraai met rust laten. De meiden trekken zij de muts af: de

kinderen loopen zij omver: de kreupelen en mismaakten apen zij na: de

honden trekken zij bij de ooren: de paarden dunnen zij de staart: het

slachtvee verbitteren zij hun jongste oogenblik: zij steken hun vingers

in de emmers der melkmeiden: zij likken met hun tong aan de suikervaten

der kruideniers: en, als de appelenvrouw omziet, halen zij haar den

mooisten belle-fleur van den hoop weg en loopen er mede heen. Nog erger

maken zij het in den winter. Veel vroeger bij de hand dan de mannen van

de zandschop, haasten zij zich aan alle bruggen en sluizen een

sullebaantje klaar te hebben, eer hun die pret belet wordt, en hebben

vervolgens een ondeugend genoegen, als zij daarover groot en klein,

jeugd en ouderdom, bedaard en driftig, deugd en ondeugd zien vallen. Of

ze leveren elkander een sneeuwballengevecht, maar dat alleen voor de

leus dient om, als bij ongeluk, de vreedzame voorbijgangers te

bepoeieren. Zoo zijn de straatjongens in waarheid straatplagen.

En toch is met dit alles de straatjongen niet wezenlijk kwaadaardig. Er

is bij hem, even als bij kleine honden met wie hij het rijk deelt, in

zijn keffen en bijten meer dartelheid, dan boos opzet. Nooit ziet men

een straatjongen zakkenrollen, of stelen, of met steenen werpen, of

zich aan dergelijke laagheden schuldig maken. Integendeel kenmerkt hij

zich onder zijn kameraden, bij geschillen als anderzins, door een geest

van dapperheid en edelmoedigheid. Het woord portuur is van zijn

maaksel. Menige knaap, die zijn straatjongenstijd behoorlijk heeft

uitgediend, wordt naderhand een knap burger. Ja, laat het ons bekennen.

Wij allen zijn min of meer straatjongens geweest. Er is iets van den

straatjongen in iederen knaap, die een „Hollandsche jongen” is. Houden

wij dat in gedachten, dan voelen wij meer medelijden dan onwil bij het

zien van den straatjongen.

Waarheid en droomen · 第 43 / 64 题