Al wie te Rotterdam bekend is, weet dat er geen nijverder, arbeidzamer
en onvermoeider menschen te vinden zijn, dan die tot de klasse van het
sjouwersvolk aldaar behooren. Te Rotterdam is alles met een geest van
bezigheid en drokte bezield; de geheele stad is een nest van nijvere
mieren, een korf van rustelooze werkbijen; het is of de pols van die
stad eenige slagen sneller klopt, dan die van alle andere Hollandsche
steden. Maar van al wat, om met vader Vondel te spreken, daar
Zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet,
is zeker de sleper de eigenaardigste uitdrukking.
De Rotterdamsche sleper is van den voerman der Amsterdamsche
sleepkoetsjes hemelsbreed onderscheiden. Zijn slede bestaat uit niets
anders dan uit twee balken met ijzeren beugels aan elkaar verbonden:
een voertuig, dat door zijn eenvoudigheid van samenstelling aan de
gouden eeuw zou doen denken, als sleper en paard niet zoo duidelijk in
de ijzeren t’huis hoorden. Zijn passagiers zijn dan ook alles behalve
stijve neepjesmutsen en jichtige bloemkoolpruiken, maar vaten tabak,
balen katoen, kisten thee en dergelijke, die tegen een stootje kunnen.
Zoo verschilt ook bij beide het middel om de baan voor de slede
glibberig te maken, want daarin komen zij overeen, dat ze, in een
onfiguurlijken zin, graag een gladde baan voor zich hebben. In plaats
van den onoogelijken vetlap van den Amsterdamschen sledevoerder, heeft
de Rotterdamsche sleper vóór op zijn slede een gevuld watervaatje, dat
uit de daarin geboorde gaatjes, even als een dolfijn uit zijn
neusgaten, onophoudelijk water opspuit. Jammer maar, dat die springende
waterwerken aardiger zijn om te zien, dan aangenaam in de gevolgen die
zij nalaten. Doch daarnaar ziet de sleper niet om. Want zijn leus is de
spreuk der voormalige Unie-orde: Doe wel en—zie niet om.
Zie hem, daar hij met slede en paard door het dichtst gewoel
heendringt; men zou hem bijna voor een automaat houden, met zulk een
afgemeten kalmte vervolgt hij, door alles heen en onder alles door,
zijn weg. Zijn oog wordt door niets van zijn last en lastdier
afgetrokken: zijn voet wordt door niets opgehouden: zijn hand laat den
teugel geen oogenblik glippen. Komt hem een rijtuig tegen, hij wijkt
met een zwaai ter zijde: staat hem een voetganger in den weg, hij
schuift hem zonder op- of omzien aan een kant: scherp en op een haar
mijdt hij al de hinderpalen, die hij op zijn weg ontmoet: het spoor van
het watervat op zijn slede vormt een reusachtige slang, die zich in
allerlei bochten door het dichtst gedrang slingert zonder vertrapt te
worden. Als gij op het gezicht af meenen zoudt, dat het onmogelijk ware
door de volksmassa heen te breken, en in zijn plaats moedeloos zoudt
blijven staan, waagt hij zich met kalmen moed, even als een held op het
slagveld, in het dichtst van het gewoel. Langzaam maar zeker gaat hij
voort, tot dat hij de plaats van zijn bestemming bereikt heeft. Een
leerzaam beeld! Ik noodig u uit, er eens op na te denken.
De stille, werkzame gang nu, dien gij den sleper langs de straat ziet
gaan, kenmerkt den geheelen man in zijn gang op den weg des levens.
IJver, eerlijkheid en trouw maken de grondtrekken van zijn karakter
uit. In den vroegen morgen, als in de hoogte alles nog rust, rijst hij
van zijn strooleger en haalt zijn Rosinant van stal. Zeker is het geen
fraaie vertooning, als beide tot hun morgenrid uittrekken. Het arme
dier is oud en mager: zijn hals is naar de aarde gekromd: zijn manen en
staart zijn door baldadige handen deerlijk geplunderd: zijn beenen zijn
vol spatten en gallen: zijn borst ligt aan beide zijden open. Niet veel
aanzienlijker is het voorkomen van zijn meester. Ook zijn rug is door
den zwaren arbeid kromgebogen: zijn sterk geteekende gelaatstrekken
zijn met diepe voren van zorg en kommer doorgroefd: zijn kleed draagt
de sporen van schamelheid: en al is zijn linnen voorschoot wit en
helder, het gebrek kijkt door zijn gelapten elleboog. Aldus uitgerust,
begeven zij zich samen aan hun dagwerk. Dat werk is eerlijk tusschen
beide verdeeld. Terwijl de meester het vat uit het schip op de slede
laadt, of van de slede in het pakhuis sjouwt, rust Rosinant: terwijl
Rosinant de vracht trekt, heeft de meester de lichter taak van de
teugels te houden. Er heerscht dan ook tusschen hen een vertrouwelijke
gemeenzaamheid, als zelden tusschen mensch en dier plaats heeft. Meen
niet, dat het aan die vriendschap kwaad doet, dat gij den meester
onophoudelijk de zweep gebruiken ziet. Want zonder dat zou Rosinant
niet begrijpen, dat hij voort moest: hij is op dit punt even als een
doove, voor wien schreeuwen praten is: slaag te krijgen is hem even zoo
gewoon en natuurlijk, als geleid en gestuurd te worden. Indien een lid
van de Londensche Maatschappij tegen het mishandelen van dieren er zich
uit barmhartigheid meê moeien wilde, zou hij in staat zijn, even als de
vrouw in het verhaal, koel te vragen: „Waar moeit gij u mede? Als ik nu
geslagen wil zijn?”—De hand, die de zweep voert, heeft dan ook met het
hart van den sleper niets gemeens. Want dat klopt van vriendschap voor
den deelgenoot zijner ellende, voor den bezorger van nooddruft, voor
zijn eenigen vriend en weldoener op de wereld. Hij deelt met hem het
stroo, waar hij op slaapt, het brood dat hij eet: hij deelt met hem
zelfs zijn vermaken en uitspanningen. Daarvan is mij eens een klucht
verteld, die ik geef, zoo als ze mij is meêgedeeld.
Een sleper had eens een buitengewoon voordeelige week gehad, zoodat hij
dacht voor deze maal ’s zondags een kleine uitspanning te mogen nemen.
Hij besloot dus met zijn vrouw en kinderen aan de Zwet een kruik bier
te gaan drinken.
„Maar dan gaan we met rijtuig,” zei de vrouw, „en huren een knappen
wagen met een paard.”
„Een wagen,” hervatte de sleper, „dat kan gaan: maar geen paard;
niemand zal ons trekken dan bruintje! Of denkt gij dat ik ondankbaar
genoeg zou zijn om hem, die alles verdiend heeft, bij het verteren der
verdienste, t’huis te laten?”
In goeden ernst, een sleper en zijn paard zijn twee natuurlijke
vrienden, door den sterksten band, dien der gewoonte en behoefte, aan
elkander verbonden. Die band wordt dan ook alleen door den dood
geslaakt. Of het paard valt voor de slede neêr, of de sleper wordt
achter de slede weggerukt. Dan vinden beide rust onder de aarde, waarop
zij zoo lang gezwoegd hebben. Dan hebben zij den zwaarsten van alle
lasten, den last des levens, t’huis gebracht!