Alle menschen moeten arbeiden. Ongelukkig zij, die in den grooten
bijenkorf, welken wij wereld noemen, niets uitvoeren, dan als luie
hommels op den honig te teren, die door de nijvere werkbijen wordt
zaamgebragt. De billijkheid vordert echter te erkennen, dat in den aard
van dit arbeiden eenig verschil is. Om een voorbeeld bij te brengen,
hebt gij, geëerde lezer, die met deze eerste schets uit de
beeldengalerij der door mij u voor te stellen landgenooten in de hand
mijn opstel zit te lezen, het op dit oogenblik veel gemakkelijker dan
ik, toen ik dit opstel schreef; en wederom had ik toen heel wat lichter
taak dan hij, wiens persoonsbeschrijving ik het genoegen heb u aan te
bieden. Hij toch behoort tot die klasse van wezens, die men gewoon is,
in onderscheiding van andere arbeidzame menschen, bij uitnemendheid met
den naam van Arbeider te noemen. Een schoone eretitel, dien ik u
uitnoodig wat hooger te plaatsen, dan hij gewoonlijk op onze ranglijst
voorkomt, waar hij al te verre achter de honoraire kamerheeren, de
staatsraden in buitengewone dienst, de professoren titulair-honorair,
en de aspirant-surnumerair-ambtenaars staat. Het is zoo, het voorkomen
van onzen klant is niet van de schitterendste. De ronde hoed met
breeden achteropgetoomden rand op de ongekamde en ongescheiden haren,
zet aan het onbeduidend gezicht niet veel uitdrukking bij. Het
openhangend blaauwlakensch wambuis met liggende kraag en kort lijf,
valt vrij slordig om de ongefatsoeneerde leest. De wijde korte broek
van manchester, met een bevallige onachtzaamheid aan de knie
losgelaten, zou een vreemdeling nieuwe stof geven tot de spotternijen,
waaraan wij arme dutchmen op het punt van dit kleedingstuk ten prijs
staan. En ofschoon de beenen, met gladde kousen bekleed en in
gestreepte slopkousen gestoken, het zwierigste gedeelte van zijne
uitrusting uitmaken, leeft de man op zulk een grooten voet en is op
zulk een lompe leest geschoeid, dat ook zijn voetstuk in de
veroordeeling van het geheele standbeeld moet deelen. Maar welk is ook
het opschrift, dat op dat voetstuk te lezen staat? Het drukt in groote
letters het woord: Arbeider! uit. Arbeider! dat spreekt uit het geheele
voorkomen en de houding van dezen plompen kinkel; dat spreekt uit dat
sterkgespierd gelaat met de forsche jukbeenderen, hetwelk in zijn
stompheid ijver en volharding uitdrukt; dat spreekt uit die vierkante
schouders, die zelfs in dezen ingetrokken stand stierenkracht verraden;
dat spreekt uit die geheele stroeve gestalte, die uit hout schijnt
gehouwen te zijn. De klant staat nu in rust te kijken: maar als hij
eens die handen uit de zakken haalt en aan ’t werk slaat, ha, hoe het
er over zal gaan! Dan zal datzelfde lichaam, dat nu niets dan een logge
klomp schijnt te wezen, een veerkracht en buigzaamheid ontwikkelen,
waarvan wij met al onze gymnastische oefeningen geen denkbeeld hebben.
Men moet geen eend op het land, en geen arbeider op de wandeling zien.
Ik bespreek evenwel voor den borst uwe achting niet alleen op zijn
titel als Arbeider, schoon hij er meê zou kunnen volstaan. Ik eisch die
vooral op grond van zijn karakter en zeden. Het blijkt wel, dat
arbeiden onze bestemming is, daar het den mensch zoowel naar lichaam
als naar ziel zoo gezond maakt. Zie dezen man; hij mist vijf en
zeventig van de honderd ondeugden, waaraan wij schuldig staan. Op dat
ronde gelaat staan eerlijkheid en trouw te lezen. Onder dat lomp stuk
vilt broeit geen vonk van eerzucht. Schoon het woord Arbeider den zin
heeft van Arbeider voor een ander, op eens anders land en voor eens
anders voordeel! weet hij niet wat het is, iemand te benijden. Zijn
wenschen strekken juist zoo ver als zijne stulp, dertig voet in ’t
vierkant. Achter dat grove wambuis klopt een grof bewerktuigd, maar
gezond hart met warm bloed en gelijke rustige slagen. Schoon de
weggestoken vuist een geducht wapen is, is het een eerlijk wapen, dat
nooit dan in een billijken strijd getrokken wordt. Die groote lompe
voeten zullen geen worm vertreden, als zij het mijden kunnen. Het
geheele ronde voorkomen van den flinkert is een verpersoonlijking van
het spreekwoord van zijn land; goed rond, goed Zeeuwsch.
Welnu, wat dunkt u? Zou onze held, indien hij slechts eenigzins aan de
gegeven karakterschets gelijkt,—en tot bevestiging daarvan, durf ik mij
op ieder, die den nijveren Zeeuwschen en den geheelen vaderlandschen
arbeidersstand eenigzins van nabij kent, beroepen—zou hij dan niet
verdienen, een sport of wat hooger in onze schatting te staan, dan de
ladder der maatschappelijke inrichting hem aanwijst? Laat het zijn, dat
hij tot de voeten van het maatschappelijk lichaam behoort, het zijn
toch de voeten, die het lichaam dragen. Hebben wij, beschaafden, de eer
van daarin de plaats der fijnere zenuwen te vervullen, vergeten wij
niet, dat de spieren het in beweging brengen. Zijn wij er trotsch op,
dat wij als kleurige klaprozen en gesternde korenbloemen tusschen het
graan in staan, houden wij onder het oog, dat het de eenvoudige
eenkleurige halm is, die het gezegend voedsel onzes dagelijkschen
onderhouds bevat. Er is meer! In den nederigen boeren- en
arbeidersstand, van de besmetting van vreemde zeden vrijgebleven, wordt
het degelijk oud-vaderlandsch karakter nog bewaard. Daar worden de
voorouderlijke zeden nog in stand gehouden. Daar prijkt vader Cats noch
naast den eerwaardigen huisbijbel. Daarheen moeten wij onze toevlucht
nemen, om de plaatselijke eigenaardigheden van ons taaleigen op te
sporen. En dat ook de aloude dapperheid, die aan de De Ruiters,
Evertsens en Bankerts, als vlootvoogden uit deze zelfde streken, mannen
leverde om hunne groote daden mede uit te voeren, nog niet onder hen is
uitgestorven; bleek het niet treffend in den laatsten veldtocht, toen
onze plattelandsschutterijen, door hunne kloeke onversaagdheid, den
vijand zulk eenen schrik wisten in te boezemen, dat onze vreedzame
Zeeuwsche en Friesche boeren voor krijgshaftige Pruissen werden
uitgemaakt? Indedaad indien men den meer en meer afslijtenden stempel
van ons volkskarakter naar de oude munt vernieuwen wilde, zou men, even
als tot gaafbewaarde legpenningen, tot den nederigen boeren- en
arbeidersstand zijne toevlucht moeten nemen.
Doch het behoort onder de voorrechten van dezen stand, dat hij van
zulke wenschen en zorgen niets weet. Onze arbeider althans leidt zijn
eentoonig en onafgewisseld leven met onveranderde tevredenheid. Schoon
wij hem niet kunnen aanzien zonder een onwillekeurig gevoel van
medelijden over zijn zwaren arbeid en armoedig bestaan in ons te voelen
opkomen, verzeker ik u, dat hij ons daarvoor niet bedanken, maar van al
ons beklag niets begrijpen zou. En waarlijk er is geen reden toe. De
man heeft alles wat hij wenscht. Zijn klok staat aan den hemel: hij
gaat met de zon te werk en te bed. Zijn tanden zijn hard genoeg voor
het hardste roggebrood, en zijn vochten weten niets van het schadelijke
van een onmatig gebruik van spek. Zijn harde matras schijnt met
slaapbollen gevuld. Hij heeft alle dagen een lekker gastmaal:
aardappelen, door zijn eigen hand geteeld, met een heerlijke saus
overgoten, die honger heet, en een groot feest: rust na arbeid. Buiten
deze dagelijksche feesten heeft hij nog des zondags de wandelingen naar
het nabijgelegen stadje, dat gij over ’t water ziet, met een aardig
boerinnetje aan zijn zijde. En als het kermis is en hij met zijne
uitverkorene voor de vedel staat, dan zou hij niet willen gelooven, dat
het mogelijk is grooter pret in de wereld te smaken. En misschien is
het ook niet mogelijk! Zoo leeft dan de arbeider jaar in jaar uit, even
gelukkig en tevreden, en zou ons uitlachen, als hij wist, dat wij
zooveel moeite nemen om hem te beschrijven [6].